HISTORIEK  HISTORIQUE  HISTORIC

 

 

De aanvang der Portugese maritieme expansie voor, onder en na Hendrik de Zeevaarder (III)

 

V. Het toppunt onder Joáo II

Het eerste belangrijke resultaat van de eerste reis van Cào was de ontdekking van de monding van de Congo-stroom, waar, waarschijnlijk op 23 april 1483, een gedenkzuil of padráo werd geplaatst. Daarna werd de kust van Angola gevolgd tot Mossamedes — of althans tot de plaats die thans zo heet — dat nog in augustus van hetzelfde jaar bereikt werd. Een oostwaartse geringe ombuiging van de kust werd daar door Cáo verkeerdelijk geïnterpreteerd als een mogelijke toegang tot de oostkust van Afrika via het, verkeerd gelocaliseerde, zuidelijke uiteinde van dat vasteland. Dit gaf aanleiding tot de terugkeer naar het noorden en het moederland. De sprong naar het zuiden in éen enkele reis was geweldig geweest. Men merkt dat het rythme der ontdekking onder Joáo II zeer veel sneller is dan onder Hendrik de Zeevaarder en zelfs onder Gomes, niettegenstaande grotere problemen zowel op nautisch gebied als wat de afgelegde afstanden betreft.

Zoals de Ornáo van 11 december 1485 van de Portugese gezant Vasco Fernandes de Lucena aan paus Innocentius VIII het voorstelt dacht men in Portugal nu het „Prassum promontorium" van Ptolemaeus bereikt te hebben dat de Indische Oceaan van de Atlantische moest scheiden. Om dit voorbij te streven werd de tweede reis van Diogo Cáo voorbereid. Gedurende deze tweede reis bereikte deze grote zeevaarder een punt enigzins ten zuiden van Lderitz-Baai in Namibië, zoals de kaart van Henricus Martellus Germanus (1489) aantoont. Deze laatste bron zegt ook in een opschrift dat Cáo daar stierf, wat bevestigd wordt door het proces-verbaal of „parecer" van de commissie van zeevaartkundigen die te Badajoz vergaderde in 1524 voor het vastleggen van de grenslijn tussen Portugese en Spaanse bezittingen vooral in de Molukken.

De expeditie was terug in Portugal zonder haar leider, waarschijnlijk in het voorjaar van 1486. Het is inderdaad omtrent het midden van dat jaar dat Joáo II de beslissingen begint te nemen die van 1487 het belangrijkste jaar in de geschiedenis van de aanvang van de Portugese maritieme expansie zullen maken. De koning laat nu in drie richtingen zoeken naar de zeeweg naar Indië. Nog nooit was een dergelijke breedte van visie aan de dag gelegd.

De ontgoocheling die de mislukking van de tweede reis van Cáo bij de koning had verwekt was er de rede van dat hij zich opnieuw ging interesseren aan de idee die Columbus vruchteloos aan zijn hof had verdedigd, nl. Indië langs het westen te bereiken. Maar dit was slechts een aspect van de buitengewone rijkdom aan concepten die toen bij Joáo II opgingen. Terzelfdertijd besloot hij de poging van Cáo weer op te vatten en dit leidde tot de expeditie van Bartolomeu Dias, die Kaap de Goede Hoop zal omzeilen, terwijl een andere missie, op mohamedaanse schepen, de Afrikaanse oostkust zal volgen in zuid-noordelijke richting, na ook Indië te hebben aangedaan. Dit alles overtrof geweldig al wat de Portugezen onder Hendrik de Zeevaarder en Fernáo Gomes hadden ondernomen en maakt van Joáo II de grootste figuur in de geschiedenis van de Portugese maritieme expansie, waarvan de evolutie aldus in een nieuw licht komt te staan.

