BELGISCHE MARITIEME LIGA  vzw.
LIGUE MARITIME BELGE  asbl.

Koninklijke Vereniging - Société Royale

HISTORIEK  HISTORIQUE  HISTORIC

 

Een Antwerps zeeman: marine-officier en zeereder Joseph Muskeyn 1763-1842 (II)

 

Muskeyn, die nu bevel had gekregen zijn eenheden tussen La Hougue en Le Havre te verdelen, kon nog vanuit deze havens enkele raids ondernemen en de vijand gevoelige slagen toebrengen.

In een dergelijke aangelegenheid op het einde van de maand mei 1798 was Muskeyn met zijn flottielje uit Le Havre vertrokken, toen hij van vissers kon vernemen dat twee Franse korvetten, de Vésuve en de Confiante, door een tiental Engelse oorlogsschepen aangevallen werden. Om aan deze overmacht te ontsnappen hadden de twee korvetten zich laten stranden; een ervan, de Confiante, werd door de Engelsen in brand gestoken. Muskeyn snelde met zijn schepen ter hulp van de tweede; na een lang zeegevecht bracht hij acht stukken geschut aan land om vanuit de duinen de vijand te beschieten, die aldus op de vlucht werd gedreven; daarna kon hij de Vésuve veilig naar Le Havre terugbrengen.

Na dit treffen en al de andere ervaringen van de flottielje kon Desbrière, de geschiedschrijver van de landingspogingen, de conclusie trekken dat de flottieljeboten ook grote oorlogsschepen met succes konden bestrijden; de manschappen hadden vertrouwen gekregen en de aanvoerders ervaring opgedaan... Nochtans zou het nog drie jaar duren eer men deze schepen opnieuw zou aanwenden.

Inderdaad het Franse Directoire was ondertussen tot een meer afwachtende houding tegenover Engeland gekomen, een période d'abandon, zoals Desbrière het uitdrukt. En zo gebeurde het dat op het einde van de zomer van 1798 de flottielje van Muskeyn in Le Havre opnieuw ontbonden werd.

Dit belette niet dat er toch nog plannen werden voorbereid. In de zomer van 1799 werd aan een hoger zeeofficier, admiraal Leissègues, opgedragen een inspectietocht langs de kusten van Antwerpen tot Saint-Malo te ondernemen. Kapitein-ter-zee Muskeyn werd hem als adjunct toegevoegd.

Muskeyn werd ongetwijfeld gekozen om zijn kennis van de kusten, de havens en de waterwegen in bedoelde gebieden en om zijn ervaring van de navigatie in die wateren. Hij zou degenen die hem benoemd hadden zeker niet teleurstellen. Gedurende heel de tocht toonde hij zich bijzonder actief en tevens bevoegd.

In zijn eindverslag spreekt Leissègues zich zeer lovend uit over zijn adjunct en brengt tevens hulde aan zijn ijver en activiteit, aan zijn kennis van de lokale omstandigheden en ervaring in de navigatie van lichte vaartuigen.

In de fase van het onderzoek met betrekking tot de loop van de Schelde van Antwerpen tot Vlissingen werden zijn kennissen bijzonder op prijs gesteld door de admiraal, die niet aarzelde zijn adjunct warm aan te bevelen voor de nakende reorganisatie van de Franse marine.

En nochtans ... alle lovende aanbevelingen ten spijt, toen de voorziene reorganisatie van de marine een goed half jaar later, nl. op 14 augustus 1800, doorging', werd kapitein-ter-zee Muskeyn niet weerhouden; op 19 november kreeg hij van de Minister van Marine officieel bericht van zijn ontslag.

