HISTORIEK  HISTORIQUE  HISTORIC

 

 

De admiraals en de eigen marine van de Bourgondische hertogen 1384 - 1488 (II)

 

3. DE ADMIRAAL EN DE MARINE ONDER KAREL DE STOUTE (1467 - 1477)

Toen Filips de Goede in 1466, een jaar nadat hij zijn gezag aan zijn zoon Karel de Stoute overgedragen had, Wolfaart van Borsel, graaf ran Boucam in Schotland, tot zijn nieuwe « general admiral de la mer d'Artois, de Boulenois, de Hollande, Zeelande et Frise » benoemde, impliceerde dit natuurlijk, dat er nog steeds een admiraal van Vlaanderen was. Er kon dus nog altijd niet van een algemeen admiralaat van de Nederlanden gesproken worden. Ongetwijfeld betekende Wolfarts benoeming een nieuwe stap in de richting van dergelijke instelling. De nieuwe admiraal, die pas in 1478 in de orde van het Gulden Vlies zou worden opgenomen, was de zoon van Hendrik van Borsel, heer van Veere, de machtigste en belangrijkste onder al de Bourgondische ridders ter zee. Hendrik van Borsel was — indien we de woor­den van een van zijn biografen mogen gebruiken — een zelfstandige kracht, die zich opi maritiem gebied bijna als de gelijke van de landvorst gedroeg en daarom als component tot het totaal van de Bourgondische zeepolitiek heel wat betekende. Zo goed als meester van liet eiland Walcheren, waar alleen Middelburg aan zijn gezag ontsnapte, trad de heer van Veere in maritieme zake omzeggens soeverein op, niet alleen door de uitreiking van vrijgeleiden aan de vreemde kooplui, maar ook door de uitrusting van eigen handels- en oorlogsschepen en het voeren van kapersoorlogen. Hij stond op goede voet zowel met de koning van Schotland Jacobus II, met wiens zuster zijn zoon Wolfaart gehuwd was, als met de koning van Frankrijk, Lodewijk XI, voor wie hij als « stedehouder generael by der zee » mocht optreden. Voor zijn onderdanen had hij in beide landen, evenals in Polen, belangrijke handelsprivilegies weten te verkrijgen. In tijd van oorlog werd door Filips de Goede meermaals op hem, beroep gedaan, o.a. in 1437 en 1452, respectievelijk gedurende de acties tegen de Brugse en Gentse rebellen. Het was Hendrik van Borsel, die tijdens de oorlog tegen de Wendische steden, van 1438 tot 1441, de Zeeuwse kaapvaart in het Zwin en de Noordzee leidde. Met hem moesten de hanzeaten, wilden ze in vrede handel drijven en de zee bevaren, onderhandelen als met een zelfstandige macht naast Zeeland en Holland. Wegens zijn grote ondervinding viel hem in 1449 de eer te beurt Maria van Gelder naar Schotland te begeleiden. Veere, de stad waarvan hij de heer was, speelde dan ook in die tijd de rol van vrijhaven, « ung port où chascun est receu ». Toch gedroeg Hendrik van Borsel zich in de partijstrijd tussen hoeksen en kabeljauws, d.i. tussen vijanden en voorstanders van het huis Bourgondië, die Holland verscheurde, eerder als een getrouw aanhanger van de hertogen. Niet te verwonderen dan, dat hij reeds in 1445 in de orde van het Gulden Vlies werd opgenomen. Aan zulk een bondgenoot konden de Bourgondische vorsten dus heel wat hebben. Vandaar waarschijnlijk hun redenering, dat de machtspositie van Hendrik van. Borsel eenmaal op zijn zoon Wolfaart moest overgaan en dat diens admiraalsfunctie dan tot een nog nauwere samenwerking zou kunnen leiden. Voorlopig was men evenwel nog niet zo ver.

