HISTORIEK  HISTORIQUE  HISTORIC

 

De Antwerpse noorderpolders in de 16de-17de eeuw(II)

De aanvallen van de Hollanders op 7 mei en 16 mei 1585, onder leiding van de graaf van Hohenlohe waren daarom op dit doel gericht.

Volgens sommigen lag de concentratie van de aanval tussen de St.-Joris- en St.-Jacobsschansen, volgens anderen strekte zij zich verder uit, zelfs tot het fort Pekgat in de nabijheid van Stabroek.

Een werkelijk succes werd het alleszins niet voor de Hollanders en partijkiezende Antwerpenaren, omdat ze de dijk slechts op drie plaatsen konden doorsteken, waardoor amper een enkele schuit met levensmiddelen doorgeraakte.

Dat de bressen waarschijnlijk geslagen werden rond het fort St.-Jacob kan blijken uit rekeningen voor het aanvoeren van houtwerk naar desbetreffende schans.

De Paalschans die de hevigste aanval had afgeslagen kreeg achteraf de naam ‘Victoria’ (overwinning).

Farnèse bleef meester van de dijk.

Verstoken van voorraden en van hun Hollandse bond - genoten, capituleerde Antwerpen op 17 augustus 1585 en Farnèse deed er op 27 augustus zijn intrede.

Van al deze feiten zegt Torfs in zijn ‘Historische schets der watervloeden in België en Holland’ slechts dat ‘oorlogs­gebeurtenissen ettelijke moedwillige waterspanningen over uitgestrekte landerijen meebrachten zoals in 1584 over al de polders benoorden Antwerpen, van Merksem tot boven Lillo en in 1585 over de gehelen Bommelerwaerd.’

De ‘Corte Deductie nopende het gepasseerde omtrent de polders van Austruweel, Lillo ende Oorderen, t sedert den Jaere 1585’ beperkt zich tot:
‘... Desen dyck (loopende van Antwerpen, lancx Oorderen voor by Lillo tot Zant vliet) is door onze regeringhe door - ghesteken op diversche plaetsen corts voor het voorschreve belegh. Ende die wateren syn gheloopen door de Dorpen van Lillo in ’t gheheel, Stabroeck, Beirendrecht, Santvliet voor een deel, Austruweel, Wilmersdonck, ende Oorderen in ’t gheheel, Eeckeren ende Mercxem ten deele tot aen de Veste van Antwerpen.
Den Hertoch van Parma hadde in ’t belegh van Antwerpen vande Cruysschansse tot aen Stabroeck ghemaeckt eenen Dijck, die ghenoempt wiert den Cauwenstijnsche Dijck, separerende den Polder van Lillo met de Fort vande Cruysschanse, tot aen Stabroeck. Blijvende den Polder van Lillo geinundeert ende die van Austruweel, Wilmersdonck, ende Oorderen. ’

Verder vindt men in de inleiding van het ‘Octrooi voor de Polders van Lillo, Stabroek, Zandvliet en Berendrecht dd. 13 mei 1650’ een bondig relaas van de gebeurtenissen.

Wij hebben ontfangen d’ootmoedige supplicatie vande Gemeyne Gelande vande verdroncken Polders van Lillo, Staebroek, Santvliet ende Beirendrecht, inhoudende hoe dat de selve Polders door ’t bevel van de Hertogh van Parma in ’tjaer vijftien-hondert vier- en tachentich waeren door - gesteken geweest ende met het zee-water bedeckt ten eynde om by dien middele onse Stadt van Antwerpen te reduceren onder onse gehoorsaemheyt de welcke alzoo doorgesteken ende overdeckt waeren gebleven, nyet tegenstaande aen de Supplianten tot verscheyde tyden hope wirde gegeven van tot de herdyckinghe der zelve te konnen geraecken.’


1.5 De vloed van 1627


Acht jaar nadat Willem van Oranje vermoord werd te Delft (10 juli 1584) stierf Alexander Farnèse in de abdij van Sint Vaast te Atrecht (3 december 1592). Zijn opvolger, Aartshertog Ernst van Oostenrijk, overleed al kort nadien in 1595 en slechts op 6 mei 1598 bij het overlijden van Filips II van Spanje bekomen diens dochter Isabella en zijn neef Aartshertog Albrecht, zoon van Maximiliaan II van Oostenrijk, wier huwelijk aanstaande was, de Nederlanden als een af-zonderlijke staat.

Deze gift gebeurde onder zekere voorwaarden, o.m. dat de Nederlanden bij gebrek aan descendenten (kinderen) opnieuw bij de Spaanse kroon zouden komen, en meer nog dat de Noordelijke Staten opnieuw bij de Zuidelijke zouden gevoegd worden.

Filips III volgde intussen zijn vader op.

In 1604 veroverde Ambrosio Spinola, bevelhebber van de Spaanse troepen, de stad Oostende.