We zullen eerst aandacht schenken aan de poging in westelijke richting. Op 24 juli 1486 bekrachtigt koning Joáo II een twaalf dagen vroeger afgesloten contract tussen Fernâo Dulmo (Ferdinand van Olmen) en Johan Afonso do Estreito, een rijke kolonist op Madeira. De eerste, die begiftigde kapitein was op Terceira in de Azoren, heeft aan de koning verklaard „como elle nos (d.i. aan de koning) queria dar achada huâa grande ylha ou ylhas o terra firme per costa que se presume ser a ylha das Sete Cidades, e esto todo aa sua propria custa e despesa" Nu speelt dit eiland der Zeven Steden een rol in de voorstellen die Columbus aan koning Joâo II had gedaan voor het bereiken van Indië langs het Westen, en wel vôordat hij op het einde van 1484 of het Begin van 1485 Portugal verliet nadat zijn voorstel was afgewezen. Dit eiland moest de eerste pleisterplaats zijn op de westelijke weg naar Indië. Koning Joâo zou zich voor deze route niet meer hebben geïnteresseerd indien de tweede reis van Câo de Indische Oceaan had bereikt, zoals verhoopt was.

De reis van Olmen en Estreito werd inderdaad ondernomen en wel vôôr maart 1487. Ze mislukte echter, hetgeen voor gevolg had dat Joâo II nog eens beroep deed op Columbus, die zich in Spanje bevond. Deze kwam naar Portugal, maar was er getuige van de terugkomst van Bartolomeu Dias in december 1488 na zijn geslaagde omzeiling van Kaap de Goede Hoop De zuidoostelijke weg naar Indië lag dus open, des te meer daar de oostkust van Afrika ondertussen verkend was geworden, maar op Arabische schepen, door Pero da Covilhâo. Voor Columbus was er natuurlijk in Portugal geen kans meer weggelegd. Zijn terugkeer naar Spanje zou leiden tot zijn afvaart in westelijke richting en de ontdekking van Amerika — en natuurlijk niet van Indië ! — in 1492.

Voor Portugal was het beslissende moment de zending van Pero da Covilhâo, ook in 1487, het jaar der grote initiatieven van koning Joâo II.

Schier al wat bekend is over Pero da Covilhâo komt uit het verhaal van Pater Francisco Alvares over een Portugees gezantschap naar Abessynië in de jaren 1520-27. Covilhâo werd namelijk, na zijn reizen naar Indië en Oost-Afrika, gevangen gehouden door de negus. Hij vertelde zijn lotgevallen aan Francisco Alvares, kapelaan van het hoofd van de zending van 1520. Hij was page geweest aan het hof van Alfons V van Portugal en diende later Joâo II. Hij kende Arabisch want hij was koninklijk agent geweest in Tlemcen en Fez in Noord-Afrika. Samen met Afonso de Paiva werd hij door koning Joâo belast het land van Pape Jan, d.i. Abessynië, te bereiken en vooral de plaatsen van herkomst van de specerijen te lokaliseren. Hij moest ook de Arabische handelsrouten langsheen de oostkust van Afrika volgen om te onderzoeken in hoeverre zij door de Portugezen zouden kunnen bereikt worden in aansluiting met de vorderingen die ze gemaakt hadden langsheen de zuidwestelijke kust van Afrika en weldra voorbij Kaap de Goede Hoop.

Op 7 mei 1487 vertrokken Covilhâo en Paiva uit Santarem, terwijl Bartolomeu Dias Lissabon verliet in augustus van datzelfde jaar en aldus de tocht ondernam die de zuidpunt van Afrika zou overschrijden. De eerste twee hadden een wereldkaart bij naar het type van die van de Venetiaanse van Fra Mauro uit 1460, die hun enige inlichtingen bezorgde over Abessynië, Oost-Afrika en een deel van de Indische Oceaan.

Een Portugees schip bracht Covilhâo en Paiva naar Egypte, waar ze eerst moeilijkheden hadden met de douanediensten in Alexandrië, maar zich daarna, vermomd, konden aansluiten bij een karavaan die naar Arabië trok. Zij gingen aldus overland tot aan het schiereiland Sinaï en vandaar per schip naar Aden. Paiva vertrok vandaar naar Abessynië, dat hij niet bereikte daar hij onderweg overleed. Covilhâo integendeel voer naar Indië op een Arabisch schip, tien jaar vóór Vasco da Gama, en bezocht er Cananor, Calicut en Goa, de latere hoofdstad van Portugees Indië. Van Aden naar Cananor was hij in éen maand tijd aan boord van dat Arabisch schip gezeild. Hij leerde aldus het mechanisme van de moesson kennen, des te meer daar hij van uit Indië de Oceaan weer overstak naar de Afrikaanse kust en deze bereikte op de hoogte van Sofala op ongeveer 800 mie van Kaap de Goede Hoop, d.i. slechts een paar honderd mijl boven het meest noordelijke punt dat Dias op de Afrikaanse oost-kust aandeed.

