HISTORIEK  HISTORIQUE  HISTORIC

 

De aanvang der Portugese maritieme expansie voor, onder en na Hendrik de Zeevaarder (I)

 

DOOR C. VERLINDEN : Bijdragen de internationale maritieme Geschiedenis – Collectenea Maritima IV

 

De Portugese maritieme expansie is niet een mirakel geweest dat ineens met Hendrik de Zeevaarder (1394-1460) als bij toverslag begon. Hendrik, die zo weinig de zee bevoer, is meestal het voorwerp geweest van een pseudo-wetenschappelijke hagiografie. Vijfde kind van Joáo I van Avis en Philippa van Lancaster is hij meestal beschouwd geweest als de persoonlijkheid zonder dewelke de Portugese maritieme expansie niet zou hebben plaats gevonden. Dat hij deze expansie aanzienlijk heeft helpen uitbreiden staat buiten kijf, maar dat alles met hem begint en dat na hem alleen nog overbleef verder te gaan op de onder hem ingeslagen weg, verdient wel nader onderzoek.

De aanvangsperiode waarvan hier spraak zal zijn duurt lang. Ze begint met de ontdekking der archipels in het oosten van de Atlantische Oceaan — Canarische Eilanden, Madeira's, Azoren — in het midden van de 14de eeuw en duurt tot de verwezenlijking van de Atlantische — en Indische Oceaanzeeweg naar Indië door Vasco da Gama op het einde van de 15de eeuw. Daarna begon het stadium van het koloniale imperium dat de expansie bekroonde en zich uitbreidde tot China, Indo-nesië en Japan, althans wat de economische connexies en, in zekere gevallen, de economische en politieke steunpunten betreft. Het is deze periode van meer dan anderhalve eeuw die hier zal worden onderzocht met het doel na te gaan welke plaats daarin toekomt aan Hendrik de Zeevaarder, aan koning Joáo II en aan zeevaarders zoals de Italiaanse medewerkers van de Portugese kroon — Lanzarotto Malocello, Alvise da Ca da Mosto, Antonio da Noli —, aan de Vlaming Ferdinand Van Olmen, en aan de grote Portugezen Diogo Cao, Pero da Covilháo, Bartolomeu Dias en Vasco da Gama.


I. De Genuezen in de Portugese marine in de 14de eeuw

De eerste maritieme betrekkingen tussen Genua en Portugal staan in verband met de economische connexie over zee tussen de grote Ligurische havenstad en West-Europa, vooral Engeland en Vlaanderen, die aanvangt op het einde der 13de eeuw 1. Sporadisch komen er wel contacten voor in vroegere tijd, maar het is van bedoelde periode af dat de Portugese havens, en vooral Lissabon, regelmatige pleisterplaatsen werden langsheen de route die de Genuese galeien van de Middellandse naar de Noordzee leidde. De Genuezen werden geleidelijk talrijker in Lissabon en verwierven er privileges.

In 1317 komt één van hen, de grote koopman en zeevaarder Manuel Pessagno, ineens in het volle licht te staan als admiraal van de Portugese vloot. Een contract wordt tussen hem en koning Dinis van Portugal afgesloten op 1 februari 1317. Pessagno voerde zeehandel op Engeland sedert minstens 1306. In een notarisakte van 31 oktober van dat jaar sluit hij een overeenkomst met zijn medeburger Janinus Marocellus voor het vervoer van een aanzienlijke lading Engelse wol naar Genua op twee Genuese galeien, elk met een bemanning van 140 koppen. Marocellus behoorde tot een Genuese familie met dewelke Pessagno voortdurend in betrekking stond, ook in Portugal zoals nog zal worden aangetoond.

