HISTORIEK  HISTORIQUE  HISTORIC

 

De Antwerpse noorderpolders in de 16de-17de eeuw (I)


P. Guns

 

1.1 De Kwade Zaterdag of Sint-Felixvloed – 1530

Rond het jaar 1526 had Antwerpen zich economisch tot een welvarende stad ontwikkeld. Zij was niet alleen de metropool van de Nederlanden, maar op velerlei gebied ook een van de meest toonaangevende steden van Europa.

Deze uitzonderlijke bloei wordt duidelijk geïllustreerd door de bevolkingsaangroei. In een tijdspanne van 30 jaar werden er bijna 2000 huizen meer geteld.

Het aantal inwoners steeg van ±6.000 in 1496 tot ±60.000 in 15263, om in 1568, volgens een volkstelling, de 100.000 te overschrijden.

Dit zelfde verschijnsel, zij het dan niet zo spectaculair, deed zich voor in de Antwerpse Noorderpolders.
In 1526 noteerde men voor de dorpen Lillo, Berendrecht en Oorderen samen, ongeveer 130 huizen meer dan in 1496.

De Polder voer in het kielzog van Antwerpens gouden eeuw.

Het jaar 1530 werd nochtans, zowel voor Antwerpen als voor de polderstreek, een jaar van beproeving. Na een besmettelijke ziekte die in de stad en in de polderdorpen talrijke slachtoffers eiste, brak in de maand november een zware noordwestenstorm los die Noord- en Zuid Nederland teisterde.

De grootste schade werd aangericht op de Zeeuwse eilanden die onder water liepen. Maar ook in Friesland en langs de beide oevers van de Schelde braken de dijken door.

Volgens Kummer begaven de dijken langs de linkeroever nabij Saaftinge en het water drong door tot de ‘Kouter van Kieldrecht’.

Daartegenover zegt K.L. Torfs dat naast het onder water staan van 36 polders in het Hulsterambacht en 9 op het eiland Cadzand, er nog 21 parochiën verdronken in de richting Gent, en tussen Antwerpen en Bergen-op-Zoom de polderdorpen Lillo, Stabroek, Zandvliet, Berendrecht en Ossendrecht hetzelfde lot ondergingen.

Floris Prims treedt deze versie bij en verklaart dat de Friese overstromingen niet alleen Zeeland en de Vlaanderse en Antwerpse polders teisterden maar dat zelfs een gedeelte van de stad Antwerpen hierdoor onder water liep.

Volgens Jacobus Ermerins zouden van deze vloed geen aantekeningen gevonden zijn. Hij schrijft hierover slechts: ‘daar alleen van gewaagd wordt, dat die van Antwerpen tot Bergen op Zoom toe, alle de Dorpe hebbe doen verdrinken, verwoest en geheel bedorven.’

Ernest van Bruyssel in zijn ‘Histoire politique de l’Escaut’, handelend over de rampen die de bewoners van Antwerpen en poldergemeenten overkwamen in het jaar 1529, in het bijzonder over de ‘zwetende’ ziekte, citeert ondermeer dat deze besmetting nog voortwoedde in de stad, toen rampspoedige overstromingen, zich uitstrekkend over de ganse lengte van de Vlaamse en Hollandse kust, het lijden van de bevolking nog kwam verhogen.

Tobias Gutberleth, de beschrijving der watervloeden volgend van Simon Abbes Gabbema, vermeldt ten slotte dat deze watervloed plaats had op de 5de van de ‘Slagtmaand’ (november).

Uit de ‘Beschrijvinge van de Forestiers ende Graaven van Flaanderen’ van Johan Berthaut van Loo, haalt hij een aantekening aan, waaruit het volgende werd overgenomen:
‘... totten eynde vander Schelde wast water seer extraordinaris onstuymigh, soo dat den dyck van Vlaenderen bij Antwerpen ten drie plaetsen inbrack, ende daer verdroncken veele beesten die in de weyde ware.’
Verder citeert hij nog Marcus van Vaernewyck met zijn ‘Spiegel der Nederlandsche Ouwdheyd’:
‘... in ’t selve jaer, vijf daghen naer Alder Heylighen dach soo is daer gheweest een groote vloet in Hollandt, Zeelandt ende Brabandt, tot Antwerpen toe, die treffelickste en rycste Coopstadt van geheel Europen, waar door veel menschen ende Dorpen ende ander gheuchten ende beesten verdroncken ende vergaen zijn, wel tot drie hondert Prochien.’

