NIEUWS  NOUVELLES  NEWS

 

De admiraals en de eigen marine van de Bourgondische hertogen 1384 - 1488 (IV)

 

8 januari van dat jaar vaardigde Maximiliaan de zeer belangrijke ordon­nantie uit, waardoor de bevoegdheden van de admiraal aanzienlijk uitgebreid werden en de basis van de admiraliteitsraden werd gelegd Filips van Kleef zou van dit statuut niet lang meer een officieel gebruik kunnen maken, vermits hij weldra met de Roomse koning in conflict kwam. Als gevolg van de hervatting van de oorlog met Frankrijk, was Gent inderdaad op het einde van 1487 terug in opstand gekomen, hierin gevolgd door frans Vlaanderen. Maximiliaan zelf werd op 2 februari 1488 te Brugge gevangen gezet en eerst in het midden van mei, na onder dwang van zijn regentschap over het graafschap afstand gedaan te hebben, vrijgelaten. Deze vrijlating was te danken aan Filips van Kleef, die er had willen in toestemmen voor de Roomse koning borg te staan. In volle uitoefening van zijn functie, vaardigde deze als admiraal op 15 mei nog een o lettré van sauvegarde » uit ten voordele van de inwoners van Oostende, teneinde die stad tegen de baldadigheden van het ingekwartierde krijgsvolk te beschermen. Wellicht was dit een van zijn laatste officiële handelingen, want een week later brak het conflict met de Roomse koning uit.

Toen Filips van Kleef op 17 mei 1488 te Brugge van Maximiliaan afscheid nam, ten einde te Gent, zijn interneringsplaats, de uiterst delikate taak van gijzelaar op zich te nemen, dan was dit onder beding van al zijn verbintenissen ontslagen te zijn, zo de Roomse koning zijn gegeven woord en eed mocht verbreken. Reeds op 24 mei gebeurde dat­gene waarvoor hij zozeer gevreesd had: Maximiliaan herriep zijn eed en trof de nodige schikkingen voor de onderwerping van Vlaanderen Filips van Kleef schaarde zich dan ook onmiddellijk aan de zijde van de opstandige Vlamingen en wist de meeste Vlaamse steden aan zijn zijde te krijgen. Het ging er inderdaad om in dienst van Filips de Schone, de enige natuurlijke vorst, het land tegen de Duitse indringer te beschermen. Aanvankelijk verliep alles goed. Maximiliaan nochtans, gesteund door zijn vader, keizer Frederik III, concentreerde land- en zeestrijdkrachten lang de Vlaamse kust. Hij wist er reeds einde augustus.

Nieuwpoort voor zich te winnen en weldra volgde ook Duinkerke. Oostende en Sluis bleven evenwel getrouw aan de admiraal, die ze als kapersnesten gebruikte.

In 1489 begonnen voor Filips van Kleef de tegenslagen. Eerst ging Veere verloren, toen Filips van Bourgondië-Beveren naar de partij van de Roomse koning overliep. In juli werd Oostende door de Nieuwpoortenaars in brand gestoken, zodat de bevolking te Sluis een schuilplaats moest gaan zoeken. Veel Brabantse en Vlaamse steden gaven zich aan Maximiliaan over. Deze wist in oktober met Frankrijk een gunstige vrede te sluiten, zodat de voormalige admiraal de strijd nu alleen vanuit Sluis moest voortzetten. Toen hij zich ten slotte, na drie jaren lang verwoede weerstand, in oktober 1492 tegen billijke voorwaarden. aan Maximiliaan onderwierp, dan was dit enigszins onder de druk van de vloot samengebracht door Filips van Bourgondië-Beveren en de schepen ingezet door Cornelis de Berghes, heer van Grevenbroek. Deze was in 1489 of 1490 tot vloothoofd met de titel van admiraal van de zee aangesteld geworden. Reeds in 1490 of 1491 evenwel zien we Filips van Bourgondië-Beveren, de heer van Veere, als opvolger van Filips van Kleef fungeren. Met hem trad de admiraliteit voorgoed in de nieuwe faze, die door de ordonnantie van januari 1488 ingeluid geworden was.