In 1467 volgde Karel de Stoute zijn overleden vader, die hij sinds 1465 verving, als hertog van Bourgendië en vorst van de verschillende Nederlandse gewesten, op, wat het begin van een reeks vijandelijkheden met Frankrijk betekende. Sedert 1465 inderdaad was hij in een feodale vete met de koning van dat land, de beruchte Lodewijk XI, gewikkeld. Beiden streefden er bovendien naar hun invloed te laten gelden in Engeland, waar toen de burgeroorlog van de Twee Rozen of troonstrijd tussen de huizen Lancaster en York woedde. Karel de Stoute huwde in 1468 met Margaretha van York, de zuster van de toen regerende Engelse koning Edward IV, die door de machtige graaf van Warwick, Richard Nevill, bijgenaamd de "kingmaker", op de troon gebracht geworden was. Weldra brak deze laatste met de Yorks om toenadering te zoeken tot Lodewijk XI, die in eigen land de strijd tegen de feodale coalitie, geleid tegen Karel de Stoute, ingezet had. Deze wijziging in de internationale toestand dwong de Bourgondische hertog tot paraatheid op zee. Reeds in 1469 blijkt deze aan zijn vazallen opdracht gegeven te hebben voor de komende strijd oorlogsschepen uit te rusten, die door hem te Sluis van artillerie voorzien zouden worden. Aldus zien we Hendrik van Borsel eventjes acht zulke vaartuigen leveren en in gereedheid brengen Josse de Lalaing, waarvan we weten of hij in 1462 zijn vader Simon de Lalaing als admiraal van Vlaanderen opgevolgd had, twee. Een vijftal andere Vlaamse edellieden rustten elk minstens een schip uit. Ook enkele Zeeuwse en Hollandse edelen blijken hetzelfde gedaan te hebben. Elk van deze vazallen kreeg dan ook het bevel over een van de eenheden van de vloot, die uit een vierentwintigtal gecharterde Spaanse, Portugese, Genuese en Duitse vaartuigen, allemaal grote schepen als u nefs », kraken, hulken en galjassen, bestond en te Sluis en Rammekens bij Vlissingen samengetrok­ken werd. Karel de Stoute stelde tot zijn " stedehouder generael en de capiteine... van ziner wapeninge... by der zee", d.i. tot vloothoofd, Hendrik van Borsel aan. In de gelijktijdige kronieken wordt deze dan ook, zoals vroeger Jan van Hoorn, met de titel "admiral de la mer" bestempeld. Een van de eerste maatregelen, die de tijdelijke admiraal-generaal, met het oog op de komende krijgsverrichtingen, nam, was het uitvaardigen van een reglement betreffende de te geven seinen en signalen, wachtwoorden en bevelen, de te hijsen vlaggen en pennoenen, het varen in vlootverband en de tucht tijdens de strijd. Dat is waarschijnlijk het oudste tuchtreglement in zake maneuvers van een Nederlande oorlogsvloot, dat, onder de vorm van een artikelbrief, bewaard gebleven is.

