HISTORIEK  HISTORIQUE  HISTORIC

 

De admiraals en de eigen marine van de Bourgondische hertogen 1384 - 1488 (III)

 

4. DE ADMIRAAL EN DE MARINE ONDER MARIA VAN BOURGONDIE EN MAXIMILAAN VAN OOSTENRIJK (1477 - 1488)

De dood van Karel de Stoute, die op 5 januari 1477 in de slag bij Nancy door René, hertog van Lorreinen, en de Zwitsers verslagen werd en er sneuvelde, stelde de Vlamingen in de gelegenheid het Bourgondisch gecentraliseerd staatsapparaat te vernietigen en, althans voor korte tijd, het particularisme te herstellen. Het Groot Privilegie en de andere charters met voorrechten, die toen van Maria van Bourgondië, dochter en opvolgster van de gesneuvelde vorst, afgedwongen werden, bevatten ook bepalingen betreffende de kaapvaart en de admiraal. Zo beperkte het Groot Privilegie het kapen krachtens « lettren van mar­que » en van « contremarque » uitsluitend tot het verhalen van de geleden schade op de schuldige tegenpartij met uitsluiting van al de andere kooplui en zeelieden van de natie, waartoe die tegenpartij behoorde. Het charter, dat op 21 april door de stad Brugge ver­kregen werd, bepaalde bovendien, dat de heer van de Brugse tol op eigen kosten moest overgaan tot het leggen « ter zee up den Vlaemschen stroom » van vier « vreidscepen... ter bewaernesse van den coopman ende visschers »,terwijl de admiraal van Vlaanderen er twee in zee moest sturen « omme te bescuddene die cooplieden goedinghen ». Elk van deze vaartuigen moest minstens 200 vaten meten en een bemanning van minstens 150 koppen tellen. De heer van de Brugse tol was toen Pieter van Luxemburg, graaf van Saint-Pol, tevens heer van een hele reeks steden en dorpen, waaronder Duinkerke en Gistel. Het was in zijn hoedanigheid van heer van dit laatste dorp, dat hij te Brugge, krachtens een oud feodaal recht, nog een gedeelte van de opbrengst van de aldaar geheven grafelijke tol mocht opstrijken. Het Brugse charter bepaalde uitdrukkelijk, dat indien hij de vier schepen niet uitrustte, de stad het in zijn plaats zou mogen doen en de onkosten ervan op hem en zijn bezittingen mocht doen verhalen. De admiraal van zijn kant mocht van niemand nog de tiende penning eisen en nemen, zo hij de twee oorlogsbodems, die van hem geëist werden, niet leverde en in zee stuurde. Het charter voorzag dus eigenlijk de uitrusting van altezamen zes bewapende vaartuigen. Dit gebeurde op het ogenblik dat de Franse koning Vlaanderen bedreigde en zijn kapers de zee onveilig maakten. Of het werkelijk in de bedoeling van de Bruggelingen lag de heer van de tol en de admiraal van Vlaanderen, dan wel de hertogin tot de uitrusting van oorlogsscheper te dwingen, is problematisch. Wat er ook van zij, het afgedwongen voorrecht kwam, indien het werd toegepast, neer op een precedent, dat ook door Brugge zelf moest worden nageleefd, indien de stad de tol van Pieter van Luxemburg in pacht nam. In dergelijk geval diende ze inderdaad ook de feodaal-militaire verplichtingen van de heer van de tol betreffende « scepen ter zee te houden » over te nemen. Dergelijke lasten wezen de Bruggelingen evenwel uitdrukkelijk af, wat blijkt uit een resolutie van hun schepenen van enkele jaren later.