In 1317 is Manuel Pessagno zo goed bekend in Lissabon dat koning Dinis hem tot een Portugese vazal maakt. Door het reeds vermelde diploma van 1 februari 1317 krijgt de Genuees het koninldijk goed Pedreira te Lissabon, levenslang en mits de dienstprestaties die in het diploma bepaald worden Pedreira en een jaarlijkse rente van 3000 pond vormen een eerstgeboorteleen voor de oudste wettige en leke zoon van Pessagno, en diens opvolgers, onder dezelfde voorwaarden en mits dezelfde diensten aan de kroon. Zoals de vader, zullen de zoon en zijn opvolgers hulde brengen en trouw zweren aan de koning. Pessagno verklaart zich vazal van de koning en belooft hem loyaal te dienen „nas vossas galees per mar". Hij zal slechts zelf het commando moeten nemen, indien minstens drie galeien tegelijk opereren. Hijzelf en zijn opvolgers zullen steeds ter beschikking van de koning twintig Genuese medewerkers houden: „viinte homeens de Genua sabedores de mar, taaes que seiam convenhaviis pera alcaydes de galees e pera arrayzes". Wanneer de koning deze kapiteins en loodsen niet nodig heeft, mogen Pessagno en zijn opvolgers ze gebruiken „en vossas merchandias" en ze naar Vlaanderen, Genua en andere plaatsen zenden. De Pessagno's zullen dus Portugese admiraals zijn, maar tevens handelaars blijven in de zeehandel tussen Genua en Noord-West Europa. Het salaris van de Genuese kapiteins en loodsen zal door de koning uitbetaald worden wanneer zij in zijn dienst staan. Pessagno en zijn opvolgers zullen niet alleen galeien maar ook andere vaartuigen, met name navios, mogen uitrusten.

Op 10 februari 1317 geeft de koning bevel aan al zijn kapers, kapiteins, loodsen en officieren de nieuwe admiraal te gehoorzamen: „Eu, querendo fazer graçaa e mercee a Miser Manuel genoes, meu vassalo, faço o meu Almirante moor e mando a todos meus vassalos cossairos e a todolos outros alcaides de galees e arrayzes e officiaaes que a este officio perteeçem que ffaçam seu mandado"

Op 24 september wordt nog eens herhaald dat Manuel Pessagno, maar ook zijn erfgenamen en opvolgers, steeds twintig nautisch onderlegde Genuezen ter beschikking van de koning en zijn opvolgers moeten houden 6. De rente van 3000 pond wordt nu vervangen door het kasteel en het stadje van Odemira, maar wat „naves ou barcas" daar zullen aanvoeren uit Frankrijk of „daalem mar ou d'outras partes" zal het tiend moeten betalen '. Zulks toont eens te meer dat de Pessagno's, buiten galeien, ook andere vaartuigen gebruikten, niet alleen „navios", zoals we reeds wisten, maar ook kleinere „barcas", die bijzonder geschikt waren voor kustvaart „alem mar", wat zeker Afrika bedoelt.

Op 24 april 1321 zien we in een koninklijk diploma dat er moeilijklaeden waren ontstaan tussen de admiraal en de alcaide van Lissabon. Pessagno beklaagde er zich over dat de alcaide hem de rechtspraak over zijn manschappen en zijn „alcaides, arraizes e petintaaes" wilde onttrekken. De eerste twee categorieën kennen wij reeds. De petintaaes zijn waarschijnlijk technici belast met het onderhouden der schepen.De koning beslist dat zijn alcaide alleen voor misdaden bevoegd zal zijn. De „homens de mar" van de admiraal, waaronder zeker Genuezen, mogen niet wederrechtelijk door de alcaide in de gevangenis worden opgesloten, doch maatregelen worden voorzien betreffende het dragen van wapens door de Genuezen. De dienaars van de alcaide van Lissabon mogen niet in de wijk van de admiraal (barro) doordringen. Er bestaat dus in de Portugese hoofdstad een immunitaire Genuese wijk, waar echter waarschijnlijk ook Portugezen woonachtig waren, voor zover zij behoorden tot het personeel van de admiraal.

Door een Koninklijke oorkonde van 16 maart 1321 vernemen we dat de admiraal Moren van Sale op de atlantische kust van Marokko heeft gevangen genomen. Dit wijst dus op activiteit langsheen de kust van Noord-West Afrika.
De opvolger van Dinis, koning Alfons IV, bevestigt op 21 april 1327 het privilegie van 1317. Door twee diploma's van 1339 en 1340 vernemen we dat Pessagno een scheepswerf had aangelegd te Pederneira in de bossen van de abt van Alcobaça om er galeien te bouwen met het hout van deze bossen. Hij had zijn „criado" of bediende Vasco Lourenzo, een Portugees dus, aangesteld als „alcaide do mar" en deze was in conflict geraakt met de abt. De zaak werd voor de Cortes gebracht, maar wat ons hierbij interesseert is dat de admiraal nu ook galeien bouwt Hij was zeker eerst in Portugese dienst getreden met zijn eigen schepen, zoals dat met andere Genuese admiraals het geval was geweest in Castilië.