Hierdoor werd opnieuw een uitweg gemaakt naar zee, die sinds 1585 verloren was gegaan.

Het ‘Twaalfjarig bestand’ (1609-1621), gesloten tussen het reformistische Noorden en het Spaanse Zuiden, bracht een korte adempauze in de zo aan oorlog rijk zijnde Nederlanden. Het einde van die toestand viel bijna samen met de dood van Filips III van Spanje en van Aartshertog Albrecht in 1621.

In 1627, wanneer onze gewesten opnieuw onder Spaans regime en onder het gezag van Filips IV waren gekomen, en wanneer na verspaansing van de regering in ons land de strijd tussen Noord en Zuid opnieuw ontvlamd was, kwam een stormvloed in het Noorden de miserie nog vergroten.

In dit jaar zou volgens Torfs39, Zandvliet door een hoge vloed geteisterd zijn. Hij citeert nl. het volgende:
‘... een dergelijke ramp, schoon zo uitgebreid niet, bedreigde Santvliet in 1627, alswanneer aldaer over de honderd dorpelingen door een opwater werden verrast en ellendig versmoord.’

In een ‘Cort verhael ende perfecte afbeeldinghe der gheleghentheydt van Santvliet mitsgaders het Fort op Hoogerwerf ende de nieu gemaeckte Schansen daer omtrent’ van Claes Jan Visscher (1628)40 vindt men hierover:
vermits het Landt achter Zantvliet laghe Waterighe ende onghebruyckelycke Weyden zijn / die door het groot onweder ende hooge watervloet omtrent den 9 December 1627 zijn onder gheloopen / welcke vloeden mede hebben tenmeestendeele afghespoelt het fort aent Stoofgat / eenighe Spangiaerden verdroncken, het Fort op Hoogherwerf als mede aende Blaugaeren Dyck groote schade ghedaen / oock den Dyck oft wech na Berendrecht ende Stabroeck gheheel onbequaem ghemaeckt...

Een kaart uit de atlas van Guiljelmus Blaeuw dd. 1635 getiteld: ‘Tabula Castelli ad Sandflitam qua simul innundati agri, alluviones fossae alvei quae Bergas ad Zomam et Antverpiam interjacent’, maar de toestand voor 1632 weergevend, toont ons de situatie rond dit tijdstip.

Alle polders van Antwerpen tot de Kauwensteinse dijk staan droog. Noordwaarts hiervan zijn ze allen geïnundeerd (figuur 5).

    
1.6 De dijkdoorbraak van 1632


Na het herstel van de dijken van de polders van Oorderen, Wilmarsdonk en Oosterweel, zouden deze door nieuwe oorlogsgebeurtenissen weer erg te lijden hebben.

In 1632, terwijl Frederik Hendrik, Prins van Oranje, zich meester maakte van verschillende plaatsen aan de Maas, kwam Willem van Nassau met zijn leger naar Antwerpen afgezakt. Bij een zware aanval op de Kauwensteinse dijk slaagde hij erin deze te overmeesteren en maakte van die gelegenheid gebruik om de dijk door te steken waardoor de polders van Oorderen, Oordam, Wilmarsdonk en Oosterweel opnieuw onder water liepen.

In de ‘Corte Deductie nopende het gepasseerde omtrent de Polders van Austruweel, Lillo ende Oorderen, ’t sedert den jaere 1585’ vinden wij hierover:
‘Soo heeft den Heere Prince van Oragnien vermeestert ende doorghesteken den Cauwenstijnschen Dijck met dien van Austruweel, Oorderen ende Wilmersdonck.
Ende de Zee-wateren hebben weder ghevloeyt door de voor­ghemelde Dorpen tot aen de Vesten der Stadt Antwerpen.’

Joan Blaeu van zijn kant zegt in 1664:
‘... In ’t jaer 1632 heeft Graef Willem van Nassau de Kruysen St. -Jacobsschansen verovert, en den Cauwesteynschen dijck door gesteken, waer mede Austruweel, Wilmersdonck en Orderen onder het water staen, welck tot aen de muren van de stadt Antwerpen vloeyt...

Een drukwerk van 1738 ‘Reflexien voor de Geinterresseerde der Polders van Lillo cum annexis tot bewijs dat hun versoeck om eene voordere Prolongatie van Octroy, bestaat in eene Rechtmaetigheyt ende justitie distributief’ neemt deze inundatie als voorbeeld om de behoeftige polders op het niet denkbeeldig gevaar te wijzen voor een gelijkaardige situatie in de toekomst.

‘... Geconsidereert dat de achter -gelegene Polders, daer zij het Frontier ende Bolwerk van zijn, niet in staet en zijn, de onkosten te konnen dragen om hun voor inundatie ofte doorbraecke te bevrijden.

Vervolgens de Zee-waeteren souden komen tot aen ende voorbij de Stadt Antwerpen gelyck die in den Jaere 1632, geweest hebben, wanneer den Dyck aen de Cruysschans was door gesteken ten tijde als de Polder der Supplianten noch met de Zee-waeteren gemeyn lagh.