Na al zijn inspanningen en volledige inzet moet het voor hem een zeer zware slag geweest zijn. In een brief klaagt hij erover dat hij „in de bloei van zijn leven ontslagen werd en dat hij, na een vaste bediening in de Zweedse vloot te hebben opgegeven, een beter lot in zijn nieuw vaderland had kunnen verwachten". Hij heeft zelfs herhaaldelijk moeten aandringen om de hem nog verschuldigde wedden en het door de wet voorziene pensioen te mogen ontvangen; hij had, zo schrijft hij, „na 11 maanden nog niets ontvangen en beschikte over geen andere bestaansmiddelen". De pensioenskwestie werd echter weldra geregeld en op 1500 Fr. vastgesteld, twee jaar later tot 1200 Fr. herleid, maar nadien tot aan zijn dood op het oorspronkelijke bedrag teruggebracht.

Zo kwam er een abrupt en gedwongen eind aan de militaire carrière van onze Antwerpse zeekapitein; na al die jaren actie en beweging, verantwoordelijkheden en risico's in vreemde landen en zeeën, moest de 38-jarige zeeofficier zich nu aan een nieuw leven, het burgerleven, in zijn geboortestad trachten aan te passen.
Toen Muskeyn naar Antwerpen terugkeerde, bleef hij zijn zeemansroeping getrouw, maar richtte zich naar de handelsscheepvaart; het zou dus een kalmer leven worden, een soort anti-klimax na de woelige oorlogservaringen.
Op gebied van koopvaardij was de toestand in Antwerpen toen niet erg schitterend. De vrijheid van scheepvaart op de Schelde was weliswaar door de Fransen hersteld, maar in feite was er gedurende heel die periode zeer weinig beweging omreden van de oorlog met Engeland.

Anderzijds, juist om diezelfde reden heerste er te Antwerpen, althans na het bezoek van Bonaparte in 1803 een intense bedrijvigheid om van Antwerpen een oorlogshaven te maken; nieuwe dokken werden gegraven, nieuwe scheepswerven aangelegd. Antwerpen werd de basis van een vlooteenheid, de Escadre de l'Escaut, die trouwens in het verweer tegen de Engelse aanval op Walcheren en in de zeeslagen in de Noordzee ingezet zou worden.

Men kan zich het spijt inbeelden van ex-zeeofficier Muskeyn, die in zijn eigen stad de stille getuige moet zijn van al die activiteit, die hem nauw aan het hart moest liggen, met zeeofficieren die hem zeker bekend waren en met plannen voor een landing in Engeland volgens zijn opvattingen en een tactique die door hem eerst werd ontworpen en waarbij hijzelf niet meer zou betrokken zijn.

Maar de dappere en ondernemende oud-militair was zeker niet een man om bij de pakken te blijven zitten; de tijd van de oorlogsmarine was voorbij, dan maar zich toeleggen op koopvaardij en havenactiviteiten.
En inderdaad, de aangehaalde levensbeschrijvingen melden een hele reeks diensten en opdrachten waarbij hij bedrijvig zou geweest zijn: handelsrechtbank, scheepsinspectie, zeerederij, zeeverzekeringen, scheepsbouw; tevens zou hij zijn medewerking verleend hebben aan verschillende officiële commissies betreffende o.a. loodsenorganisatie, zeevaartonderwijs, zeevisserij. Over al deze activiteiten was het niet mogelijk documenten terug te vinden. Voor sommigen ervan echter zijn er wel enkele belangwekkende gegevens bewaard gebleven.
Dat men vrij vroeg na zijn terugkeer Muskeyn's technische kennissen en ervaring erkende en waardeerde blijkt uit zijn benoeming in 1802 tot lid van de commissie voor de organisatie van het loodwezen. op de Schelde. Het was immers gebleken dat er een echte nood bestond aan ervaren loodsen voor de navigatie tussen Antwerpen en Vlissingen. De commissie moest een reglement opstellen over de oprichting, de prestaties en de bevoegdheid van een loodsdienst op de Schelde. Het voorstel van Reglement door de commissie opgesteld, werd door de Minister op 14 oktober 1802 goedgekeurd en onmiddellijk daarna, op 28 november reeds, werd in Antwerpen de administratie van het loodswezen door de diensten van de Prefect van het Departement ingericht.

