HISTORIEK  HISTORIQUE  HISTORIC

 

De aanvang der Portugese maritieme expansie voor, onder en na Hendrik de Zeevaarder (II)

 

III. Hendrik de Zeevaarder, de archipels en de Noord-Afrikaanse kust

Het is zeker dat niet alleen de Canarische eilanden, maar ook de Madeira's en de Azoren in de 14de eeuw ontdekt werden. In de eerste dezer archipels had een kortstondige Portugese inbezitname plaatsn, in de twee andere is zulks gebeurd onder Hendrik de Zeevaarder. De Cronica dos feitos notaveis que se passaram na conquista de Guiné por mandado do Infante D. Henrique, het beroemde panegyrisch geschrift van Gomes Eanes de Zurara, heeft, in opdracht van Hendrik de Zeevaarder, de feiten voorgesteld alsof de vaart langsheen de Afrikaanse kust het voornaamste aspect had uitgemaakt van de activiteit van de Infant. We zullen hier onderzoeken of de verhouding tussen wat de Infant bewerkte in de archipels en wat verwezenlijkt werd langsheen de Afrikaanse kust wel degelijk is wat de traditionele historiografie heeft aangenomen onder invloed van de schitterend geschreven kroniek van Zurara.

Laten we beginnen met de archipels.

De onbewoonde eilandengroep der Madeira's werd in 1425 in bezit genomen door de Portugezen Joáo Gonçalves Zarco en Tristáo Vaz Teixeira, twee edelen uit het gevolg van prins Hendrik de Zeevaarder. Daarom gaf koning Duarte, die de troon had bestegen in 1433, de eilanden in leen aan zijn broeder de Infant. Hij deed zulks reeds gedurende zijn eerste regeringsjaar door een oorkonde van 26 september 1433. De eigenlijke kolonisatie nam toen een aanvang, zoals bewezen wordt door een passus van een Koninklijke oorkonde van dezelfde datum voor de Orde van Christus, waarvan Hendrik „regedor e governador" was. De koning zegt „agora novamente o dicto iffante per nossa autoridade pobra". „Pobrar" betekent bevolken, dus koloniseren. „Novamente" onderstreept dat er een eerste poging is geweest bij de inbezitname, acht jaar vroeger, poging die waarschijnlijk mislukte doordat ze maritiem te weinig ondersteund was. Dit zal voortaan niet meer het geval zijn. Hendrik mag nu alle openbare werken ondernemen en grond verlenen.

Op 8 mei 1440 krijgt „Tristáo, cavaleiro da minha casa", in een oorkonde van de infant, een deel van Madeira waarvan de begrenzing wordt aangeduid. Deze Tristáo is dezelfde als een van de inbezitnemers van 1425. Hij zal het gebied houden van de infant „em justiça e em direito". Hij zal het mogen overmaken aan zijn oudste zoon of aan de tweede en hun rechtstreekse afstammelingen. Tristáo en zijn erfgenamen oefenen in naam van de infant de burgerlijke en strafrechtelijke rechts-macht uit. Tristáo verkrijgt ook het monopolie van de molens in zijn leen. De bevolking is dus merkelijk toegenomen sedert 1433. Dit onderstelt een intense maritieme activiteit. Hetzelfde geldt voor het verlenen van gronden die binnen de vijf jaar moeten ontgonnen worden. Er is een voortdurende toestroming van bevolking, wat alleen verklaart dat het zwaar beboste eiland kon ontgonnen worden. De bewoners mogen het wild geworden vee doden, zowel in het leen waar ze wonen als elders. Er is dus ook vervoer van vee geweest. Wanneer in het eiland zelf tam veem vervoerd wordt moet het vast gehouden worden opdat het geen schade zou aanrichten, wat wijst op een zich vlug ontwikkelende exploitatie en dus ook weer op intens maritiem vervoer.