 

    

Een kaart van Abraham Verhoeven (figuur 6) getiteld: ‘Afbeeldinghe van Santvliet, noch hoe den vijandt is ghecommen voor de Cruysschansse ende is te Lande ghesedt in Brabandt teghen over de Perle Schanse, heeft het Melckhuys in ghenomen ende hem daer beschanst – den 7 junii 1632’, geeft een beeld weer vóór de nieuwe overstroming. De polders van Oorderen en Wilmarsdonk staan nog droog.

  

Een ander kaartje van een onbekende auteur, waarschijnlijk getekend tussen 1621 en 1632 (figuur 7) vermeldt dezelfde situatie. De polders ten noorden van de Kauwensteinse dijk zijn nog drijvend, deze ten zuiden staan droog.

                

Daartegenover zien wij op de kaart van Verbist (figuur 8) getiteld ‘Nieuwe Caert vande ghelegentheyt vande Oost en Wester Schelde, vertoonende ock de verdroncken overwater-de Lande nieu aengewassen Schoren en de Kreeke oft killen en door de selve tussche Bergen en Antwerpen, soo het nu is, 1638’, het nieuw geschapen overstromingsgebied zich uitstrekkend vanaf de Kauwensteinse dijk tot aan de grens van Antwerpen, ten oosten begrensd door een grillige lijn lopend vanaf Stabroek over Hoevenen, Ekeren tot Merksem.

 

    

Joan Jansonius (figuur 9) zal in 1653 met zijn kaart ‘Tabula Castelli ad Sandflitam, qua simul inundati agri, alluviones, fossae, alvei, quae Bergas ad Zomam et Antverpiam interjacent’, een zelfde toestand aantonen.

 

1.7 De stormvloed van 1682


Na het sluiten van het verdrag van Munster in 1648, dat een einde gesteld had aan de 30-jarige godsdienstoorlog en aan de 80-jarige oorlog tussen Noord en Zuid, waardoor de jure, de republiek der Verenigde Nederlanden door Spanje werd erkend, was de strijd geenszins gestreden.

De Noordelijke Nederlanden kwamen er zegevierend uit te voorschijn, maar de Zuidelijke Nederlanden waren het kind van de rekening geworden. Belangrijke gebiedsafstanden en het gesloten blijven van de Schelde waren werkelijk geen winstpunten.

Door allerlei politieke intriges kon Frankrijk een aanzienlijke gebiedsuitbreiding bekomen en zelfs aanspraak maken op een deel van de Spaanse erfenislanden. Hun eisen kracht bijzettend vielen zij met een aanzienlijk leger ons land binnen en overrompelden vele Vlaamse steden. Dit was het begin van de Frans-Hollandse oorlog.

Toen het oorlogstoneel een Europees aspect begon te krijgen, kwam einde januari 1682 een hevige storm met erge noordwestenwinden de oevers van de Schelde nogmaals teisteren.

De dijken bij Kallo begaven en langs de rechteroever liep het laag gelegen gedeelte van de stad Antwerpen onder water.

Uit de beschrijving van deze vloed door Oudenhoven, aangehaald door Tobias Gutberleth, nemen wij het volgende over:
Bij Antwerpen braken de nieuwe en oude Doel, Callo, Melze, Melispolder, Kruydbeke, Basel, Hoboock, Rijsbroek, Boom en Niel in, waer door veel menschen verdroncken, en tot Antwerpen quamen aendrijven... Tot Antwerpen liep het water mede in de L. Vrouwe Kercke, en deed veel Sarcken 4 à 5 voet diep instorten. ’

Dan braken de dijken van de polders van Oosterweel en Oorderen op verschillende plaatsen door om vervolgens met kracht door de bressen in de dijken, die reeds in 1632 verwekt waren en via kreken en geulen, verder het land in te dringen.
Lesdits Digues s’estant conservées avecq de frais excessifs contre les eaux de la mer jusques à ce que le vingtsixième de Janvier dernier par une tempeste effroyable la Digue d’Oorderen auroit esté rompue et percée en plusieurs endroits et celle d’Austruweel auroit esté tellement abattue qu’une grande partie d’icelle auroit esté rompue...’ (Octrooi van 27 maart 1682).

Buiten Kummer die hogeraangehaalde feiten uitvoerig beschrijft zegt Ermerins hierover het volgende ‘De geweldige storm en hooge vloed die den 26 January 1682 zoo veel rampen aan Holland, Zeeland, Vlaanderen en Braband toebragt, deed hier ook de dijken der Lillosche Polders, benevens die van Oorderen, Ettenhoven, Muysbroeck, Eeckeren en Wilmersdonk bezwijken.’