Muskeyn heeft in deze commissie een zeer positieve bijdrage geleverd, zoals hijzelf in een brief aan het Stadsbestuur met een zekere trots nadien kan vermelden.

In hetzelfde jaar 1802 werd er aan Muskeyn een andere, meer betekenisvolle opdracht toevertrouwd. De Rechtbank van Koophandel moest ingevolge de wet van 13 augustus 1791 (loi sur la police de la navigation et des ports) de scheepsinspectie in de haven invoeren.

De rechtbank richtte zich tot Muskeyn om daarvoor een vaste commissie te vormen en het bestuur ervan op zich te nemen. De Commissie werd op 19 augustus 1802 opgericht als "Commission du Tribunal de Commerce pour la Visite des Batzmens »
in het Nederlands Commissie tot het examineren der scheepen".  Dezelfde commissie bestaat trouwens nog altijd onder de benaming „Nautische Commissie bij de Rechtbank van Koophandel'. Muskeyn mag dus terecht als stichter en eerste voorzitter beschouwd worden van deze voor onze scheepvaart en onze haven zo belangrijke instelling. Hij zou de verantwoordelijkheid ervan blijven waarnemen, ook nog later onder het Hollands en onder het Belgisch bewind.
De functie van de Commissie bestond erin een scheepsbezoek in te stellen bij vertrek en bij aankomst van de zeereis en ook in geval van averij; later zouden er nog andere taken toegevoegd worden. Bij aankomst van het schip werd „de sluiting der luiken en de staat der stuwing" nagegaan; bij vertrek werd vastgesteld of het schip in staat was lading in te nemen en een zeereis te ondernemen.
De activiteit van de Commissie kan men volgen aan de hand van de talrijke bezoeksattesten welke op de Rechtbank van Koophandel bewaard moesten worden; ze waren telkens door de experten ondertekend.
Diezelfde fiere handtekening van Muskeyn, die eertijds onder rapporten van dappere krijgsverrichtingen stond, vindt men nu terug onder nuchter-zakelijke verklaringen van luikennazicht en averijconstataties ... het is wel een treffend contrast.
Voor de experten was deze scheepsinspectie zeker geen sinecure; geregeld elke dag of om de twee dagen, maar soms ook twee of driemaal per dag, werd er op de commissie beroep gedaan; het moest dan wel een geloop zijn van de ene kaai naar de andere ... en of er een dienstwagen of -koets ter beschikking werd gesteld wordt ook nergens vermeld. De haven was weliswaar in deze eerste helft van de 19e eeuw nog beperkt tot de Schelde-kaaien en de twee eerste dokken.
In 1814, bij de intrede van de geallieerde legers in Antwerpen, hetgeen het einde betekende van het Franse bewind, wilde de Rechtbank in haar laatste vergadering onder het vroeger regime, op 12 mei 1814, aan de voorzitter van de Commissie een bijzondere hulde brengen; een plechtige verklaring werd afgelegd, waarvan hem een brevet werd aangeboden; daarin prees men „zijn eerlijkheid, ijver, competentie en kennis van de scheepvaartwetten", alsook dat hij zijn functies had vervuld „met de algemene en volledige tevredenheid van de handelswereld en zonder dat er ooit één enkele klacht tegen hem werd geuit" .