5. HET ADMIRAALSAMBT TOT AAN DE ORDONNANTIE VAN 1488

Er is ongetwijfeld in de admiraalsfunctie onder de Bourgondische hertogen een evolutie te bespeuren. Deze kunnen we nagaan zowel in de persoon en de plichten en rechten van de admiraal van Vlaanderen, als in die van de andere bevelhebbers van de hertogelijke marine. De eerste admiraals van Vlaanderen waren tot ridder bevorderde burgers of kleine edellieden herkomstig uit het graafschap zelf, namelijk Jan Buuc (1383-'87), Jan van Cadzand (1391-'96) en Jan Blankaerd (1401-'06). De volgende Vlaamse admiraal, Victor van Vlaanderen (1419- ?) was, alhoewel zijnde een bastaardzoon van Lodewijk van Male, al niet veel meer. Maar de beide admiraals uit de Henegouwse familie de Lalaing:, namelijk Simon (1436-1462) en Josse (/1462- +/- 1483) behoorden reeds tot de hoge adel, want ze waren niet alleen ridders van de orde van. het Gulden Vlies, maar bekleedden bovendien hoge posten als leden van de hertogelijke raad. Ten slotte mogen we ook Filips van Kleef, niettegenstaande hij tot admiraal van al de Bour­gondische landen nabij de zee benoemd geworden was (1485-1489) , toch bij de admiraals van Vlaanderen rekenen, alleen reeds omdat hij kennelijk de taak van laatstgenoemden voorzette. Filips van Kleef bekleedde de hoogste ambten en was bovendien een van de (( heeren van den bloede )) of afstammelingen uit een zijtak van het huis Bourgondië.

Als admiraal van Vlaanderen waren de bekleders van dit ambt meestal ook tegelijk kapitein van een havenstad of een kasteel nabij een haven. Reeds Jan -Buuc had als standplaats Sluis, alhoewel hij er niet als kapitein optrad. Jan. Blankaerd en Victor van Vlaanderen waren kapitein van Biervliet. Simon en. Josse de Lalaing traden op als kapiteins van Sluis en van het grote kasteel aldaar, de eerste van + 1450 tot 1462, de tweede van 1462 tot 1483, en stonden aldaar in voor de hertogelijke artillerie (185). Filips van Kleef volgde Josse de Lalaing te Sluis als kapitein van de stad en van de beide kastelen aldaar op en oefende er deze functie uit, aanvankelijk wettelijk van 1485 tot 1489, daarna onwettelijk tot 1492. Dat de functies van admiraal van Vlaanderen en van kapitein van Biervliet of vooral van Sluis met elkaar nauw verbonden waren, is te verklaren door het belang van de kaapvaart krachtens "letteren van marcke" en van "contremarque" van uit deze havens tijdens de periodes van oorlog met Engeland van 1401 tot 1419 en van 1435 tot 1438. De admiraal van Vlaanderen leidde immers, krachtens zijn contract van associatie met de hertog, vanuit zijn basis de rooftochten, eerst van de "corvers" daarna van de andere kapers en steunde daarbij vooral op aanhangers, die als zijn vennoten optraden. Eenmaal de vrede met Engeland gesloten, in 1439, kwam er aan deze handelwijze een einde, wat wellicht verklaart waarom de admiraal van Vlaanderen dan voor geruime tijd op de achtergrond trad. Het verdrag met Engeland werd immers tot 1464 regelmatigverlengd.