Wie zich met de kwestie van de verdediging op zee kan ingelaten hebben, was de jonge Filips van Kleef, zoon van Adolf van Kleef, heer van Ravenstein. Op 11 april 1477 benoemde Maria van. Bourgondië hem tot haar luitenant-generaal in al de Bourgondische landen. Tot de bevoegdheden van deze functie behoorde de organisatie van de landsverdediging o.a. door de mobilisatie van de dienstplichtige edellieden met hun volgelingen. Op dat ogenblik reeds, d.i. nog vóór de uitvaardiging van het door Brugge afgedwongen charter, zien we drie of meer oorlogsschepen aan het werk « omme den stroom van Vlaendren zuver te hauwene ende te bewaerne van de Franchoisen ende andere vianden ». Deze vaartuigen waren eigenlijk konvooische­ pen, die door de stuurlui en vissers van Duinkerke, Nieuwpoort en Oostende met hun "adherenten" onder de kleinere kustgemeenten uitgerust geworden waren. Dit kan op last van de regering, die toen Maria van Bourgondië bijstond, gebeurd zijn. Bepaalde edellieden moeten daarbij de zorg over het in zee sturen van een schip op zich genomen hebben. Dit blijkt althans zo te zijn geweest voor het vaartuig uitgerust door de stuurlui en vissers van Nieuwpoort, Lombardsijde en Raversijde, die in opdracht handelden van Jacques Galliot, heer van Chante-raine, of beter met hem blijkbaar geassocieerd waren. Deze edelman was de leermeester en naaste medewerker van Filips van Kleef. Het Nieuwpoorts oorlogsschip was te Duinkerke uitgerust geworden, maar of de heer van die stad, Pieter van Luxemburg, en de admiraal Josse de Lalaing met die uitrusting iets te maken hadden, is niet na te gaan. Zeker is het dat de drie of meer betrokken vaartuigen op zee gezamelijk opereerden en dat hun bemanningen zich daarbij, onder de mom van kaapvaart, aan zeeroverij schuldig maakten. Zowel het Oostends « vredescip », als het Nieuwpoorts konvooischip, varend in opdracht van de heer van Chanteraier, bracht in zijn thuishaven een « prise » aan, waarvan de wettigheid naderhand betwist werd, zodat telkens de zaak voor de Grote Raad in behandeling kwam. Misschien was het in verband met deze procedure, dat de admiraal op een bepaald ogenblik per bode een brief naar Oostende stuurde Meer van hem vernemen we evenwel dat jaar niet. In september 1477, toen met Frankrijk een wapenbestand gesloten werd, kwam er heel waarschijnlijk een einde aan de patrouilleopdracht van de drie of meer Vlaamse oorlogsschepen. Ook in Zeeland en Holland waren op verzoek van de hertogin en de provinciale staten door de zeesteden een zeker aantal oorlogsbodems uitgerust en in zee gestuurd geworden, wat met de medewerking van Wolfaart, heer van Veere en toenmaals stadhouder van de vorstin in beide gewesten, kan gebeurd zijn. Maria van Bourgondië zelf was op 19 augustus 1477 met Maximiliaan, aartshertog van Oostenrijk, in het huwelijk getreden, zodat ze voortaan niet meer alleen stond.

Wat in 1477 en volgende jaren opvalt, is niet alleen het naast elkaar bestaan van verschillende maritieme gezagsdragers, maar ook het nagenoeg zelfstandig optreden van de zeesteden van Vlaanderen, Zeeland en Holland in zake de uitrusting van konvooi- of oorlogsschepen. In februari 1478 nog zien we Josse de Lalaing, langs zijn luitenant om, te Duinkerke de tiende penning heffen op een aldaar door een Zeeuws kaper aangevoerde "prise", waarvan de wettigheid naderhand door de Grote Raad afgewezen werd. Dit doet veronderstellen, dat de admiraal van Vlaanderen op dat ogenblik nog steeds als dusdanig erkend werd, niettegenstaande hij geen oorlogsvloot onder zijn gezag had. Maximiliaan stelde inderdaad in juni 1478 Jacques de Savoye, graaf van Romont en schoonzoon van Pieter van Luxemburg, tot «capiteyn generael van der zee » aan. Deze was de maand voordien samen met Josse de Lalaing, Pieter van Luxemburg en Wolfaart van Borsel in de orde van de ridders van het Gulden Vlies opgenomen geworden. Weldra slaagde zijn vloot er in de hand te leggen op drie Franse vaartuigen, die, geladen met geschenken en oorlogsmateriaal van Lodewijk XI voor Edward IV, op weg waren naar Engeland. Hun lading liet hij te Sluis, tegen het protest in van de Engelse koning, aan de man brengen. Heel waarschijnlijk bestonden de schepen van Jacques de Savoye uit oorlogsbodems, die, zoals in 1477, door de Vlaamse zeesteden geleverd geworden waren. In ruil daarvoor waren de stuurlui en vissers overigens van de betaling van « 's herengeld », de hertogelijke tol op de door hen uit de zee aangevoerde kaakharing, vrijgesteld geworden.

In juni 1478 was met de Franse koning een nieuw wapenbestand gesloten geworden. Toch werden in 1479 de krijgsverrichtingen hervat. Nogmaals werden door de Vlaamse, Zeeuwse en Hollandse zeesteden, onder de vorm, van konvooischepen, oorlogsbodems uitgerust en in zee gestuurd. Aartshertog Maximiliaan versloeg op 7 augustus Lodewijk XI bij Guinegate, maar kon hem niet tot het sluiten van een vrede dwingen, zodat de oorlog bleef voortduren. Heel waarschijnlijk bleef Jacques de Savoye dan ook kapitein-generaal van de zee.

