HISTORIEK  HISTORIQUE  HISTORIC

 

De admiraals en de eigen marine van de Bourgondische hertogen 1384 - 1488 (I)


door Roger DEGRYSE

Voordracht gegeven op 5 november 1965


1. DE ADMIRAAL EN DE MARINE ONDER LODEWIJK VAN MALE EN DE EERSTE HERTOGEN (1384 - 1419)

De term admiraal is afgeleid van « admiratus », de verlatijnsing van het Arabisch-Magrib voor « amir », d.i. emir, wat commandant of officier betekende. Deze titel werd in de 12e eeuw in het Nor­mandisch koninkrijk Sicilië door een territoriaal ambtenaar gedragen. Omstreeks 1178 zien we voor de eerste maal zulk een gezagdrager tot "admiratus stolii" of hoofd van de Koninklijke Siciliaanse oorlogsvloot aangesteld worden. Genua, de handelsrepubliek, die samen met Venetië de Middellandse Zee beheerste, volgde in 1226 dat voorbeeld, toen het de « capitaneus » of kapitein van zijn galeien eveneens "admiratus" begon te noemen. De kruistochten droegen het hunne bij tot de verdere verspreiding van deze titel over gans het bekken van de Middellandse Zee en ook daarbuiten, meer bepaald in de meeste Italiaanse staten, Byzantium, de Arabische wereld, Castilië, Frankrijk en Engeland. Alhoewel oorspronkelijk gesteund op een contract van associatie met de vorst, werd het ambt van tijdelijk admiraal er overal permanent en gaf er ontstaan aan een nieuwe instelling, die van de vorst afhing en tegelijk militair, maritiem. en rechterlijk was: de admiraliteit. Deze werd door de koningen definitief ingericht in Sicilië in 1239, in Castilië in 1265, in Frankrijk en Engeland in de loop van de 14de eeuw, maar in de Nederlanden pas in 1488.

Evenwijdig of tegelijk met de ontwikkeling van de admiraalsfunctie in de oorlogsmarine verliep in de staten en republieken van Italië en de Middellandse Zee de organisatie van het commando over de handelsvloot. Deze vaarde meestal in groepsverband onder de leiding van twee door de schippers verkozen en erkende kapiteins met de titel van admiraal. Dit noemde men e in admiraalschap » of « gezworen varen », een gebruik, dat in de 14de. eeuw ook in zwang was in de westvaart of Vlaamse koopvaardij tussen de golf van Biskaje en het Zwin, de enige toen nog overblijvende uiting van onze actieve scheepvaart. Aldus zien we tot 1377 de Vlaamse westvloot door twee of meer e amiraelz van der vlote » geleid worden. Dat jaar zien we evenwel ook voor het eerst een kapitein van der vlote van Vlaenderen » in de naam van de graaf optreden. Deze kapitein ruilde in 1382 zijn titel voor die van " admiral van der Vlaemscher vloten". Ongetwijfeld was het optreden van 1377 tot 1382 van een grafelijk officier, belast met de leiding van de Vlaamse westvloot, alleen maar een tijdelijke maatregel, ingegeven door de bekommernis de westvaart in de Engelse wateren tegen de Gentse rebellen te beschermen.

Niettegenstaande de graven van Vlaanderen reeds in de 12de en 13de eeuw er toe gekomen waren in tijd van oorlog of voor hun kruistochten een vloot bijeen te brengen, moeten we toch tot 1356 wachten vooraleer we aan het hoofd van dergelijke formatie een officier met de rang van admiraal zien aangesteld worden. Dat jaar inderdaad benoemde graaf Lodewijk van Male Jacob Buuc tot "amirael van der vloten", samengesteld uit 8 grote en 4 kleine koggen en bemand met zowat 1.300 bezoldigde zeelieden en boogschutters, die hij op de Westerschelde ter verovering van Antwerpen zou uitsturen. Na afloop van de expeditie, die van augustus 1356 tot juni 1357 duurde, diende Jacob Buuc een rekening in, waaruit we heel wat vernemen betreffende de samenstelling, bemanning en bewapening van de grafelijke vloot, die uit gecharterde vaartuigen bestond, geleverd door de Duitse Hanze  en waarvan de effectieven door manschappen uit de Vlaamse kuststreek aangevuld geworden waren. Dit alles deed reeds afbreuk aan de tot dan toe geldende gebruiken in zake aanwerving van schepen en bemanningen geschoeid op de feodale gebruiken.

