HISTORIEK  HISTORIQUE  HISTORIC

 

 

De Antwerpse noorderpolders in de 16de - 17de eeuw (II)

Hierop reageerde Farnèse door het laten graven van een vaart, de Parmese vaart of het Parmakanaal genaamd, lopend noordwaarts Kallo en Beveren tot in de omgeving van Stekene, met aansluiting op de Moervaart (arm van de Moer) naar Gent.

Het is bij de monding van dit kanaal in de Schelde dat hij het fort ‘De Parel’ liet bouwen. In maart 1585 was de doorvaart op de stroom volledig geblokkeerd.

In april viel het fort Liefkenshoek, de redoutes van de Noord, Terventen, St.-Antonius en gans de Doelpolder in handen van de Hollanders, terwijl te Antwerpen op bevoorrading werd gewacht van een konvooi dat zich aan de noordzijde van de brug klaar hield.

Aan een Italiaans ingenieur Gianibelli (Genibelli of Giambelli) werd daarop door Marnix van St.-Aldegonde opdracht gegeven de brug te vernietigen, wat hij zou trachten te verwezenlijken door middel van met kruit gevulde schuiten die met het tij meegedreven tegen de brug zouden ontploffen. De poging mislukte echter en de schade was zeer gering en vlug hersteld.

Terugdenkend aan een al veel vroeger beraamd plan, besloot men uiteindelijk een poging te wagen om via de overstroomde polders de bevoorrading van Antwerpen te verzekeren door middel van lage schuiten .

Hiervoor werden de Schelde- en binnendijken zuidwaarts de Kauwensteinse dijk op verschillende plaatsen doorgestoken.

Het inundatieterrein, zich uitstrekkend over de polders van Zandvliet, Berendrecht, Lillo en Stabroek, breidde zich verder uit over de polders van Oordam, Oorderen, Wilmarsdonk, Ettenhove, Muisbroek, Oosterweel en Ekeren.
Volgens een kaartje van Luyken (figuur 1), het beleg van de stad Antwerpen voorstellend in de jaren 1584-1585, waren er drie bressen in de Scheldedijk: twee respectievelijk ter hoogte van de Oosterweelse- en Wilmarsdonkpolder, nl. ten noorden van de Boerinnenschans en Boereschans, en één ten zuiden van de Nieuw Boereschans, soms St.-Petrus genaamd.

Bewaarde rekeningen over de herstelling van de Scheldedijk in de jaren 1589-1592 bevestigen het bestaan van deze gaten33 door vermelding van het aanvoeren naar- of het opslagen bij deze plaatsen van zinkrijs, houtwerk en dergelijke. Naast Luyken bevestigen Verbiest en later in 1691 Van Lyere in een kopij van voornoemde, getiteld ‘Obsessio Antverpiae Alexandro Imperante’ (figuur 2), deze dijkdoorbraken en duiden tevens de grote doorsteek bij Lillo aan.

Volgens al deze auteurs bleven alleen de hoogten van Wilmarsdonk en Oorderen boven het omliggende water uitsteken.

De overstroming werd in oostelijke richting begrensd door de hoogten van Berendrecht, Stabroek, Hoevenen en Ekeren.

De Oostenrijker Aitzinger, die vele jaren in de Nederlanden verbleef, en zijn befaamde ‘De Leone Belgico’ uitgaf, beschrijft hierin in een kaartje wat aan beide zijden van de Schelde in 1585 tijdens Farnèses belegering van Antwerpen voorviel.

Buiten voornoemde bressen vermeldt hij nog het ‘Groot Gat’ bij de Kruisschans (figuur 3). Hij situeert dit nochtans dichter bij het fort van Oordam dan bij genoemde schans.

                

Uit een rekening van penningmeester Merten Mermans aan aannemer Adriaan Gheens ‘om te vullen en te stoppen 8 gaten staande tussen de Oordamse schans en de Kruisschans ’34, kan aangenomen worden dat hier alleszins een grote doorbraak tot stand kwam.

Een ander kaartje van Aitzinger (figuur 4) getiteld ‘Wie und wass gestalt die diecken vor Antorff durch gestochen, und mit vielen blochhusern so woll von dem Princen von Parma, als von der Statt Antorff besatz seindt’. (anno 1585) toont ons ten slotte een vierde bres in de nabijheid van Antwerpen, ter hoogte van de huidige Royerssluis.