Zoals hij zelf zegt, voegt hij er om de ‘vermaardheid des vloeds’ nog de woorden van Oudenhoven uit ‘Cimberie oudtheeden’ bij:
‘... anno 1530 op den 5 november is de Zee soo hoogh gevloeyt door eenen Noordt-Westen ende swaren stormwindt dat bij nae alle de Dijeken in braken in Hollandt, Zeelandt, Vrieslandt ende de omliggende landen. ’t Antwerpen quam eenen Watervloedt met eenen stercken Windt over de Dijeken ende Schutten in Vlaenderen, alsoo dat het altemael vol waters liep, ende bij de twee mijlen alle de Beemden onder liepen.
Van Antwerpen tot Bergen op den Zoom toe, aen de Scheldt zijn alle Dorpen ’t samen met de Menschen, Beesten, ende al wat daer in was verdroncken, verwoest en geheel verdorven...
Door Emanuel van Meteren wordt deze overstroming in zijn ‘Nederlandse historiën’ (blz. 59) de St.-Michielsvloed genoemd.

Omdat de inundatie plaats greep op de 5de november, feest van St.-Felix, ging zij nochtans als de St.-Felixvloed de geschiedenis in.

Volgens oude kronieken zou deze vloed in de volksmond ook algemeen bekend staan als de vermaarde ‘Kwade Zaterdag’.

Een nog bewaard vers luidt:
Hollandt ende Zeelandt wel beklaghen mach, Sint Felix quaden Saterdach.’


1.2 De overstromingen van 1532 en 1551

In de jaren 1532 en 1551 teisterden overstromingen opnieuw de Antwerpse polders.

Weinige en soms nog tegenstrijdige gegevens zijn hierover beschikbaar.

Floris Prims zegt in zijn ‘Geschiedenis van Antwerpen’ dat de landen na de overstroming van 5 november 1530 nog niet van het water bevrijd waren toen op 2 november 1532 een nieuwe watersnood insloeg.

In een kroniek vindt men hierover:
Op den 2en van november heeft het binnen Vlaenderen een soo groot tempeest gemaekt, dat de zee in verscheyde plaetsen is doorgespoelt.

Tobias Gutberleth vermeldt in dit verband:
Deeze overvloeyinge heeft haar den 11e in Slagtmaand geopenbaart, en viel bijzonderlijk voor Zeeland, zeer bezwaarlijk door het vernielen en ooverwaateren van de meeste deel haarder eylanden.

De hevige stormwind die de hoge vloed in de hand werkte, hield aan van Allerheiligen tot de 11de november.

De grootste schade werd in Noord- en voornamelijk in Zuid-Beveland aangericht, terwijl Vlaanderen evenmin werd gespaard. De stad Antwerpen liep gedeeltelijk onder, maar de Noorderpolders bleven grotendeels gevrijwaard.

Een tiental jaren later, nl. in 1542 werd onder de regering van Keizer Karel V de bouw van de omwalling van Antwerpen aangevat, dit volgens de plannen van de Italiaan Donato Buono, maar aangepast door de Antwerpenaar Peter Frans. Dit gigantische werk was de voorloper van een reeks forten en versterkingen die later langsheen de Scheldeoevers zouden worden opgericht.

In het politiek en strategisch kansspel van de volgende jaren zouden al deze ‘sterkten’ een belangrijke rol spelen en bijdragen tot het onoverzichtelijke inundatieterrein, dat, kunstmatig verwekt, twee vijandelijke groepen moest scheiden, maar de polderbevolking in een enorme waterellende zou dompelen.

In 1551 hadden er nogmaals overstromingen plaats. Zeer waarschijnlijk waren ze, voor wat de Antwerpse Noorderpolders betreft, eveneens zoals deze van 1532, van geringe omvang.

Kummer en Ermerins spreken beiden van een inundatie maar citeren zowel verschillende plaatsen als data van gebeuren.

Kummer heeft het over een overstroming van de Borgerweertpolder met vorming van het Grote Wiel en van de polders van Hingene, Bornem en Weert, op 16 januari, terwijl Ermerins deze ziet plaats grijpen op 15 februari en dit te Zandvliet en Ossendrecht.

Dr. G. Hasse maakt melding van een dijkdoorbraak in de Borgerweertpolder, maar vermeldt slechts het jaartal 1551, zonder dag of maand te bepalen.