Een tijdelijke admiraal, aangesteld door Lodewijk van Male, trad ook op in 1378 nadat, als gevolg van de groeiende onveiligheid op zee, de graaf besloten had enkele e uitleggers », bemand met gemobiliseerde zeelieden van de kust, uit te sturen, ten einde de zeewegen op het Zwin te beveiligen. Twee jaar later, op het einde van 1380, zag de graaf zich verplicht in zijn strijd tegen de oproerige Gentenaars op de Schelde vóór Dendermonde vijf schepen, bemand met zowat 250 koppen, in te zetten. Deze kleine vloot stelde hij onder het bevel van Pieter Zoete, die als admiraal fungeerde, en van Pieter Moerman, die als hoofd van de vijf stuurlui of meesters van de schepen optrad. Van de expeditie zelf, die in oktober en november 1380 plaatsgreep, bleef een rekening bewaard, waaruit blijkt, dat, zoals in 1356, zowel de schepen als de manschappen door de graaf tegen betaling van soldij in dienst genomen geworden waren. Een andere nieuwigheid was het aanblijven naderhand van Pieter Zoete als admiraal met standplaats te Sluis, waar hij de beschikking over een grafelijke roeiboot had, dit gedurende de jaren 1381 en 1382 en misschien ook nog in het begin van 1383, toen de krijgsverrichtingen te water tegen de oproerige Gentenaars en hun trawanten hervat werden. Dat jaar werd er op de Westerschelde vóór het Land van de Vier Ambachten en het Land van Saaftinge met coghescepen ende balenghieren », verdeeld over een drietal smaldelen, gepatrouilleerd. De bevelhebber van een van deze smaldelen was Pieter Zoete. Vanaf maart 1383 stond hij, evenals de twee andere bevelheb­bers, onder het gezag van Jan Buuc, de eerste « amierael van der zee », die de totale zeemacht tellende 200 « scipmannen », waaronder 60 « scatters » aanvoerde. Over deze expeditie worden we door de rekening van de waterbaljuw van Muide of van het Zwin ingelicht. Daarin lezen we ook, dat de voor de oorlog uitgeruste schepen van « ghescut, bussepoeder ende lood » voorzien waren. Van 1356 af werd inderdaad, naast de traditionele bewapening, ook wat geschut aan boord van de schepen meegevoerd.

De titel « admiraal van de zee », die in de plaats trad van de vroegere betiteling «admiraal van de vloot», wijst ongetwijfeld op een uitbreiding van bevoegdheden. Jan Buuc had niet alleen strijd te voeren tegen de Gentse rebellen door het afsnijden van hun bevoorradingswegen, hij moest ook het Zwin en Sluis langs de zeezijde tegen moge­lijke aanvallen verdedigen, dit in samenwerking met de kapitein of plaatscommandant van die versterkte stad. Bovendien kreeg hij de kaapvaart onder zijn toezicht en mocht hij, waarschijnlijk krachtens een contract van associatie met de graaf, op de gekaapte goederen de tiende penning heffen en dus ook handlangers en dienaars als kapers uitsturen. Dezen moesten evenwel in het bezit van een hertogelijke kaperbrief zijn. Onder de mom van dit kapersbedrijf, dat vooral gericht was tegen de kooplieden, die Engeland aangedaan hadden, trad Jan Buuc in werkelijkheid zeer dikwijls als het hoofd van een bende zeerovers op, iets waarover de Duitse hanze zich ten zeerste verontrustte, wat blijkt uit haar klaagbrieven dienaangaande . We mogen dan ook Jan Buuc, die oud-burgemeester van Sluis was en op een zeker ogenblik, vóór of na 1384, tot ridder geslagen werd, als de eerste waarachtige admiraal van Vlaanderen beschouwen.

In 1384 beklom Filips de Stoute, hertog van Bourgondië, de troon in Vlaanderen. Jan Buuc bleef verder in dienst, ditmaal met de officiële titel van « admiral de Flandre », wat wijst op een vernieuwing van zijn contract. Weldra zou dan ook de kaapvaart hervat worden. De hertog droomde er inderdaad van een eigen zeemacht te verwerven en van Sluis een machtig strategisch bolwerk ter verdediging van het Zwin te maken. De stad zou worden ommuurd en voorzien van kastelen, waarvan met de bouw reeds onder Lodewijk van Male begonnen geworden was. Filips de Stoute verleende inderdaad in 1385 en 186 aan de Franse koning Karel VI, zijn neef, alle hulp toen het er op aan kwam, door het verzamelen van een groot aantal schepen, vanuit Sluis een invasie in Engeland voor te bereiden. Deze onderneming, waaraan zowel de admiraal van Frankrijk, als die van Vlaanderen mede­werkte, was nog grotendeels op feodale leest geschoeid. Weliswaar beschikte de Franse vorst over een arsenaal en een scheepstimmerwerf te Rouen en over een krijgshaven te Harfleur aan de monding van de Seine, evenals over een admiraliteit geleid door zijn admiraal, Jean de Vienne, maar hij bezat nog geen eigenlijke oorlogsvloot, die permanent kon optreden. Het waren Franse en Bourgondische edellieden, evenals talrijke vreemde kooplui, komende van de kusten van Spanje tot die van Pruisen, die het hunne bijdroegen tot de levering, optuiging en bemanning van de schepen. Wat aan vaartuigen en bevoorrading samengebracht werd, was volgens de tijdgenoten nog nooit gezien geworden. De schattingen omtrent het aantal schepen, dat voor de over­tocht klaar lag, zijn dan ook zeer uiteenlopend en gaan van 900 tot 1.600 eenheden, waaronder heel wat met twee zeilen. Filips de Stoute zou in eigen persoon aan de expeditie deelnemen met een groot schip van het « nef »-type, dat hij voor dit doel had laten aankopen, optuigen en beschilderen. Nog in december van het jaar 1386 bekostigde hij de bevoorrading van veertien vaartuigen, die door Jan Buuc, zijn admiraal, in samenwerking met Arend van der Mare, oudburgemeester van Sluis, als vennoot in de onderneming, uitgerust geworden waren. Op dat ogenblik evenwel was de expeditie, als gevolg van het lange talmen, uitgesteld geworden. Van de overtocht zelf zou er ten slotte niets meer in huis komen.