Hij volgde daarna de Afrikaanse kust van de Indische Oceaan en daarna van de Rode Zee. Van Suez begaf hij zich naar Cairo, waar hij Josef van Lamego en Abraham van Beja ontmoette, twee Portugese Joden die hem een brief van koning Joâo brachten, waarin er werd op aangedrongen dat hij nog naar Ethiopië zou gaan, dat Paiva niet had kunnen bereiken en vanwaar hij niet meer naar Portugal kon terugkeren omdat hij er de toelating niet voor bekwam van de negus, de Pape Jan van de middeleeuwse traditie. Voorheen was hij echter nog naar Ormuz op de Perzische Golf geweest, waar de zeeweg van uit Indië aansloot bij de landweg naar de Levant. Hij had aldus al de plaatsen bezocht die later onder Almeida en Albuquerque de basissen van de Portugese macht in de Indische Oceaan zouden worden, nl. de havens op de Afrikaanse oost-kust, Aden en Ormuz in zuidwestelijk Azië, Calicut en Goa in Indië.

Hij stelde in Cairo een rapport op voor koning Joâo dat naar Portugal gebracht werd door Josef van Lamego, die in deze laatste stad schoenmaker was geweest. Alvares, die dit alles verhaalt, vat aldus deze brief samen : „E loguo hi screveo pelo iudeu çapateiro de Lamego em como tinho descoberto a canella e pimenta na cidade de Calecut, e que ho cravo vinha da fora, mas que tudo se ail averia, e que fora nas ditas cidades de Cananor, Calicut e Goa, tudo em costa, e que pera esto se poderia bem navegar poila sua costa e mares de Guine, vindo demandar ha costa de Çofala em que elle tambem fora, ou huma grande ilha a que os mouros chamam a Ilha da Lua. Dizem que tem trezentas legoas de costa e que de cada huma destas terras se poderia tomar a costa de Calecut". Covilhâo had dus kunnen vaststellen dat men kaneel en peper in Calicut kon kopen en dat de kruidnagels van verder kwamen. Hij deelde insgelijks aan de koning mede dat Sofala, waar hij geweest was, of anders het Maaneiland (Madagascar), konden bereikt worden vanuit de West-Afrikaanse kust waarmee de Portugezen bekend waren. Vanuit Sofala of Madagascar kon men dan Calicut bereiken.

Het gold nu dit programma te verwezenlijken. In het eerste deel daarvan slaagde Bartholomeus Dias, in het tweede en laatste Vasco da Gama.

In augustus 1487 verliet Bartholomeus Dias Lissabon met twee karvelen en een klein proviandschip. De nautische kennis volstond nu om van Kaap Palmas rechtstreeks naar de monding van de Congo te varen zonder de kust te volgen. Na Lüderitz, reeds vermeld in verband met Diogo Câo, werd Dias van zijn koers gejaagd en omzeilde hij Kaap de Goede Hoop zonder het te weten. Daarna landde hij op ongeveer twee honderd mijl ten oosten van de Kaap in de Mossel Baai en stelde de oostwaartse richting van de kust vast, die hij daarna volgde in noordoostelijke richting in de Indische Oceaan waar hij de monding bereikte van de Grote Vis Rivier. De bemanning sloeg toen aan het muiten en Dias moest noodgedwongen terugkeren. Gelukkig voor hem zag hij toen de Kaap, die hij Stormenkaap heette, wat door koning Joâo II in Lissabon na de terugkeer in 1488 tot Kaap de Goede Hoop werd omgevormd.