Volgens een Antwerpse kroniek richtten verschillende hoge vloeden, zowel in januari als in februari plaatselijke schade aan, waardoor de verschillende versies verklaard worden:
Den 13 January, ’t woensdags ’t savonds ten vijf uren is tot Antwerpen geweest den 4en hoogen vloet, daer men aff wist te spreken...
Den 15 Februarij ’s maendaghs ten 10 uren is geweest tot Antwerpen die vijfde hooge vloet die veel meer schaede dede dan die vierde...

 

1.3 De Allerheiligenvloed – 1570

In oktober 1555 deed Karel V afstand van de 17 Provinciën en een jaar later van de Spaanse troon, ten voordele van zijn zoon Filips II. Door deze abdicatie werd Filips II nu tevens hertog van Brabant en markgraaf van Antwerpen.

Op 18 januari 1556 werd hij luisterrijk in de stad ontvangen.

Rond dit tijdstip besloten de Domeinen, om een betere financiele stabiliteit te verkrijgen, zekere lenen te verkopen in plaats van ze nog langer in pand te geven of te laten. Op 20 november 1559 kocht de stad Antwerpen, bij wijze van belening, Oorderen, Wilmarsdonk en Oosterweel en kreeg derhalve het zeggenschap over deze polderdorpen.

In 1614 werden deze dorpen overgedragen aan Jean van Nevele, maar op 6 augustus 1626 kwamen ze terug in leen aan de stad door verzaking van rechten door diens erfgenamen.

Een betrekkelijke rust kenmerkte het begin van het beleid van Filips II.

In 1561 werd te Antwerpen een aanvang genomen met de bouw van het stadhuis en in hetzelfde jaar huldigde men de vaart van Willebroek naar Brussel in.

Maar met Filips II kwam ook het geleidelijke verzet van de Nederlanden op het politieke toneel. Een verzet dat geïnspireerd werd, enerzijds door het nastreven van Filips II van een vorstelijk absolutisme dat formeel indruiste tegen het Nederlandse particularisme, en anderzijds door de gewetensvrijheid en de hervormings­gedachte die zich stilaan in onze streken een weg baande (protestantisme) en waartegen Filips II, als verdediger van de katholieke Kerk, zich met man en macht verzette (contrareformatie).

Daarbij kwam nog dat hij na 4 jaar verblijf in onze gewesten het bestuur overliet aan zijn zuster Margareta van Parma, en verder de Nederlanden bleef regeren vanuit Madrid.

Ingevoerde veranderingen, het in het leven roepen van diverse instellingen, hadden geleid tot een volkse revolutionaire overmoed die oversloeg in de beelden- storm. In Oosterweel werd een eerste kleine slag geleverd waarbij Kapitein Thoulouze (Jan Marnix), aanvoerder van een rebellenlegertje, het leven liet. Verder verliet Willem van Oranje het land na geweigerd te hebben een loyaliteitsverklaring af te leggen.

Verward geraakt in het labyrinth van troebelen en onhandige reactie op de Hugenoots – Calvinistische reformatieve perikelen, zou dit tot ontslag van de regentes leiden en vervanging door de Spaanse hertog Ferdinand Alvarez de Toledo, beter bekend als de hertog van Alva (1567).

De gespannen toestand en de wens om bestraffing van de schuldigen van de beeldenstorm en om vonnissing van de majesteitsschenners (o.a. de edelen van het eedverbond) leidden tot de oprichting van Alva’s ‘Raad van Beroerten’, door het volk ‘Bloedraad’ geheten.

Rond die tijd begonnen de Oranjes met steun van Duitse huurlingen een effectief gewapende strijd tegen Alva te voeren.

Als een voorbode van het naderende onheil stak op 1 november 1570 een hevige storm op, gepaard gaande met een woelige zee die in Nederland een geweldige overstroming veroorzaakte waardoor duizenden mensen het leven verloren.
Volgens Kummer werd de rechteroever van de Schelde eveneens door de overstroming getroffen en dit vanaf de stadswallen van Antwerpen tot aan de Kauwensteinse dijk.

Hij vermeldt echter dat deze inundatie plaats had op 28 november 1570. Klaarblijkelijk is deze datum onjuist, omdat alle kronieken en geschiedschrijvers 1 november citeren en deze vloed daarom algemeen bekend werd onder de benaming ‘Allerheiligenvloed’.