Daar Rechtbank en Commissie hun taken voortzetten onder het Nederlands en later het Belgisch bewind, bleef Muskeyn zijn voorzitterschap behouden.
Muskeyn heeft deze opdrachten tot enkele jaren voor zijn overlijden uitgevoerd; tot in 1839 — hij was toen 76 jaar oud — vindt men attesten door hem ondertekend. Of zijn ontslag in 1839 min of meer afgedwongen werd, zoals zijn medeexpert Gras het beweert, is niet duidelijk.
Na zijn aftreden echter schreef Muskeyn nog aan de Minister om de wens uit te drukken zijn lange ervaring nog op enige wijze in dienst te kunnen stellen van scheepsvaart en haven; de Minister antwoordde zeer vriendelijk om hem voor dit „loffelijk en belangloos" aanbod zijn dank te betuigen.
Kort na de instelling van de commissie voor het scheepsbezoek zou Muskeyn een nogal pijnlijke teleurstelling oplopen. Begin 1803 moest er een havenkapitein voor Antwerpen benoemd worden. Muskeyn stelde zich kandidaat en schreef ook naar Parijs voor aanbevelingen. Ondanks zijn schitterende dienststaat werd hij niet benoemd en gaf de Antwerpse maire de voorkeur aan een andere kandidaat die de gunst van de Franse Préfet d'Herbouville genoot, maar zeker niet de titels van Muskeyn kon voorleggen. Deze schreef nog een lange brief aan de leden van de stadsraad, waarin hij gewag maakt van zijn graad van kapitein-ter-zee en van zijn Antwerps burgerschap; het kon echter niet baten. Was het misschien nog de herinnering van de onpopulaire anwervingscampagne van 1795 die hem nu nog parten speelde?
Indien de scheepvaart en de havenactiviteiten zich slechts moeilijk onder het Franse bewind konden ontwikkelen, kwam er sedert 1815 onder het Hollands regime een ware heropleving. Er werden toen talrijke rederijen opgericht; in 1830 waren er niet minder dan 95 rederijen met samen 196 schepen in de Belgische havens gevestigd.
Het is waarschijnlijk dat in het raam van deze heropleving ook Muskeyn zijn rederij stichtte. Alhoewel het niet mogelijk is te weten wanneer de onderneming begon, kan men aannemen dat ook hij van dit gunstig klimaat gebruik heeft gemaakt.
Over de verrichtingen van de rederij zijn er geen documenten overgebleven. In de bewaarde registers van de classificatie maatschappij Bureau Veritas staat er voor 1829, jaar van het eerste register, een schip op Muskeyn's naam ingeschreven, de Josephine, een brik van 280 ton, en voor 1830 komt er een tweede bij, Vrede of Paix genaamd, een brik van 120 ton. Beide schepen werden regelmatig in de vaart op Rio-de-Janeiro ingezet; er wordt trouwens vermeld dat de schepen van Muskeyn de eerste waren om na 1830 de Belgische vlag in een Braziliaanse haven te vertonen.
Voor einde 1835 is er van de rederij Muskeyn geen enkele vermelding meer te vinden Van de schorsing van het bedrijf zijn er al evenmin bescheiden bewaard als van de oprichting ervan. In de aangehaalde Veritas-registers blijft de Josephine van reder Muskeyn vermeld tot in 1835, het tweede schip Vrede (of Paix) tot in 1833. In de officiële lijst van de Belgische koopvaardij.