De ‘Corte Deductie ’48 vermeldt:
Soo is daer van het eerste effect gheweest anno 1682 als wanneer die eerste Octroyen vanden Polder van Austruweel, ende Lillo noch waeren loopende. Den Polder van Lillo is doorgebrocken in diverse plaetsen. Die van Austruweel overgelopen op verscheyde canten, ende de Dijeken ghestelt in eenen miserabelen staet.’

 

De in die tijd verschijnende ‘loopende nieuwe maren tot Utrecht gedrukt’ geeft volgende versie:
‘Van Antwerpen heeft men adwijs, dat de Wateren soo hoogh geresen zijn, datse omtrent 9 a 10 voet boven de Werven hebben gestaen, soo dat alle Dijeken, Dammen en Polders, van wat naem die zijn, onder zijn geloopen, en Menschen en Vee in grootte meenighte verdroncken; de Contrescharpen van Lillo waren al wech gespoelt, en de Stadt vol waters; de Wallen begonden al te vallen, en d’arme menschen noch overgebleven, onthielden haer op de Daecken van de Huysen, in vrese om door de minste Vloet geinondeert te worden, staende alle het land tot ’t hooge toe onder.’

Het zou tot na de vrede van Utrecht duren eer de Antwerpse Noorderpolders al deze waterellende te boven kwamen.

Bij dit verdrag, gesloten op 13 april 1713, werd Lodewijk XIV verplicht al het veroverde grondgebied te ontruimen.
De Zuidelijke Nederlanden werden toegewezen aan Karel VI, terwijl de Nederlandse Republiek als veiligheidsbarrière tegen Frankrijk in sommige steden en vestingen een garnizoen mocht legeren.

De Schelde bleef nochtans gesloten.

Het Spaanse, het Engels-Bataafse en het Franse stelsel hadden afgedaan. Het Oostenrijks-Habsburgs bewind kon de heropbouw aanvatten.

 

2 herindijkingen


2.1 Na de hoge vloeden van de 16de eeuw


Over de herindijkingswerken na de natuurlijke over stromingen van 1530 – 1532 – 1551 en 1570 zijn weinig exacte gegevens beschikbaar. Wanneer juist de herstellingen plaats vonden en de werken beëindigd werden is niet met zekerheid te bepalen.

Handelend over de storm van 5 november 1530, spreekt Kummer wel van een autorisatie toegestaan door Keizer Karel op 23 mei 1531 tot herindijking, maar deze houdt verband met de polder van Saaftinge en niet met de polders langs de rechteroever van de Schelde gelegen.

Deze autorisatie zou slaan op het ‘placcaet’ dd. 23 mei 1531 ‘inhoudende diversche poincten ende articlen aen gaende de bedijckene ende recouvrerende van den polders ende andere gronden van erfven bij den hooghen vloedt verdroncken ende gheinundeerd’, gedecreteerd voor de polders in Vlaanderen.

Een gelijkaardig geval hebben wij voor de vloed van 1551. Aangezien hier een voorbehoud dient gemaakt te worden zowel voor de juiste datum van het gebeuren, als voor de plaats van de feiten zelf, is het begrijpelijk dat, wat de herindijking van het overstroomde gebied aangaat, er weinig positiefs te vinden valt.

Kummer zegt zelf, handelend over de Borgerweertpolder liggend in de Scheldebocht op de linkeroever:
nous ignorons l’époque du réendiguement de ces polders.’

De doorbraken van de dijken bij Kallo en de over - stromingen van de Oosterweelse-, Wilmarsdonkse-en Oorderse polders in het jaar 1570 tengevolge van de Allerheiligenvloed, gaan evenmin gepaard met gegevens van dichting van bressen of ander herstel.


2.2 Na de kunstmatige inundaties

Het onoverzichtelijke overstromingsgebied, vanaf de Nederlandse grens tot de wallen van Antwerpen, veroorzaakt door het openzetten van de sluizen en het doorsteken van de dijken, was een bron van zorg voor de inwoners van deze streken.

Na de inname van Antwerpen door Alexander Farnèse richtten de ingezetenen van de geïnundeerde polders vanaf Antwerpen tot aan de Kauwensteinse dijk een verzoekschrift aan de magistraat van Antwerpen tot herindijking.

De Kauwensteinse dijk die na de aanvallen van de Hollanders op 7 en 16 mei 1585 op drie plaatsen doorgestoken werd, was ondertussen hersteld en vormde een soort waterweg doorheen het overstroomde gebied, gelijktijdig de polders van Zandvliet, Berendrecht en Lillo afzonderend van deze van Oordam, Oorderen, Wilmarsdonk en Oosterweel.