Het is deze doorsteek die de naam kreeg van Spaansgat, terwijl de overigen genoemd werden naar hun respectievelijk fort, nl. Boeregat en Boerinnegat.

In het uitgestrekte overstromingsgebied vormde de Kauwensteinse dijk de enige hinderpaal voor een doorvaart van Holland tot de grens van de stad Antwerpen.

De aanvallen van de Hollanders op 7 mei en 16 mei 1585, onder leiding van de graaf van Hohenlohe waren daarom op dit doel gericht.

Volgens sommigen lag de concentratie van de aanval tussen de St.-Joris- en St.-Jacobsschansen, volgens anderen strekte zij zich verder uit, zelfs tot het fort Pekgat in de nabijheid van Stabroek.

Een werkelijk succes werd het alleszins niet voor de Hollanders en partijkiezende Antwerpenaren, omdat ze de dijk slechts op drie plaatsen konden doorsteken, waardoor amper een enkele schuit met levensmiddelen doorgeraakte.

Dat de bressen waarschijnlijk geslagen werden rond het fort St.-Jacob kan blijken uit rekeningen voor het aanvoeren van houtwerk naar desbetreffende schans.

De Paalschans die de hevigste aanval had afgeslagen kreeg achteraf de naam ‘Victoria’ (overwinning).

Farnèse bleef meester van de dijk.

Verstoken van voorraden en van hun Hollandse bond - genoten, capituleerde Antwerpen op 17 augustus 1585 en Farnèse deed er op 27 augustus zijn intrede.

Van al deze feiten zegt Torfs in zijn ‘Historische schets der watervloeden in België en Holland’ slechts dat ‘oorlogs­gebeurtenissen ettelijke moedwillige waterspanningen over uitgestrekte landerijen meebrachten zoals in 1584 over al de polders benoorden Antwerpen, van Merksem tot boven Lillo en in 1585 over de gehelen Bommelerwaerd.’

De ‘Corte Deductie nopende het gepasseerde omtrent de polders van Austruweel, Lillo ende Oorderen, ’t sedert den Jaere 1585’ beperkt zich tot:
‘... Desen dyck (loopende van Antwerpen, lancx Oorderen voor by Lillo tot Zant vliet) is door onze regeringhe door - ghesteken op diversche plaetsen corts voor het voorschreve belegh. Ende die wateren syn gheloopen door de Dorpen van Lillo in ’t gheheel, Stabroeck, Beirendrecht, Santvliet voor een deel, Austruweel, Wilmersdonck, ende Oorderen in ’t gheheel, Eeckeren ende Mercxem ten deele tot aen de Veste van Antwerpen.

Den Hertoch van Parma hadde in ’t belegh van Antwerpen vande Cruysschansse tot aen Stabroeck ghemaeckt eenen Dijck, die ghenoempt wiert den Cauwenstijnsche Dijck, separerende den Polder van Lillo met de Fort vande Cruysschanse, tot aen Stabroeck. Blijvende den Polder van Lillo geinundeert ende die van Austruweel, Wilmersdonck, ende Oorderen. ’

Verder vindt men in de inleiding van het ‘Octrooi voor de Polders van Lillo, Stabroek, Zandvliet en Berendrecht dd. 13 mei 1650’ een bondig relaas van de gebeurtenissen.

‘Wij hebben ontfangen d’ootmoedige supplicatie vande Gemeyne Gelande vande verdroncken Polders van Lillo, Staebroek, Santvliet ende Beirendrecht, inhoudende hoe dat de selve Polders door ’t bevel van de Hertogh van Parma in ’tjaer vijftien-hondert vier- en tachentich waeren door - gesteken geweest ende met het zee-water bedeckt ten eynde om by dien middele onse Stadt van Antwerpen te reduceren onder onse gehoorsaemheyt de welcke alzoo doorgesteken ende overdeckt waeren gebleven, nyet tegenstaande aen de Supplianten tot verscheyde tyden hope wirde gegeven van tot de herdyckinghe der zelve te konnen geraecken.’