Op 1 november 1446 krijgt Bartolomeo Perestrello van de Infant een charter voor Porto Santo, insgelijks in de archipel der Madeira's. Deze Perestrello, wiens dochter later Christoffel Columbus huwde, was de zoon van Filippo Pallastrelli uit Piacenza, die zich omstreeks 1385 in Lissabon had gevestigd als handelaar. Zijn zoon had de meer Portugese naam Perestrello aangenomen. Evenals Tristáo in 1440 verschijnt Perestrello in 1446 als „cavaleiro da casa" van de Infant. Hij ook moet het eiland — „minha hilha" zegt de prins — besturen „cum justiça e direito". De schenking is erfelijk. Ook hier heeft de leenman het monopolie der molens. Een ander banaliteitsrecht betreft de waterleidingen, die uit planken vervaardigd waren en dienden voor irrigatie. Er waren ook machines (engenho) voor het ontginnen van ijzererts of aders van andere metalen.
Perestrello krijgt de schenking van 1446 als beloning voor zijn werk als kolonisatie-ondernemer. Hij is als zodanig zeer efficient geweest. Toen Alvise da Cà. da Mosto, de Venitiaanse medewerker van Hendrik de Zeevaarder's laatste jaren, in 1455 Porto Santo bezocht noteerde hij dat het eiland in zijn onderhoud voorzag wat graangewassen betreft en dat het „abbondante di carne di bovi" was. Het produceerde ook een hars „sangue di drago" dat reeds geexporteerd werd. Dit alles onderstelt een aanzienlijke maritieme activiteit, des te meer daar een oorkonde van 1458 aantoont dat de infant zich verder interesseert voor de veeteelt op Porto Santo en dat de veestapel zich aanzienlijk heeft uitgebreid. Er zijn nu kudden in het ganse eiland.

Een charter van 3 mei 1447 betreffende gronden gelegen op Madeira toont dat de leenmannen van de infant zelf weer grond verlenen aan derden. Dit geschiedt met de verplichting te ontginnen. De afbakening ten opzichte van andere reeds toegekende gronden wordt nauwkeurig beschreven, wat wijst op een intense immigratie. De ontginning moet nu gebeuren binnen de 3 jaar. Zulks toont aan dat het rythme van de immigratie nog is toegenomen sedert 1449. Er zijn nu ook notarissen op het eiland om stukken zoals dat van 1447 op te stellen. In 1448 is de economie van Madeira reeds voldoende gevorderd opdat de belastingen die ze opbrengt aan de infant, zouden toelaten Lanzarote in de Canarische archipel te kopen tegen een jaarlijkse rente op deze inkomsten Dit moet geregeld worden door de beambten van de infant op Madeira.

In 1452 wordt door Hendrik de Zeevaarder een kontrakt afgesloten dat van aanzienlijke economische betekenis was. De infant verleent aan Diogo de Teyve, zijn „escudeiro", het recht een machine op te richten om suiker te fabriceren  Daarmee begint een produktie die de ontwikkeling van Madeira aanzienlijk heeft versneld, zoals Alvise da Cá da Mosto het reeds in 1455 noteert. De maritieme betrekkingen worden daardoor nog geactiveerd en zullen steeds toenemen.

Ook vreemdelingen worden nu naar het eiland gelokt. In 1457 heeft een Duitser, Hendrik „cavaleiro de Santa Catarina", een stuk grond bekomen, waarop hij met 7 á 8 landbouwers, misschien ook Duitsers, wijn en suiker produceert. Hij mag ook huizen en een kapel bouwen.

De maritieme en economische activiteit op de Madeira's loopt paralleel met die op de Azoren.

Door een diploma van Alfons V van 2 juli 1439 bekomt Hendrik de Zeevaarder de toelating om zeven eilanden van de archipel, waarop hij voorafgaandelijk schapen heeft doen ontschepen, te koloniseren. Het spreekt vanzelf dat zulks ook weer een aanzienlijke maritieme activiteit veronderstelt. Van 1443 af gaat export van de nieuwe kolonies naar het moederland. Op 2 maart 1450 wordt „a ilha de Jesu Christo", tegenwoordig Terceira, aan „Jacome de Bruges, natural do condado de Flandes" geschonken. De schenker is Hendrik de Zeevaarder en Jacob van Brugge bekomt de „capitania" van het eiland. De bevolking begint nu toe te nemen en dus ook de betrekkingen over zee met het moederland.

Op het einde van zijn leven is Hendrik ook nog heer geworden van vijf der Kaap-Verdische eilanden gevonden door de Genuees Antonio da Noli „em vida do Infante dom Amrrique" zegt een oorkonde van 19 september 1462, wat minder dan twee jaar na de dood van de Zeevaarder op 13 november 1460. Wij zullen op de bedrijvigheid van deze Genuees nog verder terugkomen. Reeds voor hem was de Venetiaan Alvise da Cá. da Mosto, die ook in dienst stond van Hendrik, naar de archipel geweest. Met Antonio da Noli is de eigenlijke kolonisatie begonnen.