Van Bruyssel beweert dat deze storm en hoge springtij buiten Zeeland en Gent, weinig schade veroorzaakte in Brabant, op uitzondering van de stad Antwerpen zelf .

In de ‘Nederlandse Watervloeden’ van Tobias Gutberleth R.G. vindt men hierover het volgende:
In Brabant was wel de minste noodt; nochtans groote armoede tot Antwerpen, met het berghen van kruydery, suyker, oly, en andere koopmanschappen, die, voor een goedt deel, nat en door de brakheyt bedorven werden: behalven den afbrek aan sluyzen, kaayen en muyren der stadt; en dat’er etlijke luyden, zich in kelders onthoudende, smoorden.

Deze versie volgt die van Van Meteren in zijn ‘Nederlandse Historiën’:
Op Aller Heylighen dagh heeft ’t Antwerpen soo hooghe ghe-vloeyt, ’s avonts ten neghen uren, dat wel eenen voet passeerden boven den Vloet van Anno 1530, alser 72 pro-chien verdroncken, ende wel twee voeten hooger dan het was anno 1552, (in Vlaanderen en Friesland) ende soude aldaer (soo het schijnt) veel hooger gevloeyt hebben, hadde het niet in de Nieuwstadt of elders ingebroken; maer het heeft alle de Stadtskelders, Beemden binnen ende buyten de Stadt, ende alle leeghten gevult, so datter ontallijcke beesten ende oock menschen verdroncken. Oosterweel, Kiel ende Hoboken stonden al onder water. Gheladen schepen, ja een Hulck van hondert ende vijftich vaten, werdt op de Engelsche Kaye ghestelt. Dese vloet dede ontallycke Schade alle de Stadt, in alderhande Koopmanschappen die nat werden, dies werdt de schade meer dan hondert duysent guldens gerekent.
Aen der Stadt gemeyn gebouwsels, als Sluysen, Kayen ende Stadts-mueren, acht men de gheleden schaden oock wel hondert duysent guldens...


Lodewijk Torfs schrijft in een poëtische stijl:
De geweldige Allerheiligenvloed die den 1e november al de Nederlanden beliep, teisterde ingsgelijks Antwerpen en verkeerde zijn korte min of meer gekunstelde vreugde in lang nawee; onze handel alleen leed bij dit opwater voor 100.000 guldens schade...

Dagboeken, memorieboeken en kronieken verhalen bijna meestendeels dezelfde historie.

Hieruit kan men besluiten dat buiten Antwerpen en omgeving, deze stormvloed het Antwerps polder - landschap weinig teisterde.


1.4 De strategische overstromingen van 1584-1585


1.4.1 Politiek voorspel

Een eerste militair succes werd op 1 april 1572 door de door Oranje gesteunde Watergeuzen geboekt bij de inname van Den Briel, een havenstadje aan de Brielse Maas.

Belangrijker nog was het in opstand komen van geheel Holland en Zeeland.

Via de stedelijke calvinistische machtsgreep en de erkenning van de Prins van Oranje als stadhouder, eigenden de gewestelijke Staten zich de soevereiniteit over Holland en Zeeland toe.

Omwille van de strategische waarde van de eilanden Walcheren en Beveland ten opzichte van de doorvaart op de Schelde, wilde Alva tot iedere prijs de bezetting van gans Zeeland door de opstandige steden verhinderen.

De onbedwingbaarheid van de opstand enerzijds en de langzame ontreddering van een muitend Spaans leger anderzijds, zouden op het einde van 1573 leiden tot Alva’s ontslag.

Medina Celina, die als opvolger aangeduid werd, weigerde deze functie en uiteindelijk werd Don Luis de Requesens door Filips II als plaatsvervanger aangesteld. Op 23 december deed hij zijn plechtige intrede te Antwerpen.

Omdat zijn veldheer Mondragon nog steeds de door geuzen belegerde vesting Middelburg bezet hield, besloot hij deze te ontzetten. De poging mislukte echter en de Westerschelde bleef, na overgave van de stad, door Oranjegezinde eenheden gecontroleerd.

Tijdens een aanval op Zierikzee, die tot doel had de Oosterschelde te beheersen, bezweek Requesens op 5 maart 1576, aan een koortsaanval.

Bij ontstentenis van een landvoogd nam de Raad van State het bewind in handen. In die Raad zetelde ook de Spaanse bevelhebber Roda, die in tegenstelling tot de andere leden die een gematigde koers voerde, uitsluitend de koning politiek trouw bleef.