Het admiralaat van Vlaanderen was een "officie" verleend door de hertog, oorspronkelijk ingevolge een contract van associatie. De vorst stelde de "admiraal van de zee van Vlaanderen" aan door middel van een commissiebrief. Bij zijn eerste reis langsheen de kust had de admiraal dit bewijsstuk aan de magistraat van de steden, die hij bezocht, voor te leggen. Geen enkele van deze commissiebrieven is bewaard gebleven, tenzij die van Filips van Kleef. Wel wordt er gewag gemaakt van de commissiebrief van Victor van Vlaanderen in 1419. We mogen nochtans veronderstellen, dat de inhoud van dergelijke aanstellingsbrieven ongeveer overeenkwamen met het stuk uitgereikt in 1466 aan Wolfaart van Borsel, admiraal van Artezië, Boulonnais, Holland, Zeeland en Friesland, waarvan we de inhoud kennen. Daarin zegt Filips de Goede, dat het de plicht van de admiraal was door de uitoefening van zijn ambt « de... garder, sustenir et deffendre noz droiz, haulteur et seignourie et aussi le bien, honneur et prouffit de nos dits pays... et generalement de faire... toutes les choses que audit office... competent ». Welke die rechten en hoogheden waren, die de admiraal, in de naam van de hertog, hoog te houden had, wordt in de desbetreffende commissiebrief niet gezegd. Naast verplichtingen, had de admiraal ook prerogatieven. De voornoemde commissiebrief noemt ze "honneurs, droit, prerogatives, preheminences, libertez, prouffiz et emolumens accustumez et qui y (audit office) appartiennent". Dit is dus een even vage formulering, alhoewel we weten, . dat hieronder bepaalde heffingen, als de tiende penning, gevolg van de vroegere associatiegebruiken, mogen gerekend worden. Van het recht op een wedde is er evenwel geen sprake en hebben we ook geen spoor gevonden, tenzij na 1488.

Uit de commissiebrief van 1466 vernemen we dat Wolfaart van Borsel voor het leven tot admiraal aangesteld werd en dit moet ook zo geweest zijn voor zijn voorganger Jan van Luxemburg, die tot aan zijn dood zijn functie uitgeoefend had. Of dit ook voor de admiraal van Vlaanderen het geval was, is eerder onzeker. Wel is waar bleven Jan Buuc en Jan van Cadzand en waarschijnlijk ook Jan Blankaard tot aan hun dood de admiraliteitstitel dragen, maar de eerste stierf in gevangenschap in Engeland 'en de tweede sneuvelde in de slag bij Nico­polis. Wel is het mogelijk, dat de admiraal van Vlaanderen voor onbepaalde duur aangesteld werd, maar toch naar goeddunken door de hertog terug afgezet en vervangen kon worden. Van erfelijkheid bij de opvolging was er evenmin sprake, gezien we vaststellen, dat Simon de Lalaing nog tijdens zijn leven door zijn zoon Josse opgevolgd werd. Toch krijgt men de indruk, dat onder Filips de Goede en Karel de Stoute het ambt van admiraal van Vlaanderen reeds permanent geworden was, maar met verlies aan betekenis. Josse de Lalaing blijkt inderdaad zich vergenoegd te hebben de tiende penning op te strijken.