Voor Jan Buuc zelf was het avontuur nog niet afgelopen. De admiraal van Vlaanderen blijkt in het begin van het jaar 1387 de opdracht te hebben gekregen, aan het hoofd van een Spaans smaldeel, de zee te gaan verkennen, om te zien of er geen onraad vanwege de Engelsen was en tevens de Vlaamse westvloot tegemoet te zeilen, ten einde haar veilig naar het Zwin te loodsen. Hij moest dus, wellicht krachtens een nieuwe overeenkomst met de hertog, de taak van admiraal van deze vloot, die in admiraalschap vaarde, op zich nemen en door het verschaffen van « gheleede » de koopvaardijschepen beveiligen. Deze werden evenwel einde maart in het Nauw van Calais door de Engelsen opgewacht en aangevallen. Jan Buuc, die, terugwijkend naar de Vlaamse kust, Sluis poogde te bereiken, was met zijn 700 schutters en een drietal donderbussen niet opgewassen tegen de aanvallers, wie eerst 56 en daarna nog 70 vaartuigen beladen met wijn en andere goederen in handen vielen. Hij streed moedig gedurende vier uren, maar werd ten slotte in het zicht van Sluis gevangen genomen, niet­tegenstaande op het laatste ogenblik zijn vennoot Arend van 'der Mare vanuit het Zwin met een «baerdse» kwam toegesneld om hem te redden. Na aldus het grootste gedeelte van de wijnvloot te hebben gekaapt, ondernamen de Engelsen een landing in de streek van het Zwin met het oog op de vernietiging van de schepen van de aldaar gelegen expeditievloot, waarin ze niet slaagden, zodat ze zich moesten terugtrekken.

Dat de admiraalsfunctie onder Filips de Stoute op weg was permanent te warden, blijkt uit de opeenvolging van de eerste admiraals van Vlaanderen. Na ridder Jan Buuc, die in 1389 in gevangenschap te Londen overleed (1383-1389), traden na elkaar nog twee Vlaamse ridders uit de streek van het Zwin in de hoedanigheid van admiraal op. Het waren Jan van Cadzand, heer van Koksijde bij Sluis (1391-1396), die de dood vond in de slag bij Nicopolis aan de Donau, tijdens de kruistocht van Jan zonder Vrees tegen de Ottomanen, en Jan Blankaerd, kapitein-baljuw van Biervliet, die eveneens tot aan zijn dood in dienst blijkt te zijn gebleven (1401-1406). Beiden droegen de titel van admiraal van Vlaanderen.

Ridder Jan van Cadzand oefende zijn functie uit gedurende een periode van vrede, zodat we hem op zee of op de Schelde niet zien optreden. In zijn hoedanigheid van raadsheer en van admiraal vervulde hij nochtans verschillende opdrachten, die met de maritieme bekommernissen van de hertog verband hielden. Aldus ontving hij in oktober 1395 het bevel, samen met de baljuws van Veurne en Nieuwpoort, langs de Vlaamse kust tussen Sluis en Grevelinge, een onderzoek naar het gebruik van netten met te nauwe mazen, de zogenaamde "ebbezet ter", in de kustvisserij in te stellen. Hij hield zich dat jaar, samen met andere raadsheren, ook bezig met de zaak van de Sint-Christoffel, een schip, dat de hertog sinds 1388 verhuurde en dat wegens zeeroverij te Sluis aan de ketting gelegd geworden was.