In 1480 zien we Maximiliaan en Maria van Bourgondië voor het eerst in Zeeland, Holland en Friesland een maatregel treffen, die reeds in Vlaanderen sinds 1478 van toepassing was. Op 8 juni van dat jaar verleenden ze aan de « baenrotsen, ridderschappen ende steden » aldaar de toelating om een kraak en zestien andere oorlogsbodems voor de strijd tegen de Franse kapers uit te rusten. Daarbij zouden de Staten van deze drie provinciën « t geheel regiment van de wapeninge ende vloot » wel mogen behouden, maar zouden de kwartiermeesters en ridders toch aan een hertogelijke kapitein of aan verschillende zulke kapiteins te gehoorzamen hebben. De onkosten van de uitrusting dienden steeds door de vissers, de kooplui en de gemeenschap te warden gedragen. Wie de bewuste kapitein of kapiteins kunnen geweest zijn, hebben we niet gevonden. Of Josse de Lalaing, die in mei 1480, in de plaats van de afgetreden Wolfaart van Borsel, tot stadhouder-generaal van de drie genoemde provinciën, benoemd geworden was, in deze bewapening een rol gespeeld heeft, is evenmin na te gaan. Zeker is het, dat dat jaar in Vlaanderen de onkosten van de uitrusting en het onderhoud, van mei tot september, van 6.000 « vechtende mannen » en drie oorlogsschepen « ten bescudde van den lande » door de Vier Leden gedragen werden.

Het regime van de bevelvoerende kapitein blijkt in Vlaanderen in 1481, toen door de zeesteden nogmaals konvooischepen « ten be­scudde en de bewaernesse van de visschers » uitgerust geworden waren, te zijn blijven voortbestaan. Te Nieuwpoort gaf dit aanleiding tot een betwisting, toen de « capitein » de tiende penning eiste « van tgondt dat de scepen van orloghe gheconquestiert hadden up die vianden slands ». Of met deze officier Jacques de Savoye dan wel een van de hertogelijke luitenanten, meer bepaald de kapitein van Nieuwpoort, of zelfs een scheepskapitein bedoeld werd, weten we niet. Wat er ook van zij, de betwisting zelf toont aan dat de « kapitein » de admiraal van Vlaanderen inzake de tiende penning poogde te verdringen.

De dood van Maria van Bourgondië op 27 maart 1482 gaf een nieuwe wending aan de oorlog, gezien de Staten-Generaal van de Nederlanden bereid waren desnoods zonder Maximiliaan de vrede met Frankrijk te sluiten. Toch werd ook dat jaar door de verschillende maritieme gewesten opnieuw een inspanning geleverd ten einde de « beschermenisse van die gemeene harinckman ende coopman » te verzekeren. Krachtens een oktrooi van Maximiliaan van 19 juli kregen de Zeeuwse en Hollandse zeesteden de toelating om in het totaal twaalf oorlogsschepen uit te reden. De onkosten van de ganse uitrusting dienden door de gekonvooieerde vissers en kooplui gezamenlijk te worden gedragen.

De ontvangen konvooigelden moesten evenwel aan de stadhouder-generaal, Josse de Lalaing, worden overgedragen. Deze zou zich inderdaad met het algemeen beheer en de verdeling van de ontvangen penningen inlaten. Zoals in 1480 staan we dus hier voor een poging van het centraal gezag om haar macht over de in Zeeland en Holland uitgeruste konvooischepen te versterken, zonder dat er evenwel nog van een hertogelijke kapitein sprake was. Ook de drie Vlaamse zeesteden gingen in juli 1482 tot aankoop en uitrusting van drie konvooischepen over. Het was Brugge, dat de leiding van de onderneming op zich nam en daartoe zelf een kapitein of bevelhebber aanstelde, namelijk Maarten van Halewijn, baljuw van Oostende.

Eerst op 23 december 1482 kwam Maximiliaan er toe met Lodewijk XI te Senlis de vrede te sluiten. Nieuwpoort verkocht zijn oorlogsschip in augustus 1483, maar Oostende bewaarde het zijne en stelde het onder de bewaking van zijn amman. Daar enkele Deense oorlogsschepen de Vlaamse kustwateren onveilig maakten, gaf Brugge het volgend jaar aan Oostende opdracht « twee hueden » te bewapenen en in zee te sturen. Bij dit alles is er dus van de admiraal van Vlaanderen of van de kapitein-generaal van de zee geen sprake meer. Overigens was Josse de Lalaing in augustus 1483 overleden, zoals Pieter van Luxemburg het jaar voordien reeds. Naast Jacques de Savoye bleef als machthebber op zee alleen nog Wolfaart van Borsel, heer van Veere, over. Beiden kozen evenwel de partij van Gent en Vlaanderen, toen in 1483 tussen de Vlamingen en Maximiliaan van Oostenrijk het conflict om het regentschap over het vorstendom en de voogdij over de beide kinderen van Maria van Bourgondië uitbrak. Feitelijk had. Wolfaart van Borsel zich reeds in 1480, als  aanhanger van de Hoeks, vrijwillig tegen Maximiliaan gekeerd.