Diverse intriges, o.m. een mogelijk akkoord van de Staten met Oranje en het verlangen tot wegzending van de Spaanse troepen, noopten hem tot versterking van het fort over het Veer en tot het bouwen van de forten bij Oosterweel en Dambrugge.

Op 4 november 1576 brak te Antwerpen de Spaanse Furie los waardoor honderden het leven verloren, huizen afgebrand werden en plundering schering en inslag waren.

Toen Don Juan van Oostenrijk, aangesteld als landvoogd in de plaats van Requesens, op 12 februari 1577 door het ‘Eeuwig Edict’ grosso-modo de bepalingen van de ‘Pacificatie van Gent’, op 8 november 1576 door de Staten-Generaal gesloten, erkende, en zijn troepen uit de Nederlanden terugtrok, betekende dit het hoogtepunt van de politieke activiteit van Willem van Oranje. Hij verwierf hierdoor het gemeenschappelijke verzet van alle 17 provinciën tegen de macht en het gezag van Filips II.

Het sein van de algemene opstand werd echter gegeven op 24 juli 1577 wanneer na herhaalde druk van Oranjegezinde eenheden, Don Juan plots bezit nam van de vesting Namen en zijn Spaanse troepen terugriep.

Na een reeks intriges werd de citadel van Antwerpen door de Staatsgezinden bezet.

De grootste verwarring heerste in de Nederlanden wanneer de Prins van Parma, Alexander Farnèse, na de dood van Don Juan deze als landvoogd opvolgde op 1 oktober 1578.

Mathias van Oostenrijk, zoon van de Duitse keizer, waarop door de katholieke adel uit het Zuiden beroep was gedaan om het bewind in handen te nemen, nam op 7 maart 1581 ontslag. Dan droegen de Staten-Generaal de soevereiniteit der Nederlanden op aan de hertog van Anjou die al eerder met de titel: ‘Défenseur de la liberté des Pays-Bas’ was vereerd.

Door een zekere machtseerzucht geprikkeld wilde deze met zijn troepen verschillende Vlaamse steden bezetten, waaronder Antwerpen.

In februari 1582 deed hij er zijn intrede. Farnèse was echter intussentijd begonnen aan zijn veroveringstocht in Vlaanderen en overmeesterde de ene stad na de andere. Na Maastricht vielen Doornik en Oudenaarde.

Nieuwe Franse troepen werden uit Frankrijk naar onze gewesten gedirigeerd en Anjou wilde hierdoor eigenhandig de macht zonder de Staten in handen zien te krijgen. Dit lukte o.m. te Duinkerken, Diksmuide en Dendermonde, maar te Antwerpen was men de ‘Spaanse Furie’ indachtig en bij de eerste schermutselingen was gans Antwerpen in de weer. De ‘Franse Furie’ werd in de kiem gesmoord en na een gedwongen terugtocht naar Dendermonde moest hij uiteindelijk ons land verlaten.

Op 30 november 1583 werd Marnix van St.-Aldegonde, burgemeester van Antwerpen. Het gevaar inziende van een Spaanse aanval op de stad werden in allerijl forten en verdedigingswerken opgericht.

De vesting van Lillo, waarvan de verdediging opgedragen werd aan de Statenbevelhebber Odet de la Noue van Teligny, voorzag men van geschut, en aan de linkeroever werd het fort van Liefkenshoek gebouwd. Het fort van Thoulouze en het fort van Oosterweel werden versterkt. Verder werden de Boereschans en de Boerinnenschans opgetrokken.

Al de forten die hun ontstaan dankten aan deze troebele oorlogsjaren werden niet willekeurig gebouwd. De mees­te werden volgens een gebastioneerd plan opgetrokken, op strategisch gunstige- en militair verantwoorde plaatsen, o.m.:
a -aan de oevers van de stroom zelf, dit om het verkeer op de Schelde te kunnen controleren;
b -bij sluizen, om inundaties te veroorzaken of te voorkomen;
c -bij dijkbressen, om een vaarweg tussen rivier en geinundeerde polder veilig te stellen of te belemmeren;
d -aan kunstwerken zoals brug, kanaal enz. om deze tegen vijandelijke aanvallen te beschermen;
e -op de dijken, omdat deze tussen twee geïnundeerde gebieden dikwijls als aanvalswegen werden benut.