Aldus kreeg Dias in Portugal de roem die Câo niet was toegekomen, alhoewel in de tijd tussen Fernâo Gomes en Dias de grootste vorderingen door Câo waren gemaakt, die werkelijk de reus is geweest van de Afrikaanse ontdekking. Wat er ook van zij Joâo II wist nu dat de wereld van de Indische Oceaan was bereikt waarover de brief van Covilhâo hem inlichtte. De basis voor het bereiken van Indië was gelegd en wel door de beslissingen van de koning in het jaar 1487. De beslissende reis van Vasco da Gama was nu mogelijk. Zij ging echter slechts door tien jaar later en koning Joâo II was ondertussen overleden in 1495. Hoe komt het dat gedurende de laatste jaren van de regering van deze tot daartoe zo krachtdadige koning nets werd ondernomen in de nu bereikte Indische Oceaan?

De eerste zeven jaar van de regering van Joâo II hadden een reusachtige vooruitgang van de ontdekking meegebracht. De laatste zeven werden beheerst door de politiek in Portugal zelf en in hoofdzaak door de slechte verhouding met Castilië. De weg naar Indië lag open, maar werd niet gevolgd vóór de regering van Joâo's opvolger Manuel de Gelukkige. Onder Joâo II was de hoge Portugese adel niet betrouwbaar. Het opnemen van duizenden uit Spanje verdreven Joden stelde problemen. De kroonprins stierf; een onwettige zoon kon hem niet vervangen. De koning zelf werd ziek en stierf op veertigjarige leeftijd in 1495. In zijn korte regering was echter alles mogelijk geworden wat betreft de Portugese maritieme expansie in de Indische Oceaan. In de Atlantische Oceaan bekwam Joâo II nog door het verdrag van Tordesillas (1494) dat Brazilië in Portugees gebied kwam te liggen. Niemand heeft in de geschiedenis der Portugese expansie zo veel verwezenlijkt ais hij.


VI. Vasco da Gama

De reis van Vasco da Gama was de eerste voorname verwezenlijking van de regering van koning Manuel (1495-1521).

Wat was het probleem dat zich nu nog stelde? Eigenlijk kende men nu enerzijds de oostkust van Zuid-Afrika tot aan de Grote Vis Rivier en daarna weer vanaf Sofala in noordelijke richting, terwijl men ook wist dat vanuit deze laatste strook Indië traditioneel door de Arabische scheepvaart bereikt werd. Men moest dus eerst herdoen wat Dias had gedaan, daarna het in verhouding korte kustgebied tussen het meest noordelijke door hem bereikte punt en Sofala verkennen, en eindelijk de nodige inlichtingen — en zo mogelijk leiding — bekomen om de overvaart naar Indie mogelijk te maken.

De inlichtingen van Pero da Covilhâo schijnen het Portugese hof bereikt te hebben in 1491 Het jaar nadien was Columbus in de Antillen en bij zijn terugkomst in 1493 begonnen onmiddellijk de onderhandelingen tussen Portugal en Spanje die leidden tot het verdrag van Tordesillas (7 juni 1494). Op 25 oktober 1495 stierf koning Joâo II. Misschien heeft de snelle opeenvolging van al die feiten ook wel iets te maken met het uitblijven van een beslissende tocht naar Indië. Dat er ondertussen toch wel voorbereidingen waren voor een dergelijke tocht is niet onmogelijk. Het is ook niet onmogelijk dat een of meer pogingen werden gedaan om Sofala te bereiken en zelfs dat Vasco da Gama daarbij betrokken was.

Wat er ook van zij de vloot die Indië zou bereiken verliet Lissabon op 8 juli 1497 onder bevel van Vasco da Gama.

Tot de Kaap-Verdische archipel werd de trust gevolgd, maar vandaar af toonden de loodsen, die onder de beste medewerkers van Câo en Dias waren gekozen, wat de Portugese nautiek toen vermocht. Van 3 augustus tot 4 november werd geen land gezien en men ging slechts aan wal op 130 mijl ten noorden van Kaap de Goede Hoop in de baai van Sint Helena in het land der Hottentotten. Daarna werd de Kaap voorbijgestevend en werd de Zambezi-monding bereikt, waar een maand rust werd genomen. Op 2 maart 1498 was Gama te Mozambique en op 15 april te Malindi.
Daar werd een loods in dienst genomen die de vloot dwars door de Indische Oceaan rechtstreeks naar Indië zou voeren terwijl tot hiertoe, in Zuidwest en Zuidoost Afrika, meestal de kust werd gevolgd uitgenomen in het gebied van Sofala, waar de nautische moeilijkheden misschien wel waren bekend geraakt door de hoger vermelde mogelijke verkenningen helemaal op het einde van de regering van Joâo II.