Een inzakking die zich voordeed op de plaats van de doorbraken in de Oosterweelse dijk en de vrees dat de drie bestaande bressen zich tot één grote opening zouden uitbreiden, was de oorzaak van het: ‘Octroy donné par le Roy nostre Seigneur pour restouper les trous faits aux dicques d’Austruele et autres marescages et terres circonvoisines ult. January 1587’, gegeven door Filips II op aanraden van de hertog van Parma, en na het opgestelde rapport van Frederik de Granvelle en Gregorio del Plano, superintendent en algemeen dijkgraaf van de dijkages van Brabant en Vlaanderen. De angst voor het hierdoor ontstaan van een eventuele loopwijziging van de Schelde was zelfs zo groot dat het Octrooi hiervan melding maakt:
‘... il faisoit grandement a craindre que la Reviere d’escault pourroit perdre son Cours accoustume et se Divertir aillieurs au préjudice irréparable de nous, de nostre dicte Ville d’Anvers et de tout le Pays de Brabant, de tant que par icelle diversion se perdroit la navigation et consécutivement aussi la Meilleure partie du traficque de la dicte Ville a la Ruine et désolation evidente d’Icelle, et de toutes les villes circonvoisines, qui se servent du benefice et commodité de la dicte Rivière.’

In vroeger reeds aangehaalde ‘Corte Deductie’ dd. 1709 lezen wij:
Siende den selven Hertoch dat de Reviere de Schelde groot perijckel liep van te veranderen van Cours, ende soeckende te conserveren den Cauwenstijnschen Dyck. Heeft alles ghedaen het ghene moghelijck was, om de Reviere te conserveren in haeren ouden cours, ende daer beneffens den voorschreven Dijck.

Waer op gemaeckt waeren eenighe Forten tot aen de Cruysschanse, die toen ter tijdt was aen sijne Majesteyt.

Den selven Hertoch heeft daer toe ghecontribueert eenige hondert duysent Guldens, ende de Ghelande hebben mede ghedijckt onder een Octroy van vollen vrijdom van alle Landts lasten, soo Reel als Personeel voor den tijdt van seven als doen toecomende Jaeren...

De herindijkingswerken zijn dus heel waarschijnlijk dit zelfde jaar nog begonnen, en zouden volgens de verdere tekst dit zelfde jaar nog beëindigd zijn:
Oversulcx is den Dyck ghestelt in staet anno 1587, van Antwerpen voorbij Austruweel, Oorderen ende Wilmersdonck tot aen de Cruys-schanse. Desen dyck heeft alsoo blijven staen tot den Jaere 1632.’

Nochtans werd in het jaar 1592 een nieuw octrooi vergund door Filips II nl. het ‘Octroy ons ghenadich Heeren des Coninckx verleent op ’t faict ende directie vander Dijckagie van Austruweele ende andere bij ligghende gheinondeerde Polders, mitsgaders den Couwensteynschen Dijck ende ’t ghene daer van dependeert den een en twintighste Mei 1592.’

Het verlengde dit van 1587 met 7 jaar en bepaalde ondermeer dat de bevloeide landen vrij en ontlast zouden zijn en blijven van allerhande taksen, belastingen en andere oorlogslasten of dergelijke. De inleiding ervan geeft ons echter het vermoeden dat de drooglegging van de betrokken polders slechts plaats had in het jaar van het verschijnen van dit octrooi. Sprekend over het uitgebrachte advies ondermeer van Gregorio del Plano vermeldt het:
‘... ende geleth op alle ’t gene diesser gepasseert ende genegocieerd is geweest op ’t feyt vande Reparatie vande Dijckagie der supplianten, ende besonder vanden Dijck van Couwesteyn, den welcken van noode is bij Provisie ende met advys vanden voorsz.: superintendent onderhouden te worden bij de gheerffde vanden Landen die door ’t maecken van dien ghepreserveert zijn...’

Nog bewaarde rekeningen voor levering van materialen en voor het werk aan de Kauwensteinse dijk lopend over de periode 1587-1591 bevestigen dat de herindijking eind 1591 als definitief mag beschouwd worden.

Een ander octrooi van 5 februari 1601 uitgaande van de Aartshertogen Albrecht en Isabella, liet toe dat de taksen op het bier verhoogd mochten worden indien zij besteed werden voor het onderhoud van de ‘dijkage’. Uit dit octrooi blijkt duidelijk dat de polders op die datum zich opnieuw in een normale staat bevonden. Telkens wordt het woord ‘bevrijd’ gebruikt:
wij hebben ontfanghen de ootmoedighe Supplicatie van de Ghecommitteerde totter Dijckagie van Austerweel, Wilmersdonck, Oorderen ende andere byligghende plaetsen met den Cauwestijnschen Dijck bevrijdt...

Hieruit kan men afleiden dat negen jaar na de her - indijking, de betrokken poldergemeenschap nog steeds gebukt liep onder de financiële lasten, enerzijds te wijten aan de talrijke uitgaven die ze zich voor de indijking - werken getroost hadden, en anderzijds wegens de mindere opbrengst van hun gronden door een niet volledige cultivering.
Voor wat het dichten van de Scheldedijk aangaat vinden wij nochtans een juiste datum terug in een nog bewaarde rekening van wijlen Merten Meermans, penningmeester van de herindijking van Oosterweel e.a. bijliggende ‘bevloeide’ landen, nl. gesloten 19 december 1591.