Ik heb elders aangetoond dat Hendrik de Zeevaarder in wat hij beschouwde als zijn eilandenrijk een van de hoofdaspecten van zijn activiteit zag. Dit moge blijken uit het volgende.

Wanneer men de koloniale privilegies die de Infant verleende zorgvuldig onderzoekt bemerkt men dat hij vaak getracht heeft zijn rechtsmacht, en dus zijn autonomie, ten nadele van het koninklijk gezag uit te breiden. Hij heeft een eigen raad voor zijn eilanden in het leven geroepen. Hij benoemt de ambtenaren van hogere graad, die elders door de koning worden aangesteld. In 1450, in het reeds vermelde diploma voor Jacob van Brugge aangaande Terceira in de Azoren, spreekt hij zelfs van „minha real authoridade como senhor das ilhas". Het adjectief „real" is opvallend en slaat zo niet op een feit, dan toch op een bedoeling. Nog in juli 1460, kort vóor zijn dood, betwist Hendrik de opperste rechtsmacht over twee van de Azoren aan de koninldijke rechtbank. In september is hij ziek. Op 28 oktober laat hij zijn testament opstellen. Nu onderwerpt hij zich volledig aan de koning en verklaart uitdrukkelijk „por que seu he todo o de que fa90 este testamento" d.i. ook de eilanden die hij voorheen autonoom trachtte te houden. Twee weken na de dood van Hendrik, door een diploma van 3 december 1460, schenkt de koning al de eilanden die de infant bezat aan Dom Fernando, aangenomen zoon van de Zeevaarder. De eenheid van dat bezit wordt aldus erkend, en de autonomie zal, tegen de verwachting van de koning in, voortgezet worden.

De bedoeling van Hendrik de Zeevaarder om zich een eilandenrijk te verzekeren komt ook uit doordat hij getracht heeft zich te doen gelden in de Canarische archipel, waar ondertussen de Castiliaanse heerschappij zich meer en meer gevestigd had.

Volgens hoofdstuk LXXIX van de Cronica van Zurara zond de infant in 1424 een belangrijke expeditie naar Gran Canaria, die echter mislukte. In feite geldt het hier een koninklijke expeditie, die slecht voorbereid was, zoals ik elders heb aangetoond. In 1434 zond Hendrik — of de koning? — een expeditie naar een der Canarische eilanden, waarschijnlijk Gran Canaria, die ook weer mislukte en eindigde met een aanval op Lanzarote, dat, zoals we gezien hebben, tussen + 1370 en ± 1385 Portugees was geweest. Wat er ook van zij in 1448 heeft Hendrik Lanzarote gekocht tegen een jaarlijkse rente te betalen aan Maciot de Béthencourt, erfgenaam van Jean de Béthencourt de veroveraar voor rekening van Castilië in 1402-1403. Hendrik heeft in 1450 getracht zich werkelijk meester te maken van Lanzarote maar is daarin niet geslaagd. In 1454 trachtte hij nog andere Canarische eilanden af te kopen van Castiliaanse vazallen, maar ook dit mislukte. De pogingen van Hendrik de Zeevaarder in de Canarische archipel liepen dus alle uit op mislukkingen. Dit belet echter niet dat ze aantonen dat hij ook daar getracht heeft zijn eilandenrijk een zo breed mogelijke basis te geven.

In tegenstelling met de veelvuldige betrekkingen tussen de eilanden van de Infant, onderling en met het moederland, gold het voor Afrika alleen kustvaart met zeer weinig schepen. We zijn daarover uitsluitend ingelicht door de kroniek van Zurara. Van de 97 hoofdstukken van dit werk handelen alleen 7 over de eilanden en dan nog op zeer oppervlakkige wijze. De 90 andere hebben het, met ontelbare bijzonderheden, over de individuele vaarten van de mannen van de Zeevaarder langsheen de kust en vooral over de Moorse en zwarte slaven die ze er weg haalden. Van 1441 tot 1448 waren er dit volgens Zurara 927.