Toen de graaf van Warwick, die uit Engeland was moeten vluchten en in Frankrijk bij Lodewijk XI een onderkomen gevonden had, ten nadele van de koopvaardij van de Nederlanden aan kaapvaart begon te doen en daarbij vooral het Kanaal en het Nauw van Calais onveilig maakte, besloot Karel de Stoute in te grijpen. De Bourgondische vloot verliet Rammekens in het begin van juni 1470 en slaagde er weldra in op het spoor van Warwick te komen. Deze werd dan ook verplicht in de Normandische haven Harfleur te gaan schuilen. Door Lodewijk XI gesommeerd Frankrijk te verlaten, werd Warwick op zee door Hendrik van Borsel opnieuw aangevallen en nogmaals naar de Normandische havens teruggedreven. Daarbij vielen verschillende van zijn schepen in Bourgondische handen. Dit onverhoopt succes werd evenwel snel terug ongedaan gemaakt toen de vloot van Karel de Stoute door een storm uiteengejaagd werd. Van deze gelegenheid maakten de schepen van Warwick gebruik om naar Engeland terug te keren en tijdens hun terugtocht uit een Vlaamse koopvaardijvloot zowat 16 vaartuigen te kapen. Warwick onttroonde Edward IV, die zich in oktober 1470 op zijn beurt gedwongen zag uit te wijken en in de Nederlanden bij Karel de Stoute een toevlucht te gaan zoeken. Deze hielp inderdaad de gevluchte koning aan de nodige schepen om met een zeemacht naar Engeland terug te kunnen keren. Daartoe liet hij op zijn kosten te Veere vier grote vaartuigen uitrusten — wat waarschijnlijk langs: de heer van die stad, Hendrik van Borsel, om gebeurde — en charterde hij in het geheim van de Oosterlingen nog 14 andere schepen, die hij eveneens liet bewapenen, zodat de Engelse koning al tezamen een vloot van 36 eenheden kon samenbrengen. Daarmee stak Edward IV op 10 maart 1471 naar Engeland over. Weldra keerden de krijgskansen opnieuw in zijn voordeel, nadat hij in oktober zijn tegenstrevers in de veldslag nabij Barnet, waar Warwick sneuvelde, verslagen had. Op het vasteland evenwel werd de strijd tussen Karel de Stoute en Lodewijk XI nog tot 1472 voortgezet. In Vlaanderen gingen de Vier Leden in 1471 op bevel van de hertog over tot de uitrusting van een viertal oorlogsschepen voor de beveiliging van de koopvaardij en de zeevisserij. Daarmee scheen een nieuwe opdracht voor Hendrik van Borsel te zijn weggelegd, namelijk die van de konvooiering van de vissers op zee. Met de organisatie daarvan blijkt hij zich in 1472, toe de Vlamingen geen eigen buiskonvooiers uitgestuurd hadden (114) , werkelijk te hebben bezighouden, alhoewel het zijn bastaardzoon Paul was die op zee de leiding over de konvooischepen had. Karel de Stoute, die tot dan toe ook aan de hanze, die ten nadele van de Fransen vóór de monding van de Somme aan de kaapvaart deed, steun verleend had, werd het volgend jaar door Lodewijk XI tot het sluiten van een bestand verplicht. Daarmee hield dan ook voorlopig de maritieme oorlogsvoering op.

Waarmede Hendrik van Borsel als heer van Veere zich soms bezig te houden had, was de arbitrage in zake de wettelijkheid van de gekaapte goederen, die in zijn havens door de Oosterlingen aangebracht werden. Althans zien we hem in 1471 in eerste aanleg zulk een zaak, die naderhand in beroep vóór de Grote Raad gebracht werd, regelen. Eigenlijk was het deze raad, die al de geschillen nopens de kaapvaart en de zeeroverij uit de jaren 1470 en 1471 te behandelen kreeg, gezien de bemanningen van de hertogelijke schepen zich toen te Duinkerke en elders aan roof schuldig gemaakt hadden. In 1473 werd Simon de Lalaing aangesteld tot « conseiller d'épée » van de Grote Raad, die dat jaar met een centraal gerechtshof, het Parlement van Mechelen, aangevuld geworden was. De nieuwe Grote Raad van Mechelen bleef voor het overige bevoegd in maritieme zaken, die de hertog aanbelangden.Wat er ook van zij, we zien in september 1473 Josse de Lalaing zich in zijnadmiraals functie doen vervangen niet alleen door een « stedehoudere », maar ook door zijn vader zelf. Dit gebeurde op een ogenblik, dat, op verzoek van de Vlaamse zeesteden, met de admiraal van Frankrijk en de toenmalige bestandscommissie nopens de beveiliging van de aan gang zijnde haringvisserij onderhandeld werd. Het volgend jaar zagen de steden van de Vlaamse kust zich verplicht op eigen kosten konvooischepen uit te rusten ten einde hun haringvissers op zee te beschermen . Hendrik van Borsel was inderdaad gestorven, zodat op hem en de Zeeuwse havens geen beroep kon warden gedaan.