Deze toestand bleef bestaan tot in 1632 wanneer graaf Willem bij een aanval op de Kauwensteinse dijk deze op verschillende plaatsen wist door te steken, waardoor de polders van Oordam, Oorderen, Wilmarsdonk en Oosterweel opnieuw inundeerden .

Bij octrooi van 2 maart 1638 werd toelating gegeven door de kardinaal-infant Ferdinand, gouverneur van de Spaanse Nederlanden tot oprichting van de Ferdinandusdijk. Deze binnendijk lopend van de Schelde tot het hoger gelegen Merksem, beschermde Antwerpen tegen het water afkomstig van de noordelijk gelegen blank staande polders en was tevens een strategisch verweermiddel tegen de Hollandse aanvallen.

Het ‘Octroy bij den Coninck, ghegunt ende gheoctroyeert aende gheinundeerde Polders van Austruweel, Wilmersdonck, Oorderen, Eeckeren, Mercxem ende Steen-borgher-Weert op den 20 Februarij 1649’, verleende aan de inwoners van deze polders de toelating tot herindijking, dit zoals het octrooi zegt omdat sinds 1632 deze polders geïnundeerd waren, de oude dijken ondertussen waren afgespoeld en sommige plaatsen door de grote diepte van de grondgaten onbedijkbaar waren gebleven:
‘... maer hadden oock daer uyt de Staeten vande gheunieerde Provinciën, occasie ghenomen om in ’tjaer daer naer duysent Sesse hondert twee-en-dertich, den Couwensteynschen Dijck ende den Schelde Dijck door te steken, ende de voorschreve Polders te doen verdrincken, ’t sedert welcken tijdt de selve tot nu toe waren verdroncken ghebleven; ondertusschen de oude Dijeken alomme af ghespoelt, ende gheheelijck bedorven, midtsgaeders een groot deel vande Landen tot noch toe onbedijek baer ghemaeckt, midts de groote Diepte vande Grond -gaten, soo ghesteken oock als ghevallen inde voorschreven Dijeken...

Een reden te meer om tot herindijking te besluiten was het in het gedrang komen van de bevaarbaarheid van de Schelde. Uit een onderzoek was namelijk gebleken dat door de inundatie, grote zandbanken in de Schelde waren ontstaan en dit vooral in de nabijheid van het fort De Parel:
‘... dat met de voorschreven her-dijckinge sekerlyck ghecontinueert ende verbetert soude worden den cours vande Reviere de Schelde, den welcken andersints in veele plaetsen soude beleth, ja elders ghediverteert, ende de voorschreve Riviere innavigabel ghemaeckt worden, ghelyck by experentie alreede hadde begost te blijcken, met sekere groote Stant -plaete, die inde selve Riviere ontrent het Fort de Peerle, sedert eenighe jaeren herwaerts door inundatie der voorschreve Polders, was ghevallen, ende de welcke gheschapen soude wesen; metter tijdt de gheheele breede, vande Reviere te occuperen, soo wanneer de voorschreve Polders, niet ghedijckt ende den tocht van ’t waeter, daer uyt ghehouden, ende inde Schelde ghebrocht en wierde.

Ongetwijfeld lag het octrooi van 1649 aan de basis van de aanleg van de binnendijk transversaal lopend vanaf de Scheldedijk ter hoogte van het fort St.-Filip over Wilmarsdonk naar de hoogte van Ekeren (Wilmarsdonkse en Ekerse dijk).

Volgens een kaart van Carolus Allard (einde 17de eeuw) getiteld: ‘S.R.I. Antverpiae Marchonatus et Dominium Mechliniae cum orientalioribus Flandriae et Brabantiae hisce consequentibus Terminis’ was de bouw ervan hetzelfde jaar voltrokken.

De polders benoorden de Kauwensteinse dijk waren sinds 1584 geïnundeerd en bij de stormvloed in december 1627 erg gehavend.

Na een eerste octrooi in 1614 dat door de vijandelijk - heden niet uitgevoerd werd, verkregen de ‘gelanden’ op 13 mei 1650 bij het ‘Octroy voor de Polders van Lillo, Staebroeck, Santvliet ende Beirendrecht’ de toelating tot herindijking mits de verplichting de herstelde dijken goed te onderhouden.

Intussen was de Wilmarsdonkse dijk op twee plaatsen opnieuw doorgebroken waardoor de polder van Oosterweel opnieuw blank kwam staan. Nochtans volgens een ‘Ampliation d’Octroy pour la Dicquage d’Austruweel et aultres Poldres enclavées du Xiii juillet 1651’ waarin schikkingen getroffen werden voor het onderhoud der herstelde dijken, kan men enigszins afleiden dat het werk rond dit tijdstip beëindigd of alleszins ver gevorderd was.