1.5 De vloed van 1627
Acht jaar nadat Willem van Oranje vermoord werd te Delft (10 juli 1584) stierf Alexander Farnèse in de abdij van Sint Vaast te Atrecht (3 december 1592). Zijn opvolger, Aartshertog Ernst van Oostenrijk, overleed al kort nadien in 1595 en slechts op 6 mei 1598 bij het overlijden van Filips II van Spanje bekomen diens dochter Isabella en zijn neef Aartshertog Albrecht, zoon van Maximiliaan II van Oostenrijk, wier huwelijk aanstaande was, de Nederlanden als een af-zonderlijke staat.

Deze gift gebeurde onder zekere voorwaarden, o.m. dat de Nederlanden bij gebrek aan descendenten (kinderen) opnieuw bij de Spaanse kroon zouden komen, en meer nog dat de Noordelijke Staten opnieuw bij de Zuidelijke zouden gevoegd worden.

Filips III volgde intussen zijn vader op.

In 1604 veroverde Ambrosio Spinola, bevelhebber van de Spaanse troepen, de stad Oostende.

Hierdoor werd opnieuw een uitweg gemaakt naar zee, die sinds 1585 verloren was gegaan.

Het ‘Twaalfjarig bestand’ (1609-1621), gesloten tussen het reformistische Noorden en het Spaanse Zuiden, bracht een korte adempauze in de zo aan oorlog rijk zijnde Nederlanden. Het einde van die toestand viel bijna samen met de dood van Filips III van Spanje en van Aartshertog Albrecht in 1621.

In 1627, wanneer onze gewesten opnieuw onder Spaans regime en onder het gezag van Filips IV waren gekomen, en wanneer na verspaansing van de regering in ons land de strijd tussen Noord en Zuid opnieuw ontvlamd was, kwam een stormvloed in het Noorden de miserie nog vergroten.

In dit jaar zou volgens Torfs39, Zandvliet door een hoge vloed geteisterd zijn. Hij citeert nl. het volgende:
‘... een dergelijke ramp, schoon zo uitgebreid niet, bedreigde Santvliet in 1627, alswanneer aldaer over de honderd dorpelingen door een opwater werden verrast en ellendig versmoord.’

In een ‘Cort verhael ende perfecte afbeeldinghe der gheleghentheydt van Santvliet mitsgaders het Fort op Hoogerwerf ende de nieu gemaeckte Schansen daer omtrent’ van Claes Jan Visscher (1628)40 vindt men hierover:
‘vermits het Landt achter Zantvliet laghe Waterighe ende onghebruyckelycke Weyden zijn / die door het groot onweder ende hooge watervloet omtrent den 9 December 1627 zijn onder gheloopen / welcke vloeden mede hebben tenmeestendeele afghespoelt het fort aent Stoofgat / eenighe Spangiaerden verdroncken, het Fort op Hoogherwerf als mede aende Blaugaeren Dyck groote schade ghedaen / oock den Dyck oft wech na Berendrecht ende Stabroeck gheheel onbequaem ghemaeckt...’

Een kaart uit de atlas van Guiljelmus Blaeuw dd. 1635 getiteld: ‘Tabula Castelli ad Sandflitam qua simul innundati agri, alluviones fossae alvei quae Bergas ad Zomam et Antverpiam interjacent’, maar de toestand voor 1632 weergevend, toont ons de situatie rond dit tijdstip.

Alle polders van Antwerpen tot de Kauwensteinse dijk staan droog. Noordwaarts hiervan zijn ze allen geïnundeerd (figuur 5).

                                 
1.6 De dijkdoorbraak van 1632

Na het herstel van de dijken van de polders van Oorderen, Wilmarsdonk en Oosterweel, zouden deze door nieuwe oorlogsgebeurtenissen weer erg te lijden hebben.

In 1632, terwijl Frederik Hendrik, Prins van Oranje, zich meester maakte van verschillende plaatsen aan de Maas, kwam Willem van Nassau met zijn leger naar Antwerpen afgezakt. Bij een zware aanval op de Kauwensteinse dijk slaagde hij erin deze te overmeesteren en maakte van die gelegenheid gebruik om de dijk door te steken waardoor de polders van Oorderen, Oordam, Wilmarsdonk en Oosterweel opnieuw onder water liepen.