Ridder Jan Blankaerd, de derde admiraal van Vlaanderen, blijkt eerst in 1401, na de hervatting van de vijandelijkheden, ongetwijfeld nogmaals na het afsluiten van een contract van associatie, in die hoedanigheid aangesteld te zijn geworden. In 1402 beschermde hij, op verzoek en op de kosten van de stad Brugge, met twee bewapende vaartuigen de Brugse kooplui, die langs de waterweg van de Antwerpse jaarmarkt terugkwamen. In 1403 en 1404 hield hij zich bezig met de kaapvaart van de "oorvers" of Vlaamse haringvissers, zodat de havenstad Biervliet, waar hij zijn standplaats had, een gevaarlijk zeeroversnest werd. Wel is waar gebeurde deze kaapvaart met de toe­lating van de hertog in het kader van een strijdplan tegen de Engelsen, maar dit juist lokte hevig verzet uit van de stad Brugge en de andere Leden van Vlaanderen, die steeds opkwamen voor de neutraliteit van het graafschap. Te veel "oorvers" vaarden immers uit zonder in het bezit van de daartoe nodige kaperbrieven te zijn. Brugge eiste dan ook telkenmale van de Vlaamse vissershavens, dat die het geroofde goed, evenals de gevangen genomen kooplui, zouden « delivreren ». Dit alles verklaart waarom we in genoemde jaren Jan Blankaerd deze havens zien afreizen.

Jan zonder Vrees volgde in 1404 zijn vader als hertog van Bourgondië en graaf van Vlaanderen op. Alhoewel de vredeshandelingen met Engeland waren ingezet, bleef de Bourgondische kaapvaart, ditmaal geleid door Victor en Hector van Vlaanderen, twee bastaardzonen van wijlen Lodewijk van Male, voortduren, wat represaillemaatregelen vanwege de Engelsen uitlokte. Deze landden inderdaad in het begin van 1405 in de streek van het Zwin en beroofden er de kleine steden, zonder dat de hertog daar veel kon tegen doen. Jan Blankaerd was toen nog steeds kapitein van Biervliet en admiraal en moet het jaar nadien gestorven zijn.

Na 1406 horen we geruime tijd van de admiraal van Vlaanderen geen gewag meer maken. Wel is waar was er dat jaar een tijdelijk wapenbestand gesloten, maar toch bleef de kaapvaart van de Vlaamse korvers voortduren en dit tot 1419, toen de sinds lang aanslepende bestandsonderhandelingen eindelijk hun beslag kregen. Wellicht daarom kwam Jan zonder Vrees dat jaar ertoe opnieuw een admiraal aan te stellen. Het was Victor van Vlaanderen, heer van Oostburg en sinds 1418 kapitein van Biervliet. In verband met zijn nieuwe taak zien we Victor in 1419 de Vlaamse kust afreizen en er in de verschillende havensteden zijn commissiebrief aan de schepenen voorleggen. Dit is evenwel ongeveer ook alles wat we over hem als admiraal vernemen. Op 10 september 1419 werd Jan zonder Vrees op de brug te Montereau door de Armagnacs, zijn tegenstrevers in Frankrijk, vermoord. Met zijn dood eindigt de eerste faze in de geschiedenis van de admiraals van Vlaanderen.

 

2. DE ADMIRAAL EN DE MARINE ONDER FILIPS DE GOEDE (1419 - 1467)

Filips de Goede, die in 1419 zijn vermoorde vader opgevolgd had, sloot reeds het jaar nadien met de Engelse koning een verdrag, dat tot 1435 nageleefd zou worden. De bijzondere gunstige toestand, die daardoor gedurende vijftien jaar in de betrekkingen tussen Vlaanderen en Engeland heerste, verklaart waarom de hertog alsdan de organisatie van zijn zeemacht verwaarloosde. Van de admiraal van Vlaanderen horen we gedurende gans deze periode geen gewag maken. Toch manifesteerde zich ook bij Filips de Goede weldra de belangstelling voor het schip. Tijdens de Hollandse oorlog, toen hij het tegen zijn kinderloze nicht Jacoba van Beieren, gravin van Henegouwen en Zeeland-Holland, opnam, werd hij voor het eerst geconfronteerd met de kwestie van de zeemacht. In 1426 en 1427, vóór en na de slag bij Brouwershaven, diende de hertog op de schepen van de Vlaamse zeesteden beroep te doen om een vloot samen te stellen. In oktober 1426 kocht hij een « balengier » of oorlogsroeiboot, die hij te Sluis liet optuigen en be­wapenen en nadien sturen naar zijn zegevierende veldheer in Holland, de befaamde Jean de Villiers de l'Isle-Adam. Hij zelf deed zijn verplaatsingen op de Hollandse wateren door middel van een « pleite », die door zijn hofschilder met zijn blazoen beschilderd geworden was . In 1433, met de troonsafstand van Jacoba, trad Filips de Goede definitief in het bezit van het door hem reeds bezette Zeeland en Holland. Daardoor strekte het maritiem gebied, waarover hij heerste, zich voortaan uit van Friesland tot nabij Boulonnais. Alleen de kleine Engelse enclave rond Calais ontsnapte nog aan zijn gezag.