In 1434 was Gil Eannes wat verder dan de onbeduidende Kaap Bojador geraakt, waar tot dan toe de Portugese kustvaart stopte. Het volgende jaar raakte men ongeveer 200 mijl meer naar het zuiden. In 1436 werd de woestijngordel voorbij gestevend en Kaap Blanco, nog 200 mijl verder, bereikt. Tot 1441 waren er geen verdere tochten, maar toen bereikten Antáo Gonçalves en Nuno Tristáo Rio de Oro en haalden er slaven weg. Van daaruit werd de bocht van Arguim bereikt waar in 1448 een fort werd opgericht dat wat later een basis voor slavenhandel werd. In 1445 was de Senegal een eind opgevaren en in 1447 bereikte Alvaro Fernandes de hoogte van het latere Konakry in vroeger Frans Guinea. Toen onderbrak de burgeroorlog in Portugal de ontdekking der kust, die niet hernomen werd vóordat in 1455 de Venetiaan Alvise da Cà da Mosto in de dienst van de Infant trad. Daar deze zich vooral verdienstelijk maakte door de ontdekking van de Kaapverdische archipel, zullen we hier eerst even trachten te bepalen tot waar de kust gevolgd was in 1460, het jaar van de dood van de Zeevaarder.

Van de reis van Pedro de Sintra, die Sierra Leone en Liberia bereikte, heeft Hendrik de resultaten niet meer gekend. Men moet dus de kustvaarten die op zijn bevel werden uitgevoerd vóór Sierra Leone afsluiten, bijgevolg lang vóór het gebied waar de golf van Guinea begint. Dit is van het grootste belang voor het beoordelen van het vaak aan Hendrik toegeschreven plan voor de omzeiling van Afrika. We kunnen echter nu reeds besluiten dat het zeer grote merendeel van de maritieme activiteit van de bemanningen van Hendrik de Zeevaarder gericht was op de eilanden en niet op de Afrikaanse kust. De vooruitgang daarlangs is zeker van groot belang, maar de proportie in de bedrijvigheid is het omgekeerde van wat ze bij Zurara schijnt te zijn. Voor de eilanden geldt de voortdurende heen- en weervaart van talrijke schepen, voor de kust alleen expedities van een of twee karvelen en dan nog met meerdere en soms lange onderbrekingen zoals van 1436 tot 1441, van 1447 tot 1455.

Vóordat we deze paragraaf afsluiten zullen we enige aandacht wijden aan de rol als ontdekkers van de Italiaanse medewerkers van Hendrik de Zeevaarder's laatste jaren, nl. Alvise da Cà da Mosto en Antonio da Noli.

In 1456 werd Cà da Mosto door een storm van de kust verwijderd op de hoogte van Kaap Blanco. Na twee nachten en drie dagen ontdekte hij twee onbekende eilanden. Twee andere werden gezien. Het was een deel van de Kaapverdische archipel, nl. de eilanden Santiago, Maio, Boa Vista en Sal, waarvan de Venetiaan de relatieve ligging ten opzichte van elkaar zeer nauwkeurig en correct aangeeft. In 1460 begint de Genuees Antonio da Noli de kolonisatie van Santiago en ontdekt ook Fogo. De zeven andere eilanden werden ontdekt in 1462 door Diogo Afonso, escudeiro van Dom Fernando, opvolger van Hendrik de Zeevaarde. Vanuit Santiago zond Antonio da Noli vóor 1469, datum van het verdrag afgesloten door Alfons V met Fernáo Gomes, een karveel langs de kust van Guinea. Dit was het verste punt dat bereikt werd door een gewezen medewerker van Hendrik de Zeevaarder, maar ettelijke jaren na diens dood.

Wat Hendrik nog geweten heeft van de Kaapverdische archipel kon hem niet toelaten aan de omvaart van Afrika te denken. Nochtans heeft men de beroemde pauselijke bul van 1455 (8 januari, Romanus Pontifex, van Nicolaas V) in die zin willen interpreteren. Merken we eerst al op dat deze bul valt vóór de ontdekking in 1456 van de Kaapverdische archipel, het meest verwijderde gebied waarmee Hendrik bekend werd. Hij kon dus onmogelijk denken aan een omvaart van Afrika vermits de Golf van Guinea nog niet bereikt was, waar de kust naar het oosten ombuigt. Wat de bul zegt over de „meridionales et orientales plagas" en over de „Indos" is zuiver rhetorisch en heeft, in 1455, niet de minste concrete betekenis. Waarom het eigenlijk gaat heeft Ch. M. de Witte zeer goed gezien in zijn reeks studiën over „Les bulles pontificales et l'expansion portugaise au xve siècle". De bul eindigt met „l'interdiction stricte tous les fidèles sous peine d'excommunication ou d'interdit d'enfreindre le monopole du Portugal ou de le troubler de quelque manière que ce soit dans ses possessions et la poursuite de sa conquête", besluit deze geleerde. We weten tot waar deze inbezitname toen reikte en meer kon toen niet bedoeld zijn.