Dank zij de enkele gegevens, die betreffende de admiraals van Vlaanderen bewaard gebleven zijn, kunnen we toch op positieve en negatieve wijze en min of meer het juridisch aspect van hun functie omschrijven. De admiraal van Vlaanderen was, zoals gezegd, een grafelijk officier met uitsluitend militair gezag inzake het toezicht over de hertogelijke en andere kaapvaart krachtens "etteren van marke". Het uitreiken van dergelijke kaperbrieven, evenals van vrijgeleiden of "sauveconduiten", bleef inderdaad aan de hertog voorbehouden. Over de hertogelijke oorlogsschepen, die in een openlijke oorlog gebruikt werden, had de Vlaamse admiraal evenmin iets te zeggen. Als vloothoofd trad in dergelijk geval een tijdelijk admiraal, kapitein of kapitein-generaal op, die met een wedde en soldij vergoed werd. In 1436, bij het beleg van Calais, was het Jan van Hoorn, die de vloot van hertogelijke en andere vaartuigen leidde, maar het opperbevel met de commandeur van Morea, Foucault de Rochechouart, moest delen. Gezien bij krijgverrichtingen op zee meestal schepen uit de verschillende Nederlandse vorstendommen gebruikt werden, was het uitgesloten dat de admiraal van Vlaanderen over dergelijke vloot het bevel kon voeren. Het was overigens Hendrik van Borsel, die in 1470 als "stedehouder generael ende capiteine" de vloot uitgestuurd tegen de graaf van Warwick aanvoerde. Wel is het mogelijk, dat de admiraal van Vlaanderen dat jaar in het kader van zijn feodo-militaire verplichtingen een smaldeel onder zijn bevel kreeg. Josse de Lalaing had inderdaad in genoem­de vloot de verantwoordelijkheid over twee vaartuigen. Ook Wolfaart van Borsel trad in 1475 als "capitaine general sur mer" van de hertogelijke vloot op en niet als admiraal van Artezie, Boulonnais, Zeeland, Holland en Friesland. De hertogen van Bourgondië blijken dus een duidelijk onderscheid tussen het ambt van tijdelijk vloothoofd of kapitein-generaal en dit van admiraal van bepaalde gewesten gemaakt te tebben. Dit was niet alleen zo in 1470 en 1475, maar ook in 1478, toen Jacques de Savoye "capiteyn generaal van der zee" was
De admiraal van Vlaanderen, evenmin als zijn collega van andere maritieme gewesten, oefende enige rechtsmacht uit. Het waren de schepenbanken van de havensteden en de raden van Vlaanderen en Holland, die voor zeezaken bevoegd waren. Alle maritieme delicten kwamen dus in eerste instantie voor de schepenbank of somtijds onmiddellijk voor de grafelijke raad voor. Men kon bij deze raad in beroep gaan. Als laatste instantie gold de Grote Raad, die vanaf 1464 te Mechelen gevestigd was en eveneens in beroep bepaalde processen verbrak en herzag of deed herzien. Aldus verbrak in 1478 de Grote Raad het vonnis van de Nieuwpoortse schepenbank, die een daad van zeeroverij , gepleegd door de bemanning van het konvooischip, uitgereed door de vissers van Nieuwpoort, Lombardsijde en Raversijde, wettig verklaard had en veroordeelde de daders tot schadevergoeding aan de benadeelde Engelse kooplui,. Zeker is het, dat zowel de Raad van Vlaanderen, als de Grote Raad zich mocht inlaten met alle gevallen van onwettige represaille of kaapvaart. Aan de Grote Raad blijkt inderdaad alles wat de souvereine rechten van de hertog op zee betrof, waaronder de vredesverdragen, de handelsovereenkomsten en het admiraalschap met alle betwistingen daaromtrent te zijn onderworpen . Gezien de onduidelijke afbakening van de bevoegdheden van de verschillende rechterlijke instanties inzake zeedelicten, ligt het voor de hand, dat er zich gemakkelijk tussen hen bevoegdheidsconflicten konden voordoen. Dit was vooral zo voor de gevallen van zeeroverij , die, als ze door oorlogsschepen gepleegd geworden waren, onder de grafelijke of hertogelijke rechtspleging ressorteerden. Dergelijk bevoegdheidsconflict deed zich in 1484 voor tussen de baljuw van Duinkerke, of beter de vrouwe van die stad, Marie van Luxemburg, gehuwd met Jacques de Savoye, en de kapitein-plaatscommandant, die in de naam van de hertog van Bourgondië optrad. De eerste bracht de zaak voor de Duinkerkse schepenbank, maar de tweede eiste de gearresteerde zeerovers op, om de procedure voor de Raad van Vlaanderen in te zetten. Het resultaat was een beroep op het parlement van Parijs, waar de grafelijke raad voor zijn bevoegdheid opkwam. en gelijk kreeg, aangezien de te behandelen zaak een zeedelict, bedreven door krijgsvolk, betrof. Op dezelfde wijze als Maria van Luxemburg, zien we overigens ook Hendrik van Borsel in zijn Zeeuwse heerlijkheden optreden en dan niet als vloothoofd, maar als heer van Veere. Zo kwam deze laatste in 1471, toen hij kapitein-generaal van de Bourgondische' vloot was, eens tussenbeide in een geval van zeeroverij, ten einde gevangen genomen kooplui en matrozen in vrijheid te laten stellen, zonder evenwel hun schip terug te doen geven.