De Franse vooruitgang in de strijd tegen Engeland bracht Filips de Goede er in 1435 toe met dat land te breken na het sluiten van een voordelige vrede met de Franse koning. Deze stond hem de steden langs beide oevers van de Somme en het graafschap Boulogne af. Reeds het jaar nadien, in juli 1436, ging de Bourgondische hertog over tot het beleg te land en te water van Calais door middel van een leger van stedelijke milities en van een kleine vloot van Vlaamse en Zeeuwse schepen. Tot « amirael van der zee » had hij ridder Jan van Hoorn, heer van Baucignies en sinds 1429 kapitein van Nieuwpoort, aangesteld en zich tegenover hem door contract verbonden tot de uitkering van niet minder dan 15.000 gouden « ridders » in ruil voor de obstructie van de havengeul van Calais. Tot de vloot van zowat dertig gecharterde eenheden behoorden ook negen schepen, die op kosten van de hertog gewapend geworden waren, waaronder het hertogelijke schip, het admiraalsschip, het schip van ridder Alure de Brith en de « talengier » van ridder Pierre de Beffroymont, heer van Chargny. Laatst­genoemd vaartuig was reeds enkele maanden voordien vanuit Nieuwpoort, standplaats van de admiraal, voor de kaapvaart ingezet geworden en dit heel waarschijnlijk met de toestemming van Filips de Goede. Het was overigens op kosten van de hertog door de heer Chargny aangekocht en uitgerust geworden. Op 25 juli kwam de hertogelijke vloot, na haar vertrek uit Sluis, vóór Calais, dat reeds te land door de Vlaamse milities belegerd werd. Jan van Hoorn slaagde er evenwel niet in de havengeul door middel van vier tot zinken gebrachte schepen te blokkeren. Wat erger was, hij moest zich reeds de volgende dag voor de Engelse vloot terugtrekken. Zijn smadelijke terugtocht had ook die van de Vlaamse milities voor gevolg. Weldra verscheen de Engelse vloot voor de Vlaamse kust, waar ze Sluis bedreigde en een landing wou ondernemen. Te midden van de alge­mene ontevredenheid werd Jan van Hoorn op 13 augustus 1436, tijdens een opstootje, in de nabijheid van Oostende zo zwaar verwond, dat hij een week later aan de opgelopen kwetsuren overleed. Feitelijk verdween met hem niet een admiraal van Vlaanderen, maar een tijdelijk vloothoofd.

De dood van de admiraal en de Engelse bedreiging brachten de Vier Leden van Vlaanderen er toe, door de mobilisatie van de kustbevolking en van schepen, zelf de verdediging van de kust op zich te nemen. Toch ging ook de hertog over tot de uitrusting en de bewapening van een galei, die hij te Sluis had laten bouwen. Bovendien stelde hij ditmaal een permanente admiraal van Vlaanderen aan. Het was een ridder van de orde van het Gulden Vlies, Simon de Lalaing, heer van Saintes en later van Montigny, afkomstig uit Henegou­wen. Reeds op 30 september 1436 bood zich te Nieuwpoort bij de schepenen Simon filius Clais aan « met ziner commissie als stedehoudre van mijn heere den admirael». Alhoewel de admiraal zelf ook op 2 januari 1437 in deze stad aankwam, moeten we tot mei van dat jaar wachten vooraleer we hem, die maand de Vlaamse kust zien afreizen, waarschijnlijk met het oog op het uitrusten van schepen en het ronselen van vrijwilligers voor een kaperstocht in de Engelse wateren, meer bepaald tegen Calais, waaraan hij persoonlijk zou deel­nemen. Simon de Lalaing leidde ook, zoals vroeger zijn voorganger Jan Buuc, vanuit Sluis de kaapvaart te nadele van de kooplui, die op Engeland vaarden. Daarbij werden door zijn dienaars of vennoten niet alleen Engelse, maar ook hanzische schepen en goederen buit ge­maakt. Deze activiteit, die nogmaals wijst op een associatiecontract tussen hertog en admiraal, werd kortstondig onderbroken in juli 1437, toen Filips de Goede Simon de Lalaing tot kapitein van Sluis aanstelde, ten einde die stad tegen de rebellerende Bruggelingen, die haar beleger­den, te verdedigen. Ze werd tenslotte einde augustus 1438 stop­gezet, toen de hertog, op verzoek van de Vier Leden van Vlaanderen. alle kaperbrieven schorste of terug introk. Vóór die tijd reeds had­den de Vier Leden zich met het kapen van een Keulens schip door de admiraal bezig gehouden, terwijl een scheidsrechterlijke commissie, samengesteld uit hertogelijke raadsheren, dezelfde functionaris verplicht had de Duitser Jorg von Schauenberg, die hij als gijzelaar gevangen hield, terug in vrijheid te stellen. De schorsing van de vijandelijk­heden met Engeland in 1438 werd dan ook reeds het volgend jaar door het herstel van de goede betrekkingen en het afsluiten van een handels­akkoord met dat land gevolgd.