De ‘Corte Deductie nopende het gepasseerde omtrent de Polders van Austruweel, Lillo ende Oorderen ’t sedert den ]aere 1585’ steunt deze bewering met de aanhaling:
De Polderlanden van Austruweel ende Wilmersdonck sijnde gheinundeert geweest van 1632 tot den ]aere 1651’ en verder ‘Ende die van Lillo t’sedert 1580 tot 1651...’ en nog ‘DenDyck van Lillo is geluckelijck voltrocken met seer groote oncosten, Den Dyck van Austruweel oock voltrocken sijnde naer excessive oncosten...

Meer zekerheid geeft ons het feit dat het werkvolk en de vletters die de dijken hersteld hadden tussen 15 en 30 december 1651 afgedankt werden. Verder vermelden kaart- en landboeken van 1679 deze datum als beëindiging van het herindijkingswerk.

Ten slotte nemen de ‘Reflexions pour les Adhérités et Intéressez des Poldres de Lillo, Staebroeck, Santvliet et Beirendrecht au sujet de la prolongation de leurs primitifs Octrois’ alle twijfel weg:
‘... Il conste aussi que les Poldres des Suppliants ayant esté redicquéz en l’an 1651, après 67 années d’Inondationsa Majesté fut également servic de la favoriser d’un ample Octroy...

En verder:
‘... Faisant reflexion que des Poldres des Suppliants furent inondez depuis l’An 1584 jusqu’en l’An 1651...

Na dit laatste octrooi mag aangenomen worden dat de toestand van de polders in zekere mate gestabiliseerd was.
De herindijkingswerken werden uitgevoerd vanaf de stad Antwerpen tot aan het fort St.-Filips en ongeveer vandaar over Wilmarsdonk tot aan Ekeren (Wilmarsdonkse en Ekerse dijk), verder van Stabroek tot aan de Kruisschans (’s Hertogen- of Kauwensteinse dijk) en vandaar langs Lillo en fort Frederik Hendrik, om aan te sluiten met de Noordlandpolder ten noorden van Berendrecht en Zandvliet.

Nochtans valt op te merken dat enerzijds een bewaard gebleven autorisatie van 11 november 1661, nl. de ‘toestemming van de Raad van State van de Verenigde Nederlanden aan de verdronken landen van Hoevenen, Oorderen en Wilmarsdonk om met hun dijkage te mogen voortgaan ’, en anderzijds de aanstelling op 20 maart 1662 van ir. David Bollaert door dezelfde Raad om toezicht uit te oefenen op de herdijking van de polders van Oosterweel, Wilmarsdonk, Ekeren en Hoevenen, op een niet volledige herindijking wijzen.

Wegens de soms moeilijk te omschrijven configuratie en jurisdictie van bepaalde polders is het in feite niet uit te maken of deze documenten uitsluitend de polders van Oorderen en Oordam betreffen die drijvend bleven, ofwel andere aanliggende polders.

Alleszins duidt een kaart van P. Verbist naar metingen van Cornelis Henselmans en Bollaert dd. 1661 (figuur 12) duidelijk aan dat naast de polder van Oorderen eveneens een gedeelte van de polders van Ettenhoven en Muisbroek, waar de inundatie zich tot de achterliggende hogere gronden uitstrekte, nog drijvend was.

De droogmaking zou in het jaar daarop, nl. in 1662 gebeurd zijn.

De ‘Corte Deductie’ zegt in verband met de polder van Oorderen:
‘... Den selven is inghedijckt anno 1662, niet in ’t gheheel, maer ten deele...

Hiermede werden ongetwijfeld de polders van Muisbroek en Ettenhoven bedoeld omdat verder gezegd wordt:
Het grootste deel van Oorderen bleeff open ende bedeckt van de Zeewateren’ en ‘Het meeste paert van Oorderen ’t sedert de inbreucke vanden Jaere 1632 noch zijnde gebleven ghemeyn met de Zee-wateren.


2.3 Na de stormvloed van 1682

Na de stormvloed van 26 januari 168269 die de dijken van Oorderen en Oosterweel deed doorbreken en gedeeltelijk deze polders en die van Ettenhoven, Muisbroek, Wilmarsdonk en Ekeren teisterde, werd op 27 maart 1682 een nieuw octrooi verleend.

Het verlengde de octrooien van 1649 en 1651, respectievelijk voor de polders van Oosterweel, Ekeren, Wilmars - donk, Merksem en Steenborgerweert voor een termijn van 8 jaar, en voor de polder van Oorderen met 12 jaar.