De admiraal van Vlaanderen of die van de andere gewesten was in de grond een door contract, gesteund op privaat recht en feodaliteit, met de hertog verbonden officier. Zijn opdracht bestond in de organisatie van de kaapvaart, de represailles op zee en het toezicht over de wettigheid van de gemaakte «prises ». Slechts indien de admiraal de « prise » wettelijk verklaarde, mochten de gekaapte goederen verkocht of verdeeld, worden, mits aftrek van de tiende penning. Dit gold ook voor vreemde kaapvaarders, die met hun buit een Vlaamse haven aan­deden. Aldus annuleerde in 1455 « Franchois de Wispelaere, stedehoudere van... mer Simoen de Lalaing, admirael van der zee in Vlaendren » een "prise", die te Sluis door een oorlogsschip uit Dieppe aangebracht geworden was, omdat de benadeelde kooplui onderzaten van de Bourgondische hertog waren. Het desbetreffende geschil werd door de Brugse schepenbank zonder beroep op hogere rechterlijke instanties beslecht en dit ingevolge een regeling, die vooraf door de Franse ambassadeurs met de hertogelijke vertegenwoordigers getroffen geworden was.

Het spreekt vanzelf, dat vooral in dergelijke gevallen van betwisting de admiraal of zijn luitenant op verzoek van de benadeelde partij op te treden had.

De admiraal van Vlaanderen deed zich meestal in de havensteden door een luitenant vervangen. Aldus zien we in 1401 Jan. Blankaerd te Blankenberge " eenen lieutenant in sijne stede" aanstellen en vervolgens de schepenen daarvan kennis geven. Einde september 1436, na de dood van Jan van Hoorn en waarschijnlijk kort na de aanstelling van Simon de Lalaing, was het Simon filius Clais, die zich te Nieuwpoort bij de schepenen "met ziner commissie als stedehoudre van mijn heere den admirael"kwam aanbieden. Te Duinkerke wordt, in verband met feiten gebeurd omstreeks 1443, van de « lieutenant de l'amiral de Flandres » gewag gemaakt, evenals naderhand, in 1478 van de « admiral de la mer ou de son lieutenant ». Zoals gezegd, trad in 1455 ook een luitenant van Simon de Lalaing te Sluis op. Of we in de verschillende havensteden met een en dezelfde plaatsvervanger van de admiraal, dan wel met verschillende luitenanten te doen hebben, is uit deze enkele gegevens moeilijk af te leiden. Wat er ook van zij, in 1489, in toepassing van de ordonnantie van 1488, vinden we, als voorzitter van een admiraliteitsraad, ridder Georges d'Eberstein, « stadhouder des admiraals van der zee ».

Over de beide op elkaar volgende admiraals van Artezië, Boulonnais, Zeeland, Holland en Friesland bleef er maar één gegeven bewaard, namelijk de commissiebrief van Wolfaart van. Borsel van 1466. Voor het overige vernemen we niets over hun ambt. Het is evenwel duidelijk, dat de aanstelling van een admiraal-generaal voor al de Nederlandse maritieme gewesten samen, waaronder ook Brabant, eerst dagtekent van 1485, met de benoeming van Filips van Kleef. Dat wil niet zeggen, dat het optreden van tijdelijke vloothoofden met de titel van kapitein-generaal, zoals in 1470, 1475 en 1478, tot de latere formulering van de admiraalsbevoegdheden niets zou hebben bijgedragen. Wolfaart van Borsel vaardigde immers in 1470 een artikelbrief uit met richtlijnen aangaande de toenmalige op de hertogelijke vloot te gebruiken wachtwoorden, seinen, signalen en tekens voor een tuchtvolle zeilorde 's nachts en overdag. Dit stuk bevat tevens reeds enkele artikels betreffende de handhaving van de tucht aan boord van de schepen en tijdens het gevecht. Ook de wetgeving van de Bourgondische hertogen op het stuk van de kaapvaart, het varen van de koopvaardijschepen in admiraalschap onder het paviljoen van Bourgondië en hun bewapening op zee, moeten, evenals de rechtspraak van de stedelijke schepenbanken, de gewestelijke hoven en de Grote Raad inzake zeedelicten, tot de formulering van de ordonnantie van 1488 bijgedragen hebben. Veel van hetgeen in deze belangrijke verordening staat steunde ongetwijfeld op sinds lang bestaande gebruiken, niet alleen uit de Nederlanden, maar ook uit de buurlanden, waaronder in de eerste plaats Frankrijk en Engeland.