Na de oorlog met Engeland werd Filips de Goede in 1438 betrokken in het conflict tussen Holland en de Wendische steden, die tot 1441 zou blijven duren. Tijdens deze vijandelijkheden zagen de hertog en zijn admiraal van Vlaanderen zich door de zeelui van Amsterdam van twee schepen beroofd worden, wat wijst op het voortbestaan van de hertoge­lijke koopvaardij en kaapvaart door middel van associatie. Alhoewel gedwongen voor zijn Zeeuwse en Hollandse onderdanen partij te kiezen, nam de hertog zelf geen actief deel aan de oorlog. Er is dan ook in die tijd geen sprake van een hertogelijke admiraal voor Zeeland en Holland, alhoewel Hendrik van Borsel, heer van Veere, die door het bezit van schepen machtig op zee was, alsdan van zich deed spreken Simon de Lalaing was toen als admiraal van Vlaanderen blijkbaar nog steeds de enige functionaris van die aard in de Nederlanden. In 1439 en 1440 zie we hem in deze hoedanigheid nog een bezoek brengen aan de Vlaamse kuststeden. Daarna, van 1441 tot 1445, trad hij er nog op als hertogelijk commissaris voor de controle van de stadsrekeningen en de vernieuwing van de schepenmandaten. Hij was ook van 1441 tot 1449 baljuw van Amiens en werd daarna terug kapitein van Sluis, ambt dat hij tot 1477 zou blijven uitoefenen. Gezien de langdurige vrede, die tot 1464 heerste, horen we na 1440 van Simon de Lalaing, als admiraal, niet veel gewag meer maken. Dezes functie bleefs noch­tans bestaan en was nog steeds voor het toezicht op het naleven van de gebruiken en ordonnantiën in zake de kaapvaart en de verdeling van de opbrengst van de gekaapte goederen van belang. Wie we vanaf 1445 over de wettelijkheid van deze gebruiken zien waken, was de « stedehoudere van edelen ende weerden mer Simoen de Lalaing, admirael van der zee in Vlaendren ». Dit stellen we althans vast te Duin-kerke in 1443 (66) en te Sluis in 1455.

Dat de admiraal van Vlaanderen voortaan een hofdignitaris was, die weliswaar in het genot van bepaalde prerogatieven in zake de kaap­vaart bleef, waaronder de heffing van de tiende penning op de gekaapte goederen, wijst op een nieuwe faze in de ontwikkeling van zijn functie. In dezelfde periode stellen we overigens het bestaan van een tweede admiraalsambt vast, namelijk dit van « general admiral de la mer d'Artois, de Boulenois, de Hollande, Zeelande et Frise ». Deze titel werd gedragen en dit blijkbaar voor de eerste maal, aangezien er in genoemde gewesten tot dan toe geen admiraal gefungeerd had — door Jan van Luxemburg, bastaard van Saint-Pol en heer van Haut­bourdin. Evenals Simon de Lalaing, was hij ridder van de orde van het Gulden Vlies en lid van de grote hertogelijke raad, die in 1446 door Filips de Goede in het leven geroepen geworden was. Voordien reeds had hij zich met andere raadsleden, leden van de private raad van de hertog, met geschillen betreffende de kaapvaart bezig gehou­den. Wanneer juist Jan van Luxemburg tot admiraal-generaal van alle maritieme gewesten, uitgezonderd Vlaanderen, aangesteld werd, weten we niet, maar het kan kort na de oprichting van de Grote Raad geweest zijn. In de loop van het jaar 1448 zien we hem inderdaad als hertogelijk afgezant te Calais deelnemen aan onderhandelingen met de Engelsen betreffende de klachten tegen zeeroverij. In verband daar­mee kan ook gebracht worden een schrijven van Filips de Goede aan zijn audiencier van 3 april 1449 met het bevel aan de heer van Haut­bourdin vrijgeleiden te overhandigen bestemd voor twee Engelse rid­ders. Dat jaar werd inderdaad de Honderdjarige oorlog, die in 1445 onderbroken geworden was, door Frankrijk hervat. Drie jaar later, in 1452, wordt er in een vrijgeleide, die de hertog aan zijn wapensmid, met het oog op een reis naar Milaan, gaf, melding gemaakt van de « admiraulx » en « visadmiraulx » naast allerlei andere militaire gezag-dragers, tot wie het paspoort gericht was. Met deze vermelding, die we maar éénmaal aangetroffen hebben, werden misschien de beide admiraals van de Bourgondische maritieme gewesten en hun luitenanten bedoeld, tenzij er sprake was van vreemde admiraals. Van één enkele admiraal-generaal voor al de Nederlanden samen kan op dat ogenblik dus nog steeds niet gesproken warden.