Carlos Peçanha — zoals de naam nu in Portugal geschreven werd — heeft zijn vader opgevolgd vóór of in 1342. Na hem werd zijn broeder Bartolomeo admiraal, en daarna een derde broeder Lanzarote. Nog ten tijde van Hendrik de Zeevaarder waren leden van de zelfde familie admiraal. Allen hielden ze het ambt zoals dat in 1317 was vastgelegd. De medewerking van Genuese technici bleef aan de orde van de dag. Er was een korte onderbreking in de carrière van Lanzarote Pecanha toen deze van 1365 tot 1367 werd afgezet door Pedro I, maar opnieuw aangesteld in 1367 door koning Ferdinand. Nu is het juist gedurende de ambtsperioden van Manuel Pessagno en van zijn drie zonen als admiralen van Portugal dat de Canarische eilanden, de Madeira's en de Azoren voor het eerst in de kartografie verschijnen. In een aantal vorige studies heb ik het verband tussen beide feitenreeksen onderzocht. Hiervan volgt een samenvatting.


II. De ontdekking der Canarische eilanden,der Madeira's en der Azoren

De Oudheid had een en ander geweten over de Canarische eilanden, toen Insulae Fortunatae genoemd, maar die kennis was gedurende de middeleeuwen verloren gegaan. In de 14de eeuw werd de archipel herontdekt.

Men heeft deze ontdekking sedert lang toegeschreven aan de Genuees Lanzarotto Malocello maar doorgaans met een verkeerde chronologie. D'Avezac in 1848 sprak van 1275, wat hijzelf een „chiffre conjectural" heette 15. Beazley maakte er, in 1906, 1270 van. Deze datum werd zonder bewijzen overgenomen door E. Prestage, terwijl Ch. de la Roncière aan 1312 dacht en daarin, ook weer zonder afdoende bewijzen, door R. Hennig werd gevolgd.

De terminus ante quem voor de ontdekking wordt aangeduid door de Major-kaanse kaart van Angelino Dulcert van 1339, waar onder de vier Canarische eilanden die er verschijnen, een „insula de Lanzarotus Marocelus" voorkomt. Op het eiland zelf staat het kruis van Genua getekend, terwijl latere kaarten, waaronder die van de Genuees Bartolomeus Pareto, na Marocelus „Januensis" toevoegen. Het gaat hier om een ontdekking door een Genuees, maar niet om een Genuese ontdekking, en nog minder om een Genuese inbezitneming, want Genua heeft nooit de Canarische eilanden opgeëist.

We weten door een brief van koning Alfons IV van Portugal uit 1345 aan Paus Clemens VI dat de ontdekking werd gedaan door inwoners van zijn rijk (regnicole), maar dat er daarna geen bezetting plaats had ten gevolge van een oorlog met Castilië. Nu dagtekent deze oorlog van 1336. De ontdekking is dus kort vóor die datum gedaan en wel door een Genuees in Portugese dienst (regnicola). Bijgevolg was Lanzarotto Malocello, een medewerker van Manuel Pessagno, de Genuese admiraal van de koning van Portugal, die wel zegt dat de ontdekking gedaan werd door bewoners van zijn koninkrijk (regnicole) zoals de Genuezen van Pessagno waren. Dat Malocello Portugezen in zijn bemanning had is natuurlijk hoogst waarschijnlijk. Merken we hierbij nog even op dat reeds te Genua economische relaties bestonden tussen de Pessagno's en de Malocello's, die insgelijks aanzienlijke groothandelaars en zeelui waren. Anderzijds eist de brief van koning Alfons IV aan de Paus de soevereiniteit over de archipel voor Portugal op.