In de ‘Corte Deductie nopende het gepasseerde omtrent de Polders van Austruweel, Lillo ende Oorderen, ’t sedert den jaere 1585’ vinden wij hierover:
‘Soo heeft den Heere Prince van Oragnien vermeestert ende doorghesteken den Cauwenstijnschen Dijck met dien van Austruweel, Oorderen ende Wilmersdonck.

Ende de Zee-wateren hebben weder ghevloeyt door de voorghemelde Dorpen tot aen de Vesten der Stadt Antwerpen.’

Joan Blaeu van zijn kant zegt in 1664:
‘... In ’t jaer 1632 heeft Graef Willem van Nassau de Kruysen St. -Jacobsschansen verovert, en den Cauwesteynschen dijck door gesteken, waer mede Austruweel, Wilmersdonck en Orderen onder het water staen, welck tot aen de muren van de stadt Antwerpen vloeyt...’

Een drukwerk van 1738 ‘Reflexien voor de Geinterresseerde der Polders van Lillo cum annexis tot bewijs dat hun versoeck om eene voordere Prolongatie van Octroy, bestaat in eene Rechtmaetigheyt ende justitie distributief’43 neemt deze inundatie als voorbeeld om de behoeftige polders op het niet denkbeeldig gevaar te wijzen voor een gelijkaardige situatie in de toekomst.

‘... Geconsidereert dat de achter -gelegene Polders, daer zij het Frontier ende Bolwerk van zijn, niet in staet en zijn, de onkosten te konnen dragen om hun voor inundatie ofte doorbraecke te bevrijden.

Vervolgens de Zee-waeteren souden komen tot aen ende voorbij de Stadt Antwerpen gelyck die in den Jaere 1632, geweest hebben, wanneer den Dyck aen de Cruysschans was door gesteken ten tijde als de Polder der Supplianten noch met de Zee-waeteren gemeyn lagh.’

Een kaart van Abraham Verhoeven (figuur 6) getiteld: ‘Afbeeldinghe van Santvliet, noch hoe den vijandt is ghecommen voor de Cruysschansse ende is te Lande ghesedt in Brabandt teghen over de Perle Schanse, heeft het Melckhuys in ghenomen ende hem daer beschanst – den 7 junii 1632’, geeft een beeld weer vóór de nieuwe overstroming. De polders van Oorderen en Wilmarsdonk staan nog droog. 

                         

Een ander kaartje van een onbekende auteur, waarschijnlijk getekend tussen 1621 en 1632 (figuur 7) vermeldt dezelfde situtie. De polders ten noorden van de Kauwensteinse dijk zijn nog drijvend, deze ten zuiden staan droog.

                

Daartegenover zien wij op de kaart van Verbist (figuur 8) getiteld ‘Nieuwe Caert vande ghelegentheyt vande Oost en Wester Schelde, vertoonende ock de verdroncken overwater-de Lande nieu aengewassen Schoren en de Kreeke oft killen en door de selve tussche Bergen en Antwerpen, soo het nu is, 1638’, het nieuw geschapen overstromingsgebied zich uitstrekkend vanaf de Kauwensteinse dijk tot aan de grens van Antwerpen, ten oosten begrensd door een grillige lijn lopend vanaf Stabroek over Hoevenen, Ekeren tot Merksem.

              
Joan Jansonius (figuur 9) zal in 1653 met zijn kaart ‘Tabula Castelli ad Sandflitam, qua simul inundati agri, alluviones, fossae, alvei, quae Bergas ad Zomam et Antverpiam interjacent’, een zelfde toestand aantonen.

                                


1.7 De stormvloed van 1682
Na het sluiten van het verdrag van Munster in 1648, dat een einde gesteld had aan de 30-jarige godsdienstoorlog en aan de 80-jarige oorlog tussen Noord en Zuid, waardoor de jure, de republiek der Verenigde Nederlanden
door Spanje werd erkend, was de strijd geenszins gestreden.

 De Noordelijke Nederlanden kwamen er zegevierend uit te voorschijn, maar de Zuidelijke Nederlanden waren het kind van de rekening geworden. Belangrijke gebiedsafstanden en het gesloten blijven van de Schelde waren werkelijk geen winstpunten.