De eindfaze van de Honderdjarige Oorlog, gaande van 1449 tot 1453, tijdens dewelke de Engelsen overal uit Frankrijk, uitgezonderd Calais, verdreven werden, was ook van belang voor de eigen marine van Filips de Goede. In 1448 en 1449 liet de hertog te Antwerpen vijf galeien bouwen en uitrusten voor de reis van Maria van Gelder, zijn nicht, naar Schotland, waar ze met koning Jacob II in het huwelijk zou treden. De reis en het huwelijk grepen inderdaad in 1449 plaats. Het was evenwel niet een van de beide admiraals, die de prinses naar haar nieuw vaderland begeleidde, maar wel Hendrik van Borsel, heer van Veere, die daartoe zijn kraak ter beschikking gesteld had. Toch vinden we op het ogenblik, dat de overtocht plaats greep, namelijk in juni 1449, de hertogelijke galeien in het Kanaal vóór de kust van Bretagne. Wat ze daar deden, is ons niet zeer duidelijk, aangezien de kraak van de heer van Veere langs de Noordzee Edinburgh bereikt had. Wellicht lagen ze in het Kanaal om diens terugkeer te beveiligen, aangezien Engelsen en Fransen de vijandelijkheden juist opnieuw in­gezet hadden. Hendrik van Borsel was overigens sinds 1445 « lieute­nant general sur le fait de la guerre de la mer » van de Franse ko­ning. Naderhand, in 1450, liet Filips de Goede voor zijn galeien te Duinkerke, Nieuwpoort en Sluis en wellicht ook te Antwerpen galeihuizen bouwen. Te Duinkerke werd de galei « la Gaillarde » onder­gebracht (") , te Nieuwpoort de « groote galeye » en te Sluis even­eens een of meerdere van die vaartuigen. Misschien was het in verband met het onderdak brengen van deze schepen tij dens de winter­maanden, dat we op 23 januari 1451 Simon de Lalaing en de graaf van Etampes Nieuwpoort zien bezoeken.

Filips de Goede kwam ook tussen in de strijd om Bordeaux. Daar­heen stuurde hij in 1451 zijn « busse de Neufport », een klein vaartuig van het buistype met open dek, dat toen zowel voor de koopvaardij, als voor de zeevisserij gebruikt werd. De stuurman van dat schip was de Nieuwpoortnaar Antheunis Pleyte, die in december 1450 door de hertog tot zijn « sergent d'armes aux honneurs » aangesteld was. Bordeaux viel evenwel in de loop van het jaar 1452 terug in de handen van de Engelsen. Na in deze stad bij een Genuees wisselaar een zeeverzekering « a l' aventure » te hebben gesloten, keerde stuurman Pleyte met de hertogelijke buis in het voorjaar van 1453 naar Nieuwpoort terug. Dat de hertog dat jaar mede de hand had in de uiteindelijke bevrijding van Bordeaux door het sturen van een vijftiental Zeeuwse en Hollandse hulken, die zich aansloten bij de Franse vloot, geleid door de admiraal van Frankrijk, staat vast. Toch is het ook mogelijk, dat zowel de buis van Nieuwpoort, als de vijftien hulken tevens met commerciële doeleinden, meer bepaald in het kader van de westvaart, uitgestuurd geworden waren. De hertog had immers ook in 1452 zijn « balengier », de « Sainte Marie de Bouloigne », die toen te Sluis lag, laten herstellen, uitrusten en bemannen met het oog op handelsreizen door middel van associatie. Het vaartuig werd zelfs enkele jaren later tijdens een dergelijke reis door de Katalanen beroofd, zodat het in 1456 volledig hersteld, opgekalfaterd en uitgerust diende te worden.

De slotfaze van de Honderdjarige Oorlog had ook in Vlaanderen een belangrijke weerslag, namelijk de Gentse opstand. Geoffroy de Thoisy, de commandant van de hertogelijke galeien, kreeg onder zijn bevel nog verschillende andere schepen met als standplaats Antwerpen. Van daaruit ondernam hij in 1452 en 1453 verschillende expedities ten einde de voedseltoevoer langs de Schelde in de richting van Gent af te snijden. Op te merken is, dat de hertogelijke galeien sedert 1444 met galeiboeven bemand waren, wat een grote nieuwigheid was, welke door de Fransen overgenomen werd. Zo werden in 1452 te Antwerpen boeven uit Mechelen ingescheept.