Als volgende maatregel gold het doorsteken der dijken langs de rechteroever van de Schelde bij het kasteel van Antwerpen, met als gevolg de overstroming van de polder van Hoboken.

Deze polder viel, buiten de Borgerweert- en Melselepolder die op de linkeroever al vroeger onder water gezet werden, als eerste slachtoffer langs de rechter Scheldeoever.

Dan kwamen de dijken van de Rupel aan de beurt die heel de streek vanaf Ruisbroek, Willebroek, Blaasveld tot Heffen blank zetten.


1.4.2 De belegering van Antwerpen

In 1584 vergrootten de oorlogsgebeurtenissen de reeks overstromingen.

De krijgspolitiek van Alexander Farnèse behelsde voornamelijk het terugwinnen van het land dat de Staatsen onder hun bevoegdheid hadden. De hoofdmacht van deze laatste lag echter te Antwerpen dat buitengewoon strategisch gunstig gelegen was, nl. door de nabijheid der polders in het noorden, die geïnundeerd een natuurlijke hindernis konden vormen en zo een specifieke bescherming aan Antwerpen boden.

In juli 1584 richtte hij zijn hoofdkwartier op in Beveren, en besloot Antwerpen aan te vallen. Een eerste vereiste hiervoor was de stad af te snijden van Holland en Zeeland en te beroven van de hieruit komende bevoorrading. Hiertoe staken zijn veldheren Mondragon en Mansfelt de Schelde over en trokken hun kamp op te Stabroek.

Waar de markies de Richebourg meer geluk had met de inname van het fort Liefkenshoek, moest Mondragon, na heel wat manschappen verloren te hebben, zich tevreden stellen met een omsingeling en belegering van de vesting Lillo.

Volgens F. Strada zou deze laatste, op bevel van de hertog van Alva nog, het fort van Lillo vóór 1573 opgetrokken hebben.

Als onrechtstreeks bewijs wordt aangevoerd dat Mondragon zelf in 1584, sprekende over de bestorming van het fort, zou gezegd hebben dat hij bewust was van de sterkte van deze schans die hij zou aantasten ‘dewijl hij haar zelfs gebouwd hadt’.

Dit zou hierop neerkomen dat de Spanjaarden dit bolwerk oprichtten en dat na hun vertrek uit de Nederlanden in 1577, de Antwerpenaren het herstelden en weer in een volkomen weerbare staat brachten.

In 1582 nam de hertog van Anjou, uit Zeeland naar Antwerpen reizende, in dit fort zijn intrek en verder kan men opmerken dat een schans, in zeven haasten bij de belegering van Antwerpen opgetrokken, onmogelijk een dergelijk zwaar beleg van Mondragon kon doorstaan.

Vele geschiedschrijvers citeren echter dat het fort van Lillo in 1583 of 1584 door de Antwerpenaren werd gebouwd. Wat de juiste toedracht ook moge zijn, er dient toegegeven dat velerlei bronnen al op een bestaan wijzen in 1580.

Volgens sommigen duidde Oranje op 8 juli 1579 de plaats aan waar het fort diende opgetrokken te worden. In oktober 1579 was het in volle constructie en het zou in de zomer van 1580 klaar zijn gekomen.

Opgetrokken’ mag men nochtans niet in de letterlijke zin van het woord interpreteren. Het is immers mogelijk dat de eerste schans slechts uit verstevigde aarde bestond en dat Oranje slechts nadien de aanstoot gaf tot het bouwen van een degelijk militair bolwerk.

Lillo werd tevens door de benoeming van een bezoldigd super-intendent door de magistratuur van Antwerpen, een Antwerps fort, opgericht ter beveiliging van deze stad.

De oorzaak der mislukking van Mondragon tot inneming van de vesting is eveneens een graag bediscussieerd onderwerp.

Buiten alle polemieken om, kan met zekerheid aangenomen worden dat één der grote redenen, het enorme overstromingsgebied is geweest dat door de Hollanders en Antwerpenaren verwekt werd door de door middel van de sluizen op 8 juli 1584 onder water gezette polders.

Deze overstroming strekte zich uit, enerzijds van noord naar zuid, vanaf de polder van Zandvliet tot de Kauwensteinse dijk, en anderzijds van oost naar west, vanaf de hoogten van Stabroek en Berendrecht tot aan de Schelde.