Koning Alfons V heeft na de dood van Hendrik de Zeevaarder geen belang meer gesteld in de verdere verkenning der Afrikaanse westkust totdat in 1469 het verdrag met Fernáo Gomes werd afgesloten. Dit deed echter wel zijn broeder Dom Fernando, de aangenomen zoon van Hendrik, die in 1466 voor zijn kolonisten op Santiago in de Kaapverdische archipel het recht had bedongen met gans Guinea betrekkingen te onderhouden. We vernemen door een diploma van 1472 dat Antonio da Noli, die kapitein was van Santiago, Gomes in Guinea was voorafgegaan. Voortaan wordt hem verboden daarheen te varen.

Onder Fernáo Gomes boekte de verkenning der kust aanzienlijke vooruitgang, zonder dat daarbij de koning een eigenlijke rol speelde, wat misschien wel het geval was voor de nochtans zeer jeugdige kroonprins, de latere koning Joáo II. Gomes, zelf een groothandelaar die te Lissabon bleef, gebruikte uitstekende kapiteins. De eerste drie daarvan, Soeiro da Costa, Joáo de Santarem en Pero de Escobar stevenden steeds meer oostwaarts langs de kust van Guinea totdat, in de eerste dagen van 1471, het punt bereikt werd waar een tiental jaren later Sáo Jorge da Mina, de goud- en slavenhaven van latere tijd, werd gesticht. Fernando Po zette de verkenning der kust van Guinea voort en ontdekte het eiland dat nog steeds zijn naam draagt. De laatste twee kapiteins van Gomes, Lopo Gonsalvez en Ruy de Sequeira, overschreden de evenaar. Deze overgangsperiode eindigt met het laatste jaar van het contract van Gomes in 1474.
Tot 1481, eerste jaar van de regering van de buitengewoon krachtdadige Joáo II, werd niets meer ondernomen, maar nu volgden de belangrijke feiten zich ononderbroken op, zodat de periode die nu begint de grootste in de geschiedenis van de aanvang van de Portugese maritieme expansie mag heten.

In het begin van 1482 werd Sáo Jorge da Mina tot een belangrijke basis gemaakt voor het voortzetten der ontdekkingen in zuidelijke richting langsheen de West-Afrikaanse kust bezuiden de Golf van Guinea.

In 1482-84 valt dan Diogo Cáo's eerste reis. Vanaf de door de laatste kapiteins van Gomes bereikte punten verliep deze reis in niet alleen geografisch maar ook nautisch onbekend gebied. Tot daartoe hadden stromingen en winden steeds de Portugese ontdekkingen vergemakkelijkt. Reeds van de Portugese kust af voert een gunstige stroming naar Noordwest Afrika. Langs de kust van Marokko en Mauritanië voert dan de Canarische stroming naar het zuiden en brengt de zeilschepen bijna vanzelf tot Kaap Verde en het begin van de Golf van Guinea. Men ziet dus dat de verkenning van Afrika's westkust onder Hendrik de Zeevaarder door deze stromingen begunstigd en vergemakkelijkt werd, terwijl, zoals hoger aangetoond, het terugkeren vanaf de Canarische eilanden versneld werd door de passaatwind die, reeds veel vroeger, de ontdekking van de Madeira's en de Azoren in de hand werkte. Ook langsheen de kust van de Golf van Guinea hielp een West-Oost-stroming de scheepvaart, terwijl in open zee een tegenovergestelde stroming de terugtocht makkelijker maakte. Ten zuiden daarvan waren de problemen groter. De Benguela-stroming gaat in noordelijke richting langsheen de kust die in zuidelijke richting moest verkend worden. Er was wel een noord-zuidelijke stroming in open zee, maar dat moest eerst ontdekt worden. Daarenboven speelden windstilten een aanzienlijke rol.

 

Word vervolg

 

 

 

  LMB-BML 2007 Webmaster & designer: Cmdt. André Jehaes - email andre.jehaes@lmb-bml.be