De gebeurtenissen in de noordelijke provinciën van de Nederlan­den, waar de opstand voortwoedde, bracht aartshertog Maximiliaan in januari 1488 er toe in de naam van zijn zoon Filips eens en voorgoed de admiraliteit als staatsinstelling te organiseren. In de inleiding van de desbetreffende ordonnantie heeft hij het inderdaad over de aanmatiging van degenen die "onder 't dexele van der oorlonge ende tweedrachtichede... hemlieden vervoordert hebben uyt heurlieden selfs auctoryteyt zekere scepen van oorloghe op te stellen ende op zee te houden" waar­door de zeeroverij in de hand gewerkt werd, vooral in het nadeel van de kooplui, « die uut erachten van brieven van verzekerden ende sauf­conduyten » , nu uitgereikt door de admiraal, de zee bevaarden. Door de verordening zelf werd voor de eerste maal voor het geheel van de Nederlandse marine een permanente organisatie met een nauwkeurig omschreven bevoegdheid ingericht. Dit eerste wettelijk statuut bepaalde inderdaad tot in de minste bijzonderheden de militaire, juridische en fiskale rechten en plichten van de admiraal, zodat het van de admiraliteit als het ware een centrale instelling onder diens gezag maakte. De bevoegdheid' van de admiraal werd, vergeleken met vroeger, aanzienlijk uitgebreid en versterkt. Voortaan mocht niemand nog zonder kaperbrieven of toelating van de admiraal of zijn stadhouder oorlogsschepen uitrusten en in zee sturen. Alles wat verband hield met de oorlogsmarine, als de uitreding van zulke vaartuigen, de konvooiering, de kaapvaart en de gemaakte « prises », kwam onder het toezicht van deze ambtenaar te staan en dit zowel in tijd van oorlog, als van vrede. De admiraal trad op p als plaatsvervanger van de vorst in alle maritieme aangelegenheden en mocht op zijn beurt in gelijk welke havenstad een luitenant aanstellen of een admiraliteitsraad inrichten. Alle vergrijpen bedreven op zee in tijd van oorlog en alle geschillen betreffende de oorlogs- en handelsmarine vielen onder zijn rechterlijke bevoegdheid. Aldus verloren de stedelijke schepenbanken van de kust en de gewestelijke hoven een deel van hun vroegere competentie op dat gebied. De admiraal of zijn plaatsvervanger mocht voortaan alle genoemde zeedelicten en geschillen door een admiraliteitsraad laten beslechten. Daarbij bleef beroep op hem of op de vorst en zijn Grote Raad steeds mogelijk. De inkomsten van de admiraal bestonden uit de heffingen op de uitgereikte vrijgeleiden, de helft van de opgelegde boeten en de tiende penning. Voortaan had de admiraal te zorgen voor de veiligheid van de kust en de uitrusting van oorlogsschepen in tijd van oorlog. Hijzelf of beter zijn luitenant kreeg het bevel over de oorlogsvloot. Zelfs de vuurbakens langsheen de kust, evenals de wacht langs de stranden, kwamen voortaan onder zijn toezicht te staan.

Van belang in dit plakkaat is wel de bekrachtiging van de reeds vroeger door de admiraal uitgeoefende bevoegdheden en prerogatieven, waaronder de beteugeling van de zeeroverij, de vaststelling van de wettigheid van de gemaakte prijzen, de aanstelling van een luitenant, daar waar het nodig was, de heffing van de tiende penning en de uitrusting van oorlogsschepen. Door de uitbreiding van zijn competentie werd de admiraal nochtans niet zozeer een waarachtige marineofficier of vloothoofd, dan wel de eerste ambtenaar inzake de oorlogs- en handelsmarine, wat hij reeds vroeger gedeeltelijk was. Met de ordon­nantie van 1488 begint dus werkelijk de geschiedenis van de admiraliteit en van de admiraliteitsraden van de Nederlanden.

 

 

 

 

  LMB-BML 2007 Webmaster & designer: Cmdt. André Jehaes - email andre.jehaes@lmb-bml.be
 Deze site werd geoptimaliseerd voor een resolutie van 1024 x 768 en IE -11-Edge
Ce site a été optimalisé pour une résolution d'écran de 1024 x 768 et IE -11- Edge