Zij vormde een uitstekende kunstmatige bescherming voor Lillo en vertraagde onomstotelijk de opmars en aanvalskracht van Mondragons troepen, die zich verplicht zagen zich te Berenrecht en Zandvliet terug te trekken.
Tevens werden de sluizen van de Boereschans en Boerinnenschans opengezet waardoor de polder van Oosterweel bij hoog water inundeerde. Deze maatregel werd genomen uitsluitend ter verdediging van de stad Antwerpen.

    

           

Volgens een‘collegiale acte van de magistraat’ zouden al in 1582 drie gaten in de Oosterweelse dijk gemaakt zijn, nl. het Spaanse gat, het Boerinnegat en het Boeregat, dit onder voorwendsel van algemene beveiliging.

Nochtans werden, na de aanstelling van Marnix van Sint-Aldegonde tot burgemeester van Antwerpen in 1583, slechts de eerste preventieve maatregelen ter beveiliging van de stad genomen.

Verder raadde de Prins van Oranje in 1584 Marnix aan, de Blauwgarendijk, noordwaarts Lillo, en de Kauwensteinse dijk door te steken, ten einde een kunstmatig overstromingsgebied te bekomen om te allen tijde een verbinding tussen Antwerpen en Holland te verzekeren.

Hierop reageerden de beenhouwers zo heftig, dit niet alleen wegens de schade die hieruit voor de landbouwers zou voortspruiten, maar ook wegens de vrees voor een onvoldoende ravitaillering van de Antwerpse bevolking die aangewezen was op het vee dat uit deze streken betrokken werd, dat van dit voornemen toen afgezien werd.

Het is dan ook twijfelachtig dat de polder van Oosterweel al in 1582 aan het water zou zijn prijs gegeven.

Men kan zich afvragen of aan de sommatie van de overheid wel degelijk gevolg gegeven werd.

Farnèse wilde tot elke prijs de Scheldedoorvaart volledig afstoppen en hierdoor ook automatisch Lillo volkomen afsluiten.

Zijn eerste werk was het bouwen van twee forten: St.-Marie op de linker- en St.-Filip op de rechteroever van de Schelde. Tussen deze twee forten werd vervolgens een vlottende brug gebouwd.

De plaats van deze brug was gunstig gekozen, omdat enerzijds langs de linkeroever een ondiepte de Schelde introk en zo de breedte van de stroom enigszins gereduceerd werd, en anderzijds de kronkeling in de Scheldeloop, hier een werkelijke hinder uitmaakte voor het manoeuvreren van zeilschepen.

Een staketsel langs beide oevers en daartussen 32 grote aaneengeschakelde schepen, vormden de brug.

Noordwaarts van deze brug werden nog opgericht: de schansen St.-Barbara (Oordam), ietwat meer landinwaarts St.-Andrea (St.-Andries) en om de Blauwgarendijk te beschermen, de redoutes Trinitatis.

Na de bezetting van de Kauwensteinse dijk werden hierop gebouwd: het fort St.-Kruis (Kruisschans of Santa Cruz) waarvan de eerste benaming ‘Mondragon’ zou geweest zijn, naar de opdrachtgever, verder de schansen of redoutes: St.-Joris (de la Motte), Paalschans (Victoria), St.-Jacob (St.-Jago, St.-Jaak, of Santiago), en het Pekgat bij Stabroek.

Sommige historici situeren echter de St.-Jacobsschans naast de Kruisschans, hoewel de meeste oude kaarten de eerste versie aannemen.

Al deze werken, zowel de bouw van de brug zelf, als de verschillende bastions vergden een ontzaglijke hoeveelheid materiaal dat uit Vlaanderen en zelfs uit Noord-Frankrijk afkomstig was.

Via de Schelde en het overstroomde gebied langs de linkeroever, veroorzaakt door dijkdoorsteken te Burcht en van de Uitgebrande Dijken en Blokkerdijken, geraakten de schepen ter bestemming.

Door een aanval van Téligny, bevelhebber van de Staatsen, en het bouwen van een fort te Burcht werd deze vaarweg nochtans afgesneden en de bevoorrading van de brug in gevaar gebracht.

Hierop reageerde Farnèse door het laten graven van een vaart, de Parmese vaart of het Parmakanaal genaamd, lopend noordwaarts Kallo en Beveren tot in de omgeving van Stekene, met aansluiting op de Moervaart (arm van de Moer) naar Gent.