Het is ook in het teken van deze heropleving van de koopvaardij dat het initiatief van Muskeyn moet gezien worden om het eerste Zeemans Collegie in Antwerpen op te richten. De vereniging werd op 3 juni 1819 officieel gesticht en de statuten op de vergadering van 18 juni 1819 goedgekeurd. Muskeyn werd zelf Directeur-President, Penningmeester werd zijn schoonbroeder L. Vermoeien en F. Baele werd Secretaris.

De vereniging die was „zaemen gesteld uyt vaerende en rustende zeecapiteins" zou tweemaal per week vergadering houden. Verder werden er ook „zeekaerten, boeken, atlassen en papieren" ter beschikking van de leden gesteld.

Een belangrijk artikel van de „Reglementen" voorzag dat elk lid bij zijn aankomst van overzee binnen de acht dagen aan het Collegie zou mededelen „al het merkweerdige der Navigatie hetwelk tot nut van het Collegie dienende is", en dit vooraleer daarvan in het publiek te spreken; zodat er een soort van particuliere inlichtingsdienst werd ingericht. Er was inderdaad in die tijd een echte behoefte aan betrouwbare informatie over schepen en vaarroutes. Volgens sommigen zou zelfs dit aspect de hoofdbedoeling van de vereniging geweest zijn. Later zou de voorzitter in een brief van burgemeester van Ertborn het nog eens uitdrukkelijk bevestigen dat het Collegie moest worden „een middenpunt van eene belangrijke en uitgebreide correspondencie, zoo door alle de publieke zee en koophandel berigten, als door de bijzondere informatie harer leden".

Op 1 augustus 1819 was het reeds zover gekomen dat „de plechtigheid van de opheysing der vlagge" in tegenwoordigheid van provinciegoeverneur Pycke kon geschieden.

De vereniging gaf ook reeds vroeg blijk van haar sociale bezorgdheid; na enkele maanden werd er een hulpkas ingesteld om zowel de behoeftige zeelieden zelf als de weduwen en kinderen van de overledenen te kunnen bijstaan; de leden van het Collegie kenden maar al te goed de gevaren van de scheepvaart in die tijd en de soms dramatische gevolgen ervan voor de overlevenden. Ook blijkt er uit de rekeningen en briefwisseling dat er financiële steun werd verleend aan de in Antwerpen gevestigde Zeevaartschool.

Het Antwerps Collegie vond onmiddellijk navolging elders; in augustus 1819 werd er een zeemanscollege opgericht te Oostende, in 1822 te Amsterdam en in 1830 te Groningen.

Muskeyn zelf zou voorzitter blijven van de vereniging tot er een einde aan kwam in 1837, zoals verder zal vermeld worden.

Met de Omwenteling van 1830 kende ons land opnieuw een ander bewind. De revolutie-tijd zou voor Antwerpen en voor de haven een periode van desorganisatie, van onzekerheid en van onveiligheid zijn, waarbij men nogmaals op Muskeyn's toewijding en advies meermalen zou beroep doen.

Toen in november 1830 de stad zich in geldnood bevond, omdat er allerlei kosten gerezen waren en vooral omdat men, om een volksberoering te voorkomen, aan de arbeidende klas werk wou verschaffen, vond men er geen ander middel op dan de voornaamste inwoners persoonlijk naar het stadhuis te ontbieden en ze te verzoeken op een vrijwillige lening in te schrijven. Als een van die „bijzonderste burgers" werd Joseph Muskeyn ook uitgenodigd; hij was bij de eerste 25 inschrijvers en ondertekende voor 500 gulden.

Voor het jaar 1831 willen we nog een incident vermelden dat kenschetsend is voor de man en ook voor de tijd. In augustus 1831 werd Muskeyn gans onver­wachts door Minister Demeulenare tot „Directeur provisoire du Pilotage d'Anvers" benoemd. Hij schreef onmiddellijk naar de stadsmagistraat om de dag van de vereiste eedaflegging vast te stellen; met zijn typische bereidheid en ook zelfvertrouwen schrijft hij „hoe moeilijk de opdracht ook schijnt, ik zal alles in het werk stellen om ze waardig te volbrengen. Dertig jaren activiteit in de koopvaardij te Antwerpen zijn een waarborg voor dit vertrouwen". Maar, helaas, de benoeming berustte op een misverstand; de Minister had onbewust geen rekening gehouden met de prerogatieven terzake van de Antwerpse Kamer van Koophandel; deze reageerde nogal hevig en na een drietal weken moest de benoeming ingetrokken worden.