Inderdaad werd de verkenning der Canarische eilanden door Portugal voortgezet. Op 1 juni 1341 vertrokken drie schepen — twee „naves" en een „navicula minuta", zeker een „barca" — uit Lissabon onder het bevel van de Genuees Nicoloso da Recco, zeker ook weer een medewerker van Manuel Pessagno. Deze keer werd gans de archipel doorlopen, zoals aangetoond in een brief van Italiaanse handelaars gevestigd te Sevilla en ingelicht door Nicoloso da Recco zelf. De archipel werd bereikt in vijf dagen, wat bewijst dat de weg daarheen reeds bekend was, nl. door de reis van Lanzarotto Malocello. Het was de eerste expeditie na die van Lanzarotto, vijf jaar vroeger; de eilanden dragen nog geen gemeenschappelijke naam en worden slechts genoemd „eas insulas quas vulgo repertas dicimus". „Repertas" slaat natuurlijk op de ontdekking door Lanzarotto. Het eerste eiland dat werd gezien was „lapideam  omnem atque silvestrem, habundantem tamen capris et bestiis aliis atque nudis hominibus et mulieribus, asperis cultu et ritu". Daarna werd een tweede eiland geraakt (aliam insulam fere maiorem) waar de ontdekkers niet durfden ontschepen doordat een massa inlanders zich op het strand verzamelde. Een derde en een vierde eiland waren niet bewoond; een vijfde vertoonde „lapidei montes excelsi nimis et pro maiori temporis parte nubibus tecti et in ea pluvie crebre". Dertien andere eilanden werden nog gezien, waarvan zes bewoond waren; daaronder moesten zich ook rotsklippen bevinden want de ganse Canarische archipel telt slechts twaalf werkelijke eilanden. Een van de eilanden wordt aldus beschreven „insuper et aliam insulam in quam non descenderunt, nam ex ea mirabile quoddam apparet ; dicunt enim in hac montem consistere altitudinis pro existimatione XXX milia passuum seu plurimum qui valde a longe videtur". Dit was natuurlijk de Pico de Teyde op Tenerife waarvan de werkelijke hoogte 3781 meter bedraagt.

De nomenclatuur der onlangs ontdekte eilanden verschijnt ineens in buitengewoon uitgebreide en preciese vorm in het Libro del Conoscimiento de todos los reynos e tierras e seriorios que son por el mundo van een anonieme Spaanse Franciskaner monnik, dat zijn uitgever, M. Jiménez de la Espada, dagtekende van 1348 of 1349. Daar waar op de kaart van Dulcert (1339) alleen de namen van de eilanden Lanzarote, Fuerteventura, Canada en Vegi Marini (het tegenwoordige Lobos) voorkomen, krijgen we nu ineens, en slechts een tiental jaren later, indien we de datum van de uitgever moesten aannemen, een bijna volledige lijst van de eilanden van de drie archipels der Canarische 25 eilanden, der Madeira's en der Azoren, met daaronder enkele duplicaties en legendarische elementen. Wat betreft de Canarische archipel is het makkelijk uit deze lijst Graciosa, Lanzarote, Lobos, Rocca, Alegranza, Fuerteventura, Gomera en Ferro te identificeren. Voor de Madeira's, Madeira zelf, Porto Santo en Deserta — in werkelijkheid zijn er drie Desertas. Voor de Azoren, San Jorge en Corvo. Alles tesamen zijn er eilanden wat, eigenaardig genoeg, overeenstemt met het juiste getal der eilanden van de drie archipels. Daarenboven zegt deze verrassende tekst nog dat Lanzarote, in de Canarische archipel, aldus genoemd werd „porque las gentes desta isla mataron a un Ginoves que dezian Larwarote", dus omdat de bewoners een Genuees doodden die Lanzarote heette. Dat Lanzarotto werkelijk op Lanzarote gevestigd is geweest wordt bevestigd door een Franse bron uit het begin van de 15de eeuw, nl. het verhaal van de kapelaans van Jean de Béthencourt, een Normandisch edelman die in 1402 en volgende jaren Lanzarote en andere Canarische eilanden bezette voor rekening van Castilië. Daar wordt gesproken van „un vieil chastel que Lançarote Maloisel avoit jadis fait faire quand conquist le pays", nl. Lanzarote.