In 1475 verbrak Karel de Stoute het wapenbestand met Frankrijk om, met de steun van Edward IV, die te Calais zou landen, de oorlog met Lodewijk XI te hervatten. Hij liet zich door de Vier Leden van Vlaanderen een « bede » van 30.000 schilden in gouden munt toekennen. Het grootste gedeelte van dat bedrag, namelijk 21.750 schilden, moest dienen voor de uitrusting, bevoorrading en bemanning van een vloot van acht oorlogsschepen, waaronder een admiraalschip van 400 vaten, een schip van 240 vaten en zes karvelen met een tonnemaat, schommelend van 106 tot 160 vaten. De gezamenlijke tonnemaat bedroeg 1.416 vaten en de bemanning telde in het totaal, zonder de opperbevelhebber, 1.018 koppen. Dit vernemen we althans uit de rekening, die betreffende deze uitrusting bewaard gebleven is. Bij genoemde vloot werden waarschijnlijk nog vijf schepen, die op kosten van het gewest Zeeland bewapend geworden waren, gevoegd.

Tot opperbevelhheber met de rang van « capitaine general de la mer », titel, die reeds vroeger door Hendrik van Borsel gedragen geworden was, stelde de hertog Wolf aart van Borsel, de nieuwe heer van Veere, aan. Deze werd in zijn taak bijgestaan door verschillende edellieden met de rang van kapitein, waaronder Jehan van Cruninghen, heer van Panrei, die het bevel voerde over de « Katharina », het Oostends konvooischip, een van de zes gecharterde karvelen. De Bourgondische vloot blijkt inderdaad in mei of juni vanuit Arnemuiden en Sluis zee te hebben gekozen om langs de Vlaamse kust naar Engeland over te steken. Karel de Stoute, die op dat ogenblik met de keizer in oorlog was en zijn tijd met de belegering van Neuss op de Rijn verloor, keerde telgat terug om nog enig nut uit de landing van de Engelsen te Calais te kunnen halen. Edward IV sloot bovendien, het wachten beu, einde augustus met Lodewijk XI een overeenkomst, zodat ook de hertog zich bij een wapenbestand diende neer te leggen. Meer dan de Engelsen begeleiden blijkt de Bourgondische vloot dan ook niet gedaan te hebben.

De admiraal van Vlaanderen, Josse de Lalaing, wiens vader toen nog steeds kapitein van Sluis was, schijnt aan de expeditie van 1475 niet deelgenomen te hebben. Het jaar voordien was hij immers -tot souverein-baljuw van het graafschap aangesteld geworden. Zijn vader, Simon de Lalaing, stierf op 15 maart 1477. Van hem zegt zijn graf­schrift te Deinze, « qu il fut en huict batailles par terre et par mer ». Op het graf van Josse, dat zich naast dit van Simon in dezelfde kerk bevindt, staat te lezen « qu'il fit plusieurs grands voyages de terre et de mer » en « qu'il prit d'assaut une isle ». Welke dit eiland was, dat door Josse de Lalaing stormenderhand veroverd werd en wanneer dit kan gebeurd zijn, weten we niet. Zeker is het, dat afgezien van de expeditie tegen Warwick in 1470, we niets meer over de heldendaden van deze admiraal vernemen. We hebben de indruk, dat Josse de Lalaing zijn admiraalsambt slechts als een waardigheid beschouwde, die hem toeliet de tiende penning op de gekaapte goederen te heffen, zonder iets anders te moeten doen dan in diplomatieke dienst te staan. Daarin zou tot aan zijn dood in 1483 weinig of geen verandering meer komen.

 

Word gevolgd

 

 

  LMB-BML 2007 Webmaster & designer: Cmdt. André Jehaes - email andre.jehaes@lmb-bml.be
 Deze site werd geoptimaliseerd voor een resolutie van 1024 x 768 en IE -11-Edge
Ce site a été optimalisé pour une résolution d'écran de 1024 x 768 et IE -11- Edge