Betreffende de gebeurtenissen van 1831 verhaalt de Journal du Commerce d'Anvers in Muskeyn's overlijdensbericht een merkwaardige tussenkomst van hem in het Comité de défense. In oktober 1831 had men, om een raid van de Nederlandse vloot op de Schelde naar Antwerpen te beletten, het plan opgevat in de stroom bij het Noordkasteel in de bocht van Austruweel een groot schip, de James Scott, te laten zinken en aldus de toegang tot Antwerpen te blokkeren. Muskeyn bestreed dit plan met klem; hij besefte dat eens zulk een zwaar schip met zijn haast onverwoestbare houten gebinten in de stroom zou gezonken zijn, het zeer lang zou duren eer men het zou kunnen lichten, ondertussen zou de haven gedurende lange tijd voor de schepen ontoegankelijk zijn en het scheepsverkeer naar andere havens afgeleid worden. Hij kon de leden van het Comité overtuigen; men verzaakte dan ook aan het plan en de reeds overeengekomen verkoop van het schip aan de regering werd ongedaan gemaakt. Door zijn vastberaden optreden heeft hij toen de haven van een grote ramp kunnen redden.

Muskeyn herinnerde zich waarschijnlijk een soortgelijk incident bij de inval der Engelsen op Walcheren in 1809. Toen had Lodewijk, koning van Holland, in een paniekstemming reeds het bevel gegeven een schip met stenen en zand volgeladen in de Schelde te laten zinken. De Franse bevelhebber Bernadotte kon echter de uitvoering van deze voor de haven zo noodlottige maatregel nog tijdig beletten. De geschiedschrijver van de gebeurtenissen voegt eraan toe „la révocation de cet ordre ranima les esprits abattus des commerçants d'Anvers".

In het onafhankelijk België werden aan Muskeyn nieuwe taken opgedragen. Op 11 maart 1832 werd hij tot lid van de Gemeenteraad gekozen. Van de toen gekozen Raad getuigt een tijdgenoot dat hij nu „is samengesteld uit uitgesproken voorstanders van de nieuwe orde der zaken". Hij zou in de Raad zetelen tot in 1836.
Uit de verslagen van de z.g. Conseil de Régence kan men wel zijn stipte aanwezigheid op haast alle vergaderingen noteren. Over zijn persoonlijke inbreng echter kan men slechts gissen; de tussenkomsten van de leden worden steeds anoniem gerapporteerd; ook van de regelmatig in de schoot van de Raad gevormde commissies worden de leden niet vernoemd. Het ligt echter voor de hand dat raadslid Muskeyn ook zijn deel had in al die werkzaamheden, vooral wanneer het zeevaart- of havenaangelegenheden betrof.

Eenmaal wordt hij bij name vermeld, nl. toen hij op de vergadering van 30 oktober 1832 een motie had ingediend tot herstel van „de school voor scheepsbouw" (école d'architecture navale) . Muskeyn bedoelde de afdeling Scheepsbouw van de Antwerpse Academie voor Schone Kunsten, waarvan de in 1827 overleden titularis nog altijd niet vervangen was. Op 22 februari 1834 zou de Raad een nieuwe professor benoemen.

Muskeyn's voornaamste verdienste in deze periode was wellicht zijn activiteit in de schoot van de tweede Openbare Veiligheidscommissie. Een eerste zulke commissie had van einde oktober 1830 tot 30 augustus 1831 gefungeerd; de tweede duurde van 16 oktober 1831 tot 31 januari 1833. De commissies werden door de militaire overheid opgericht als gevolg van het invoeren van een staat van beleg voor de stad. Hun taak bestond erin zowel voor de Staats- als voor de stadsveiligheid te zorgen; dit behelsde vooral de van spionage verdachte elementen in het oog te houden, eventueel te laten aanhouden en te ondervragen, maar ook zich met het probleem van de werkloosheid bezig te houden, die een constante bedreiging voor de openbare orde betekende.
De commissie bestond uit een zestal personaliteiten van de stad; in maart 1832 aanvaardde Muskeyn, de onvermoeibare— hij was toen 69 jaar oud en was zopas tot de gemeenteraad toegetreden — ook lid te worden van de commissie; na een paar maanden werd hij tot voorzitter verkozen en zou het blijven tot aan de ontbinding in januari 1833. De benoeming tot commissielid betekende een bewijs van integriteit en van vaderlandsliefde, maar vergde ook vastberadenheid en toewijding. De commissie zetelde op het stadhuis en vergaderde dagelijks „parfois en permanence". De bewaarde documenten geven een beeld van de werkzaamheden, nl. het Rapport journalier, waarin de courante bevindingen: gemoedstoestand van de bevolking, verdacht verkeer in en rond de stad of op de stroom, arrestaties, genoteerd werden, verder ook processen verbaal van ondervragingen, enz. De commissie is werkzaam geweest tot het einde van de staat van beleg, namelijk tot 31 januari 1833.