Dit alles moet nader onderzocht en nauwkeuriger gedateerd worden door vergelijking met de cartografische bronnen en met de diploma's van de koning van Portugal.

De kaart van Dulcert van 1339 kent alleen nog maar, in de zone der oost-atlantische archipels, de Insulle Sti Brandani sive Puelarum, die legendarisch zijn, Primaria, een naam waarvoor geen moderne equivalent met zekerheid kan worden opgegeven, een Insula Capraria, die doet denken aan het eiland vol geiten vermeld door de Portugese expeditie onder de Genuees Nicoloso da Recco in 1341. In de Canarische eilanden zijn dan bekend Canaria, Insula de Lanzarotus Marocelus, Vegi Marini (Lobos) en Fuerteventura. Waaraan Canaria eigenlijk beantwoordt kan men niet weten. Gran Canaria ? Tenerife? Alleen de Canarische archipel is dus enigzins bekend en zal het weldra meer zijn door de expeditie van 1341. Men weet in 1339 niets van de andere eilandengroepen.

Dat is niet meer zo op de Laurentijnse portulaan van 1351, zeer waarschijnlijk een Genuees werk. Deze kaart kent, alhoewel onder gefantaseerde namen, vier der Azoren, al de Madeira's, en Alegranza, Lanzarote, Lobos, Fuerteventura, Gran Canaria, Tenerife, dat Inferno heet wegens de vulkaan Pico de Teyde, en La Palma (Liparrne) in de Canarische archipel. De verkenning der Atlantische archipels is dus zonder oponthoud doorgegaan. Ze is ons bekend door een Italiaanse kaart met Italiaanse benamingen. Madeira heet hier Legname, wat „hout" betekent wegens de toenmalige zware bebossing. Madeira zal daarvan slechts later de Portugese vertaling zijn. In de Canarische archipel heet La Palma, Liparme, met een typische Genuese vervanging van 1 door r voor dit eiland der palinbomen. Dit wijst ook weer in de richting van de Genuezen der Pessagno's.

De kaart van de gebroeders Domenico en Francesco Pizzigano van 1367 in de Biblioteca Palatina van Parma is ontgoochelend voor de Madeira's en de Azoren, maar voor de Canarische archipel is er vooruitgang. De eilanden Gomera en Santa Clara, dit laatste onder de vorm Declarie, verschijnen nu voor het eerst in de cartografie.

Eigenaardig genoeg verschijnt Gomera ook in een koninklijk diploma van 29 juni 1370, door koning Ferdinand van Portugal verleend aan Lanzarote de Framqua, admiraal en zijn vazal, die eilanden heeft gevonden en veroverd dicht bij Kaap Non, dat is in de Canarische archipel. De koning geeft hem in leen, om er de „bevolking", dat is de kolonisatie, van te verzekeren, de eilanden „Nossa Sefiora a Framqua" en Gomera. We hebben dit diploma slechts in afschrift en in margine heeft een andere hand voor het eerste eiland als verklaring de naam Lanzarote genoteerd. Daar we weten dat Lanzarote ontdekt werd door Lanzarotto Malocello worden we geleid tot een identificatie van Lanzarote de Framqua met Lanzarotto Malocello, die des te begrijpelijker is daar het moeilijk zou zijn geweest deze laatste Lanzarotto van Lanzarote te noemen. De naam Malocello is waarschijnlijk in Portugal in deze tijd niet meer bekend.

Maar hoe is Lanzarotto admiraal geworden? Na zijn ontdekking van 1336 heeft hij hoogst waarschijnlijk dienst genomen in de Franse marine, zoals andere Malocello's, nl. Manfroy, Antoine-Jude en Charles omtrent dezelfde tijd. Hij is dan misschien later admiraal geworden in Frankrijk, want de Portugese koning heet hem wel „almyrante" maar niet „noso almyrante", zoals hij dat wel doet voor „vassalo". Hij kan terug in Portugese dienst zijn getreden gedurende de aáetting van Lanzarotto Pessagno tussen 1365 en 1367 en heeft toen, zeker wel, Lanzarote en Gomera bezet voor rekening van Portugal. Toen Pessagno zijn dienst hernam, was Lanzarote de Framqua, alias Malocello, nog werkzaam in de twee Canarische eilanden waarvan het bezit als vazal hem erkend wordt in 1370. Indien Lanzarotto Malocello een twintigtal jaren oud was op het ogenblik der ontdekking van Lanzarote (± 1336), dan was hij terug in de archipel omtrent zijn vijftigste levensjaar. Deze twee leeftijden passen helemaal in de normale loopbaan van een koopman-zeeman in die tijd.