Wie was deze loods? De De Asia, dec. I, boek IV, hoofdst. VI van Joâo de Barros noemt hem Malemo Cana, wat twee andere kroniekschrijvers, nl. Fernâo Lopes de Castanheda en Damiâo de Goes, verlengen tot Canaqua. Malemo is het arabisch mu'allim wat in het nautisch arabisch „meester der vaart" of loods betekent. Canaqua = Kanaka is ontleend aan het tamil van Zuid-Indië en betekent wiskundige of astronoom. In zijn boek over de Indische Oceaan zegt Duarte Barbosa, de schoonbroer van Magellaan, dat de Indische kooplui en zeevaarders altijd de Kanaka raadpleegden bij het plannen van hun reizen. In twee Arabische bronnen, nl. de A1-bark al-Yamani van Kutb ad-din en de Muhit van Sidi Ali vernemen we dat de Malemo Canaqua van Vasco da Gama Ibn Madjid was, „de meest geloofwaardige der loodsen en der zeevaarders op de westkust van Inde, zoals de laatst genoemde Bron zegt.

Het arabist hs. 2292 van de Bibliothèque Nationale te Parijs bevat 19 traktaten van Ibn Madjid. Met een ander hs. te Damascus en een te Leningrad konden 35 nautische verhandelingen van Ibn-Madjid geïdentificeerd worden, gedagtekend van 1460 tot en met 1494-95. De inlichtingen over de moessons, over de lokale winden, over de kustvaart en de vaart in voile zee naar Indië die daarin voorkomen, zijn zeer degelijk.

Met Ibn Madjid bereikte de vloot van Vasco da Gama zonder moeite en in minder dan vier weken Calicut. Maar, eens aan land, had Vasco da Gama al zijn diplomatiek talent nodig. Op 9 september 1499 bracht de admiraal de eerste lading specerijen te Lissabon aan wal. Op het gebied van de ekonomische geschiedenis ligt zijn verdienste, eerder dan op dat van de maritieme geschiedenis, waarin anderen, en groteren, hem waren vóór geweest en zijn werk hadden mogelijk gemaakt.

 

                                                                 * * *
Uit het onderzoek dat voorafgaat blijkt dat de Portugese maritieme expansie begint vóór Hendrik de Zeevaarder door toedoen van de Genuese zeelui die in dienst van Portugal stonden. In de 14de eeuw reeds werden de Canarische eilanden, de Madeira's en de Azoren ontdekt, terwijl de eerste eilandengroep reeds kortstondig voor rekening van Portugal gekoloniseerd werd. Hendrik de Zeevaarder is meer de kolonisator van de eilanden, dan de ontdekker der Afrikaanse kust die zijn kapiteins slechts volgden tot de aanvang van de Golf van Guinea, terwijl het eilandenrijk de hoofdbekommernis van de Infant was, wat ook de welsprekende Zurara daarover moge geschreven hebben. In de Golf van Guinea was de tijd van de koopman­monopolist Fernâo Gomes gekenmerkt door aanzienlijke vooruitgang der ontdekking zowel langs de kust als voor de eilanden. De grote sprong naar het zuiden had plaats onder Joâo II en 1487 was het sleuteljaar der ontdekking, waarin, na Câo, Dias en Covilhâo de weg naar de Indische Oceaan openlegden. Met de Vlaming Van Olmen werd dat zelfde jaar, de westelijke weg naar Indië opgegeven, die echter Columbus, voor rekening van Spanje en zonder dat hij het wist, wat later naar Amerika voerde. Alles werd voor Portugal mogelijk onder Joâo II, de hoofdfiguur meer dan Hendrik de Zeevaarder, in de vroege geschiedenis der Portugese maritieme expansie. Vasco da Gama verschijnt, in het licht van zijn voorgangers en wegens de hulp van Ibn Madjid, als een minder grote figuur dan Dias en vooral Câo, beide medewerkers van Joâo II.

 

 

 

  LMB-BML 2007 Webmaster & designer: Cmdt. André Jehaes - email andre.jehaes@lmb-bml.be