Muskeyn moest zich in heel die periode bijzonder verdienstelijk hebben getoond. Toen in 1832 de Belgische regering collectieve onderscheidingen aan de gemeenten voor hun aandeel in de onafhankelijksstrijd zou uitreiken, werd ook Antwerpen bij die gemeenten gerekend en moest er dus in Brussel door een Antwerpse delegatie een erevaandel in ontvangst worden genomen. Daarvoor zou men personen kiezen welke in die aangelegenheden hadden uitgeblonken. Antwerpen koos op 19 september 1932 drie afgevaardigden en twee plaatsvervangers. Muskeyn was tweede plaatsvervanger en was dus niet van de partij om op 27 september in Brussel aan de ceremonie deel te nemen; maar zijn benoeming als plaatsvervanger was reeds een onderscheiding op zich zelf.
Een jaar later echter in juli 1833 mocht hij toch naar Brussel afreizen; hij werd nl. gekozen om samen met de Burgemeester en twee andere raadsleden aan de koning de gelukwensen van de stad bij de geboorte van een erfprins aan te bieden.

Enkele jaren vóór zijn dood moest Muskeyn het nog beleven dat er een einde kwam aan het Zeemans Collegie dat hij had gesticht en waarvan hij voorzitter was gebleven. In 1830 had de Belgische koopvaardij een periode van inzinking gekend die haar weerslag had op de vereniging. In 1835 werd nog de naam van Muskeyn met de titel „voorzitter van het Zeemans Collegie" voor de beheerraad van de nieuwe Zeevaartschool voorgedragen.

In het begin van 1837 was er zelfs nog een plotse opflakkering; in februari werden zowel de Provinciegoeverneur78 als de Burgemeester79 aangezocht om het erelidmaatschap van de vereniging te willen aanvaarden. Samen met de brief van de Goeverneur werd er een lijst van 28 ereleden en van 47 effectieve leden toegezonden. Men is des te meer verwonderd dat op 24 november van hetzelfde jaar Muskeyn moest melden dat zijn Collegie had opgehouden te bestaan.

Zo kwam er een roemloos einde aan wat met veel geestdrift en overtuiging in 1819 werd opgericht. Muskeyn kon natuurlijk niet vermoeden dat er twintig jaar later in 1857 een nieuw en definitief zeemanscollege zou ontstaan voor hetwelk een bloeiende toekomst was weggelegd.

Muskeyn bleef actief tot enkele jaren vóór zijn overlijden. We zagen dat de rederij waarschijnlijk in 1835 werd opgedoekt, — hij was toen 73 jaar —, zijn mandaat in de Antwerpse gemeenteraad verliep in 1836, het Zeemans Collegie had in 1837 opgehouden te bestaan; de scheepvaartinspectie echter bleef hij tot in 1839 beoefenen.

Tot die datum vinden we regelmatig attesten door hem ondertekend. De laatste van deze routine-attesten zijn van 26 maart 1839, dag waarop hij nog bij drie scheepsbezoeken betrokken was.