Dit octrooi, weer uitgegeven uit angst voor een zekere wijziging in de loop der Schelde, was ook bedoeld als aanmoediging voor het onderhoud van de gronden, wat doet veronderstellen dat de herindijkingen zeer vroeg - tijdig en waarschijnlijk nog hetzelfde jaar of ten laatste bij het begin van 1683 beëindigd zullen geweest zijn, te meer indien men rekening houdt met de voorrang die men aan dit werk voorbehield:
‘... la mesme Digue estant endommagée en divers endroits, les Suppliants employans encor tous leurs debvoirs pour la conserver, la quelle ce non obstant seroit en evident peril de succomber à la première tempeste si l’on ne continueroit audit ouvrage de jour & de nuiet sans aucun relache, n’espargnans ni travail, ni dépens, mesme dans une saison dans la quelle il est quasi impossible de faire quelque ouvrage solide.

De polders van Oorderen en Oordam bleven echter drijvend en dit zou nog 40 jaar duren.

Verscheidene octrooien werden nog verlengd o.m. op 7 maart 1683, 17 december 1683, 26 januari 1693, 8 februari 1693, 27 april 1693, 6 mei 1695, 31 januari 1696 en 30 januari 1698, maar het zou nog tot in het begin der 18de eeuw aanslepen eer het ‘Octroy ou Permission de Sa Majesté Impériale & Catholique pour le rediquage d’Oorderen, Wilmersdonck & Ordam ’ dd. 10 februari 1722 verleend werd. Het was een gevolg op het verzoek ingediend door de geïnteresseerden van de nog overstroomde polders, over de onmogelijkheid van indijking wegens de grote diepte van de kreken, veroorzaakt door de permanente grote stroomsnelheid in het Kruisschansgat en de hierdoor veroorzaakte vernietiging van de omliggende dijken:

‘… mais comme les terres des Remonstrants seroient restées inondées et leurs vielles Digues de touts costéz dépoillées et entièrement gâtées, sans que jusques a present elles ayent pu estrée refaites ny rediquées a cause de la grande profondeur des Creques, causez par l’écoulement continuel des Eaux au Cruysschansgat, des tous les Poldres d’Austruweel, Oorderen et Eeckeren jusques à leur Rediquage en l’an mille six cents soixante deux, la quelle profondeur seroit tellement augmenté que les dites Digues seroient entièrement détruites, que d’ailleurs elles couteront aux Remonstrants des sommes tres considérables…’

Voormeld octrooi gaf toelating tot het bouwen van een nieuwe dijk beginnend aan de hoek van de dijk grenzend aan het fort St.-Filip tot aan het Schapegat en van daaruit in rechte lijn tot aan de Kruisschans.

Het werk werd voltooid in een kort tijdsbestek nl. op 31 juli 1722.

Het ‘Decreet bij den Keyser ende den Koninck in sijnen souvereynen Raede van Brabant verleent aen de Ingelanden vande nieuwe Dijckagie van Oorderen, Wilmersdonck en Ordam op 2 meert 1723’, betrekking hebbend op het staven met bewijsmateriaal van het rechtmatig bezit van iedere poldereigenaar, vermeldt duidelijk de korte duurtijd van de herindijking.

Handelend over het octrooi van 1722 citeert het woordelijk:
Innehoudende, hoe dat wy gedient waeren geweest van aen hun te verleenen Octroy om den voorschreven Polder alnoch gemeyn liggende met de Zee-waeteren, met het alsdan aenstaende saisoen Inne te dycken, ende de voorschreve verdroncke Landen te brengen tot culture...

Op 31 juli 1722 werd door de ‘Generale Vercavelinghe van alle ende jegelijkcke de Landen gevallen ende gelegen inden nieuwen Polder ende Dyckagie van Oorderen, Wilmersdonck ende Ordam Inngedyckt ende gesloten op den 31 juli 1722’, tot een algemene verkaveling besloten.

Deze akte bepaalt ontegensprekelijk de juiste duurtijd van het onderwaterstaan van de polders van Oorderen en Oordam, daar waar gezegd wordt:
‘... Inden eersten alsoo het onmogelijck is geoordeelt, dat de Landen sonder Cavelinge souden konnen uytgevonden worden, ter oorsaecke dat met de Zeewateren over de 90 Jaeren gemeyn ende geinondeert hebben geweest...

Deze verkavelingsakte werd gevolgd door het ‘Decreet van syne Keyserlycke ende Conincklyke Majesteyt Gheobtineert op de voorenstaende Generale Vercavelinghe den 20 Mey 1723.’

Op 31 augustus 1724 werd door de ‘Smalcavelinghen tusschen de Respective Ingelanden vanden voorschreven Polder ende Dyckagie van Oorderen, Wilmersdonck ende Ordam, aengegaen ende gevolght op de Generale Vercavelinghe van allen de landen inde voorschreve Dyckagie gelegen ’ tot de eigenlijke verkaveling over gegaan.
Uit al deze beschouwingen kan volgende tijdstafel opgemaakt worden:

 

 

 

  LMB-BML 2007 Webmaster & designer: Cmdt. André Jehaes - email andre.jehaes@lmb-bml.be