Het is bij de monding van dit kanaal in de Schelde dat hij het fort ‘De Parel’ liet bouwen. In maart 1585 was de doorvaart op de stroom volledig geblokkeerd.

In april viel het fort Liefkenshoek, de redoutes van de Noord, Terventen, St.-Antonius en gans de Doelpolder in handen van de Hollanders, terwijl te Antwerpen op bevoorrading werd gewacht van een konvooi dat zich aan de noordzijde van de brug klaar hield.

Aan een Italiaans ingenieur Gianibelli (Genibelli of Giambelli) werd daarop door Marnix van St.-Aldegonde opdracht gegeven de brug te vernietigen, wat hij zou trachten te verwezenlijken door middel van met kruit gevulde schuiten die met het tij meegedreven tegen de brug zouden ontploffen. De poging mislukte echter en de schade was zeer gering en vlug hersteld.

Terugdenkend aan een al veel vroeger beraamd plan, besloot men uiteindelijk een poging te wagen om via de overstroomde polders de bevoorrading van Antwerpen te verzekeren door middel van lage schuiten .

Hiervoor werden de Schelde- en binnendijken zuidwaarts de Kauwensteinse dijk op verschillende plaatsen doorgestoken.

Het inundatieterrein, zich uitstrekkend over de polders van Zandvliet, Berendrecht, Lillo en Stabroek, breidde zich verder uit over de polders van Oordam, Oorderen, Wilmarsdonk, Ettenhove, Muisbroek, Oosterweel en Ekeren.

Volgens een kaartje van Luyken (figuur 1), het beleg van de stad Antwerpen voorstellend in de jaren 1584-1585, waren er drie bressen in de Scheldedijk: twee respectievelijk ter hoogte van de Oosterweelse- en Wilmarsdonkpolder, nl. ten noorden van de Boerinnenschans en Boereschans, en één ten zuiden van de Nieuw Boereschans, soms St.-Petrus genaamd.

Bewaarde rekeningen over de herstelling van de Scheldedijk in de jaren 1589-1592 bevestigen het bestaan van deze gaten33 door vermelding van het aanvoeren naar- of het opslagen bij deze plaatsen van zinkrijs, houtwerk en dergelijke. Naast Luyken bevestigen Verbiest en later in 1691 Van Lyere in een kopij van voornoemde, getiteld ‘Obsessio Antverpiae Alexandro Imperante’ (figuur 2), deze dijkdoorbraken en duiden tevens de grote doorsteek bij Lillo aan.

             

 

Volgens al deze auteurs bleven alleen de hoogten van Wilmarsdonk en Oorderen boven het omliggende water uitsteken.

De overstroming werd in oostelijke richting begrensd door de hoogten van Berendrecht, Stabroek, Hoevenen en Ekeren.

De Oostenrijker Aitzinger, die vele jaren in de Nederlanden verbleef, en zijn befaamde ‘De Leone Belgico’ uitgaf, beschrijft hierin in een kaartje wat aan beide zijden van de Schelde in 1585 tijdens Farnèses belegering van Antwerpen voorviel.

Buiten voornoemde bressen vermeldt hij nog het ‘Groot Gat’ bij de Kruisschans (figuur 3). Hij situeert dit nochtans dichter bij het fort van Oordam dan bij genoemde schans.

    

Uit een rekening van penningmeester Merten Mermans aan aannemer Adriaan Gheens ‘om te vullen en te stoppen 8 gaten staande tussen de Oordamse schans en de Kruisschans ’, kan aangenomen worden dat hier alleszins een grote doorbraak tot stand kwam.

Een ander kaartje van Aitzinger (figuur 4) getiteld ‘Wie und wass gestalt die diecken vor Antorff durch gestochen, und mit vielen blochhusern so woll von dem Princen von Parma, als von der Statt Antorff besatz seindt’. (anno 1585) toont ons ten slotte een vierde bres in de nabijheid van Antwerpen, ter hoogte van de huidige Royerssluis.
Het is deze doorsteek die de naam kreeg van Spaansgat, terwijl de overigen genoemd werden naar hun respectievelijk fort, nl. Boeregat en Boerinnegat.

    

 

A SUIVRE

 

In het uitgestrekte overstromingsgebied vormde de Kauwensteinse dijk de enige hinderpaal voor een doorvaart van Holland tot de grens van de stad Antwerpen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  LMB-BML 2007 Webmaster & designer: Cmdt. André Jehaes - email andre.jehaes@lmb-bml.be