Door allerlei politieke intriges kon Frankrijk een aanzienlijke gebiedsuitbreiding bekomen en zelfs aanspraak maken op een deel van de Spaanse erfenislanden. Hun eisen kracht bijzettend vielen zij met een aanzienlijk leger ons land binnen en overrompelden vele Vlaamse steden. Dit was het begin van de Frans-Hollandse oorlog.

Toen het oorlogstoneel een Europees aspect begon te krijgen, kwam einde januari 1682 een hevige storm met erge noordwestenwinden de oevers van de Schelde nogmaals teisteren.

De dijken bij Kallo begaven en langs de rechteroever liep het laag gelegen gedeelte van de stad Antwerpen onder water.

Uit de beschrijving van deze vloed door Oudenhoven, aangehaald door Tobias Gutberleth, nemen wij het volgende over:
‘Bij Antwerpen braken de nieuwe en oude Doel, Callo, Melze, Melispolder, Kruydbeke, Basel, Hoboock, Rijsbroek, Boom en Niel in, waer door veel menschen verdroncken, en tot Antwerpen quamen aendrijven... Tot Antwerpen liep het water mede in de L. Vrouwe Kercke, en deed veel Sa rcken 4 à 5 voet diep instorten. ’

Dan braken de dijken van de polders van Oosterweel en Oorderen op verschillende plaatsen door om vervolgens met kracht door de bressen in de dijken, die reeds in 1632 verwekt waren en via kreken en geulen, verder het land in te dringen.

‘Lesdits Digues s’estant conservées avecq de frais excessifs contre les eaux de la mer jusques à ce que le vingtsixième de Janvier dernier par une tempeste effroyable la Digue d’Oorderen auroit esté rompue et percée en plusieurs endroits et celle d’Austruweel auroit esté tellement abattue qu’une grande partie d’icelle auroit esté rompue...’ (Octrooi van 27 maart 1682).

Buiten Kummer46 die hogeraangehaalde feiten uitvoerig beschrijft zegt Ermerins47 hierover het volgende ‘De geweldige storm en hooge vloed die den 26 January 1682 zoo veel rampen aan Holland, Zeeland, Vlaanderen en Braband toebragt, deed hier ook de dijken der Lillosche Polders, benevens die van Oorderen, Ettenhoven, Muysbroeck, Eeckeren en Wilmersdonk bezwijken.’

De ‘Corte Deductie ’48 vermeldt:
‘Soo is daer van het eerste effect gheweest anno 1682 als wanneer die eerste Octroyen vanden Polder van Austruweel, ende Lillo noch waeren loopende. Den Polder van Lillo is doorgebrocken in diverse plaetsen. Die van Austruweel overgelopen op verscheyde canten, ende de Dijeken ghestelt in eenen miserabelen staet.’

De in die tijd verschijnende ‘loopende nieuwe maren tot Utrecht gedrukt’ geeft volgende versie:
‘Van Antwerpen heeft men adwijs, dat de Wateren soo hoogh geresen zijn, datse omtrent 9 a 10 voet boven de Werven hebben gestaen, soo dat alle Dijeken, Dammen en Polders, van wat naem die zijn, onder zijn geloopen, en Menschen en Vee in grootte meenighte verdroncken; de Contrescharpen van Lillo waren al wech gespoelt, en de Stadt vol waters; de Wallen begonden al te vallen, en d’arme menschen noch overgebleven, onthielden haer op de Daecken van de Huysen, in vrese om door de minste Vloet geinondeert te worden, staende alle het land tot ’t hooge toe onder. ’

Het zou tot na de vrede van Utrecht duren eer de Antwerpse Noorderpolders al deze waterellende te boven kwamen.

Bij dit verdrag, gesloten op 13 april 1713, werd Lodewijk XIV verplicht al het veroverde grondgebied te ontruimen.

De Zuidelijke Nederlanden werden toegewezen aan Karel VI, terwijl de Nederlandse Republiek als veiligheidsbarrière tegen Frankrijk in sommige steden en vestingen een garnizoen mocht legeren.

De Schelde bleef nochtans gesloten.

Het Spaanse, het Engels-Bataafse en het Franse stelsel hadden afgedaan. Het Oostenrijks-Habsburgs bewind kon de heropbouw aanvatten.

 

 

                  

 

 

  LMB-BML 2007 Webmaster & designer: Cmdt. André Jehaes - email andre.jehaes@lmb-bml.be