In 1376 toont een ander diploma dat Lanzarote verjaagd is geworden uit zijn eilanden door de inlanders en „anderen", die Castilianen waren onder bevel van Martin Ruiz de Avendario. Hij moet later nog een poging hebben gedaan om althans het eiland Lanzarote te heroveren, want een diploma van Koning Joáo I van 8 november 1385 voor zijn zoon Lopo Alfonso zegt dat de vader gesneuveld is op Lanzarote. Hij moet dan wel bij de 70 zijn geweest. Merken we daarbij op dat Genuese notarisakten van 1384 en 1391 het hebben over de weduwe van Lanzarotto Malocello.

Hoe kan nu dit alles in verband worden gesteld met de tekst van het Libro del Conoscimiento waar gezegd wordt dat de inlanders van Lanzarote een Genuees hebben gedood die deze naam (Lanzarote) droeg?

Daarvoor hoeven we terug te keren naar de kartografische bronnen.

De Catalaanse Atlas van 1375, in de Bibliothèque Nationale te Parijs, laat toe een nieuwe vooruitgang in de kennis van de Atlantische archipels vast te stellen. Voortaan zijn er zes Azoren, die echter meestal namen dragen die niet met de huidige — en later ingevoerde — overeenstemmen. De relatieve ligging laat nochtans geen twijfel over. San Zorzo draagt reeds zijn hedendaagse naam, nl. die van een bij uitstek Genuese heilige in een overigens Italiaanse vorm op een Catalaanse kaart. Zulks wijst weer in de richting van de medewerkers van de toenmalige Peçanha of Pessagno, nl. Lanzarote, de derde zoon van Manuel Peçanha.

In 1384 op een Italiaanse kaart en in 1385 op de Majorkaanse kaart van Soler komen acht Azoren op negen voor. Ook hier weer is er vooruitgang. Wanneer men de archipel-nomenclatuur van het Libro del Conoscimiento vergelijkt met die der kaarten van 1375 en vooral van 1385, constateert men dat het deze kartografische nomenclatuur is die als basis heeft gediend voor de namenlijst van het Libro. Het is een kaart van het type der Majorkaanse kaart van 1385, of die kaart zelf, die gebruikt werd door de auteur van het Libro, vermits het zeer getrouw, van zuid naar noord gelezen, de lijst van 1385 is die in het Libro wordt weergevonden. Dit blijkt bijzonder duidelijk uit de twee lijsten voor de Azoren.
Libro                     Soler
Lobo                     Lovo
Cabras                 Capraria
Brasil                    Brazir
Columbaria           Columbis
Ventura                Ventura
San Jorge             San Zorzo
Conejos                Conigi
Cuervos marines   Cervi marini

Alleen heeft de Spaanse monnik de overheersend Italiaanse namen van Soler in het Spaans vertaald.

Deze passus, en misschien het ganse Libro, is aldus gedateerd: 1385 of kort daarna. Bijgevolg is de vermelding van de door de inlanders gedode Genuees Lanzarotto of Lanzarote, die aldaar voorkomt, insgelijks omtrent die tijd te plaatsen, wat overeenstemt met het koninklijk diploma van 1385, dat hierboven werd aangehaald.