Maximiliaan zelf zette reeds in 1484 het offensief tegen het op­standige Vlaanderen, geleid door Gent, in. Op 19 januari 1485 benoemde hij zijn getrouwe vazal en luitenant, Filips van Kleef, tot enige « admiral de la mer » van al de Nederlanden. In de desbetreffende commissiebrief, die bewaard bleef, staat uitdrukkelijk vermeld, dat door deze benoeming alle andere soortgelijke bekleders van dit ambt ontslag kregen. Filips van Kleef had bovendien reeds in augustus 1483 van Maximiliaan de toezegging, ontvangen van een functie, die toen bij het admiraalschap van Vlaanderen hoorde en door Josse de Lalaing tot aan zijn dood bekleed geworden was, namelijk die van kapitein van Sluis en van het grote kasteel aldaar. Deze toezegging, die in februari 1484 vernieuwd geworden was, kon evenwel eerst uitgevoerd worden na de herovering van Sluis, dat zich toen in de handen van de rebellen, meer bepaald van Jacques de Savoye, bevond.

Aanvankelijk scheen het alsof Maximiliaan, na zijn vruchteloze poging om zich van Sluis meester te maken, aldaar voor Jacques de Savoye, die zich nog steeds " capiteyn generael van der zee" noemde, zou moeten zwichten. Het Gentse garnizoen van Sluis wist inderdaad in maart 1485 met succes aan de belegering en de aanval van de aarts­hertogelijke vloot en troepen het hoofd te bieden. Toch waren de Vlamingen uiteindelijk, niettegenstaande de hulp, die ze uit Frankrijk kregen, tegen de strijdkrachten van Maximiliaan niet opgewassen, zodat de meeste steden zich overgaven. In juli kon Filips van Kleef te Sluis zijn intrede doen en zijn ambt aldaar opnemen. Maximiliaan zelf, na van de Vier Leden van Vlaanderen zijn erkenning als voogd en regent bekomen te hebben, trok zich in november voorlopig uit de Nederlanden terug en werd in februari 1486 in Duitsland tot Rooms koning aangesteld.

In 1485 kwam er ook een einde aan de burgeroorlog van de Twee Rozen in Engeland en kon Hendrik VII Tudor met Franse hulp de Engelse troon beklimmen. Een wapenbestand, dat tussen Engeland en Frankrijk voor de duur van drie jaar gesloten werd, schafte alle vrijgeleiden en represailles af. Dit gold evenwel niet voor de Nederlanden. Reeds in maart 1485 poogde Brugge van Oostende en Nieuw­poort te bekomen, dat ze oorlogsschepen zouden uitrusten, maar beide steden wezen dit verzoek van de hand. Dit gebeurde waarschijnlijk uit vrees voor de aartshertog, wiens vloot in het Zwin en voor Sluis aangekomen was. Oostende weigerde echter ook zijn schip, « de Plu­me », ter beschikking van de kapitein van de aartshertogelijke vloot te stellen, toen die er om verzocht, wat een tussenkomst van Filips van Kleef voor gevolg had. Deze riep in juni te Gent, dat zich toen pas overgegeven: had, op verzoek van Maximiliaan de gedeputeerden van de zeesteden en ook de Staten van Vlaanderen bijeen voor de bespreking van de « provisie ter zee ter bewaernesse van den visschers » door middel van vrijgeleiden of konvooischepen of van beide samen. Na nieuwe besprekingen te Sint-Omaars nopens de vrijgeleiden werden die einde september van de Fransen bekomen. Maar ook konvooischepen zouden te Sluis worden uitgerust. Brugge en het Brugse Vrije hadden inderdaad besloten een krediet van 12.000 kronen uit te trekken en die ter beschikking van de admiraal te stellen. Deze zou dit geld moeten aanwenden voor de uitrusting van acht oorlogsschepen « ghefurniert met dusentich vechtenden mannen » gedurende twee maanden. Ongetwijfeld zijn deze acht vaartuigen uitgereed geworden en in oktober en november in de vaart geweest. Dit blijkt uit de verdere besprekingen nopens de heffing van de nodige penningen tot het bijeenbrengen van het uitgetrokken krediet. De rekening zelf van de uitrusting bleef niet bewaard.

 

Wordt gevolgd

 

 

 

 

  LMB-BML 2007 Webmaster & designer: Cmdt. André Jehaes - email andre.jehaes@lmb-bml.be
 Deze site werd geoptimaliseerd voor een resolutie van 1024 x 768 en IE -11-Edge
Ce site a été optimalisé pour une résolution d'écran de 1024 x 768 et IE -11- Edge