Eigenlijk was de belangrijkste maritieme activiteit van Filips de Goede op het einde van de Honderdjarige Oorlog aan het kruistochtideaal gewijd. De hertog stuurde in 1441, 1444 en 1464 naar de Middellandse Zee telkens expedities uit, hetzij om er het bedreigde Rhodos bij te staan, hetzij om hulp te bieden aan Constantinopel tegen de Turken, hetzij om na de val van die stad weerwraak te nemen. Het resultaat van deze initiatieven, die tot 1430 opklommen, was de vorming van een schare dappere ridders ter zee, die als het ware hun sporen op het schip verdiend hadden. Onder hen vinden we niet alleen Sanche de Lalaing, Geoffroy de Thoisy en Bertrandon de La Brocquière, die reeds omstreeks 1432 in Palestina op verkenning geweest waren, maar ook Walerand de Wavrin, die van 1444 tot 1449 kapitein-generaal van de Bourgondische vloot in de Middellandse Zee was en dus als een soort admiraal fungeerde, dit nogmaals na een associatieakkoord met de hertog. In 1464-1465 was het Simon de Lalaing, die Antoon van Bourgondië naar Ceuta en Marseille vergezelde.

Indien we over de verschillende schepen, die door Filips de Goede voor allerlei doeleinden gebruik werden, zo weinig te weten komen, dan is het omdat de hertog meestal op eigen houtje tewerk ging. Over het algemeen charterde hij zelf de nodige vaartuigen of deed hij ze voor eigen rekening bouwen. De uitgaven daartoe werden zeer dikwijls door zijn «heymelicke tresor» of private schatkist gedragen. De archieven van deze private financiële dienst, die in het Frans « l'Epargne » genoemd werd, gingen in 1793 grotendeels door brand verloren, wat verklaard waarom slechts weinig documenten in verband met de hertogelijke scheepsbouw of vlootuitrustingen bewaard bleven. Dat dit spijtig is, blijkt alleen reeds uit de schaarse gegevens over de bouw van hertogelijke schepen te Antwerpen. Volgens de Antwerpse annalen en kronieken zouden in de Scheldestad in de periode lopende van 1439 tot 1464 niet minder dan tien vaartuigen, vooral galeien, gebouwd geworden zijn.

De kruistochtplannen van Filips de Goede en de langdurige vrede verklaren waarom het admiraalsambt meer en meer een waardigheid, opgedragen aan een ridder van de orde van het Gulden Vlies, werd, terwijl als waarachtige bevelhebber over een vloot of een smaldeel een kapitein of een luitenant-generaal fungeerde. In 1466 stierf Jan van Luxemburg, bastaard van Saint-Pol, die tot aan zijn dood admiraal van Artezië, Boulonnais, Zeeland, Holland en Friesland was, maar die we nooit op zee zagen optreden. Toch was de admiraalsfunctie niet zonder inhoud gebleven.

Op het einde van de Honderdjarige Oorlog, in 1453, kwam Filips de Goede er eindelijk toe de bevoegdheid van zijn Grote Raad op maritiem gebied nauwer te doen omschrijven. Volgens de Bourgondische rechtsgeleerde Wielant, kreeg dit lichaam in 1454 bij haar reorganisatie alles wat betrof de represailles op zee, de kaapvaart, de « prij­zen », de admiraalsfunctie, de koopvaardij en de vredesverdragen in zijn competentie. Dit hield dus wel degelijk in, dat het admiraalsambt permanent geworden was en dat de Grote Raad als een soort admiraliteitsraad kon optreden en vrijgeleiden uitreiken. Na eerst een rond­reizend lichaam te zijn geweest, werd de Grote Raad in 1464 gevestigd te Mechelen, waar hij zou blijven bestaan en functioneren tot 1504. Het ligt dan ook voor de hand, dat deze nieuwe stap een verdere ontwikkeling van de admiraalsfunctie betekende, maar daarover vernemen we niets meer. De raadsheren hielden inderdaad aanvankelijk hun archieven niet bij. Dat ten slotte de admiraalsfunctie was blijven voortbestaan zonder erfelijk te zijn geworden, is een vaststelling, die zeker niet zonder belang is.

 

Wordt gevolgd

 

 

  LMB-BML 2007 Webmaster & designer: Cmdt. André Jehaes - email andre.jehaes@lmb-bml.be
 Deze site werd geoptimaliseerd voor een resolutie van 1024 x 768 en IE -11-Edge
Ce site a été optimalisé pour une résolution d'écran de 1024 x 768 et IE -11- Edge