Uit het geheel van de onderzochte kartografische en diplomatieke documentatie vloeit voort dat de ontdekking niet alleen der Canarische eilanden, maar ook der Madeira's en der Azoren in de 14de eeuw valt en wel in de tijd tussen 1336 en 1385, d.i. tussen de ontdekking van Lanzarote door Lanzarotto Malocello en diens dood op Lanzarote. Gedurende deze tijd staat de Portugese vloot onder het bevel der Pessagno's, uitgenomen in een paar jaren tussen 1365 en 1367. Nog in 1372 en 1383 worden de privileges van Lanzarote Peçanha bekrachtigd, samen met die van zijn Genuese helpers, die zeer waarschijnlijk een belangrijke rol hebben gespeeld in de ontdekking van die en de vorige periode. Daarenboven is er met de bevolking en kolonisatie van Lanzarote een aanvang gemaakt tussen ± 1370 en 1385. Deze kolonisatie valt dus ettelijke decennia vóor die welke, in hoofdzaak op de Madeira's en de Azoren, zal doorgaan onder Hendrik de Zeevaarder en zijn erfgenamen. In de Canarische archipel is die eerste kolonisatie mislukt zoals ook de pogingen om het Portugese gezag aldaar te herstellen zullen mislukken onder Hendrik de Zeevaarder.

We komen aldus tot een merkelijke chronologische wijziging in de zeevaartgeschiedenis. Het feit dat de Madeira's en meer nog de Azoren ontdekt werden in volle 14de eeuw veroudert met ongeveer een eeuw de ontdekking van de terugroute naar het noorden, die eertijds in de Portugese geschiedschrijving bekend stond onder de naam van volta da Guine, of terugkeer uit Guinea, wat aantoont dat men daarbij dacht aan de tijd van Hendrik de Zeevaarder en meer in het bijzonder aan de laatste jaren vóor zijn dood in 1460. Het karveelschip, dat in de 13de-eeuwse Portugese teksten verschijnt als een vaartuig voor visvangst langsheen de kust, heeft zeer sterk de invloed ondergaan van de Italiaanse en vooral Genuese nave. Uit de kruising en internationale samenwerking der technieken is het beroemde karveelschip ontstaan dat de ontdekkingen mogelijk maakte. Deze nieuwe scheepstypen zijn het die sedert het midden der 14de eeuw de volta das Canarias, mogelijk maakten, die er in bestond ver in zee ten westen van de Canarische eilanden de westelijke passaatwind te gaan opzoeken, wat als natuurlijk gevolg had dat de Madeira's en de Azoren ontdekt werden.

Deze volta das Canarias is helemaal niet een kwestie van nautische instrumenten. Het is een kwestie van door de scheepvaart naar schatting bemeesterde winden en van primitieve astronomische scheepvaart. In het noordelijk halfrond, dat hier in aanmerking komt, geeft de hoogte der poolster, met een aanzienlijke benadering, de breedteligging. Wanneer de gezichtseinder helder is, wat vaak gebeurt wanneer de passaat waait, heeft men de nodige tijd om de hoogte te nemen, als de sterren reeds zichtbaar zijn en de horizontlijn nog duidelijk is. Zelfs gedurende de nacht is de gezichtseinder vaak nog vrij precies. Wanneer de hoek vanaf de horizont geen vijftien graden overschrijdt — en dat is het geval in de zone waarover we het hebben — kan de schatting van een verschil van één graad met het blote oog gebeuren door een zeeman die er de gewoonte van heeft. Dat is steeds zo geweest en is nog steeds zo voor alle schippers en vissers die naar schatting en zonder astronomische werktuigen varen. Een zeeman van dat type wist dat wanneer men de twee achterwielen van de Wagen van de Grote Beer verlengt, men op de poolster valt. De inclinatie van deze lijn gaf hem een verschil dat overeen kwam met het verschil tussen de positie der poolster en de werkelijke pool. Andere sterren gaven daarenboven aan de zeeman, die bepaalde wegen volgde, controlepunten voor de richting. In de 14de eeuw zijn de betrekkingen met de Canarische archipel veelvuldig geweest, zoals we hebben gezien, en de geleidelijke ontdekking der Madeira's en der Azoren bewijst dat goed bepaalde routes gevolgd werden. De zeevaarders waren sedert eeuwen vertrouwd met de taal van water en wind. Samen met de tekens aan de sterrenhemel die hun primitieve astronomie hun deed ontwaren, liet de verworven behendigheid hun toe tochten te ondernemen waaraan de instrumenten geleidelijk meer mechanische preciesheid toevoegden. Het compas was sedert lang in gebruik en hetzelfde geldt voor de astrolaab.

 

Wordt vervolgd

.

 

 

 

  LMB-BML 2007 Webmaster & designer: Cmdt. André Jehaes - email andre.jehaes@lmb-bml.be