Op 12 april 1839 heeft hij nog als deskundige een lange getuigenis afgelegd in verband met een aanvaring op de Schelde bij Rupelmonde; hij had er een grondig onderzoek met ondervraging van getuigen ter plaatse ondernomen; er komen ook bijzonderheden bij te pas over de gebruikelijke stuwingsmethoden in de binnenvaart en over de windtoestanden in die streek die, zo verklaart hij, door hem goed gekend is omdat hij er meermalen heeft vertoefd. In dit verslag noemt hij zich „rentier, exofficier visiteur du Tribunal de Commerce"; deze woorden laten vermoeden dat hij zich toen uit de Commissie van de Rechtbank heeft teruggetrokken.

Nadien wordt hij tenminste nog eenmaal geciteerd, nl. als mede-expert voor de keuring op de werf van een in aanbouw zijnde schip dat, om voor subsidiëring in aanmerking te komen, driemaal moest onderzocht worden; dit gebeurde op 16 juni 1838, op 26 februari en op 12 juni 1839. Deze is dan ook de laatste activiteit die we hebben kunnen noteren.

Voor de drie laatste jaren van zijn leven worden er geen sporen van enige bedrijvigheid meer gevonden. Voor een anders zo actief man, moet men dus wel aanne­men dat hij voortaan door ziekte of zwakke gezondheid geen opdrachten meer kon aanvaarden, of eenvoudigweg dat het hem op zijn ouderdom niet meer mogelijk was op schepen te klauteren en in hun ruimen neer te dalen, zoals het voor een dege­lijk onderzoek moest gebeuren.

Gedurende deze jaren kunnen we hem nog voorstellen, de oude kapitein op rust, thuis in zijn woning aan de Pieter Potstraat (huidig pand: Grote Pieter Potstraat 1), in zijn boeken verslonden, met het gepraat van zijn papegaai zich amuserend, of misschien nog op wandel langs de hem zo vertrouwde kaaien met zijn „zienbuis" gewapend en de vertrekkende of aankomende schepen naspeurend.

Muskeyn overleed op 12 juni 1842 op 79-jarige ouderdom. Als oud-zeeofficier kreeg hij een uitvaart met militaire eerbewijzen. Hij werd op het kerkhof van St. Laurentius begraven; op zijn grafzerk werd zijn titel van kapitein-ter-zee vermeld.

Het overlijden van de kapitein ging niet onopgemerkt voorbij. In, de diverse dag­bladen werden bijzonderheden uit zijn merkwaardige en veelzijdige carrière aange­haald; unaniem werd ook herinnerd aan de diensten die hij aan scheepvaart, haven en stad had bewezen. Antwerpen had waarachtig „een haerer onderscheydenste burgers" verloren, zoals het blad Den Antwerpenaer (16 juni 1842) het uitdrukte.

Uit het levensverhaal van Joseph Muskeyn, de voorzitter van het eerste Zeemans Collegie, blijkt duidelijk dat het man was van uitzonderlijk formaat. Hij komt ons voor als een typische man van de daad, ondernemend en zelfbewust, durvend en dapper in de actie, maar tevens ook schrander in het uitdenken en uitvoeren van nieuwe opvattingen en plannen.
Hij durft het aan als jonge zeeman dienst te nemen in de zeemacht van het afgelegen Zweden en bekomt er weldra door zijn moed en vastberadenheid onderscheidingen en eervolle functies.

Als 32-jarige officier verzaakt hij vrijwillig aan een veelbelovende toekomst in Zweden om een nieuwe carrière te beginnen in Frankrijk. Aldaar aarzelt hij niet zijn ideeën aan het Directoire voor te leggen en is bereid ze onmiddellijk in de praktijk om te zetten.

Het verhaal van zijn diensttijd in Frankrijk getuigt van een verbluffende werk­kracht; het was een onophoudelijke opeenvolging van expedities en verplaatsingen, van stafwerk te land en militaire actie op zee, en daarbij nog een haast ononderbro­ken correspondentie met de Minister van Marine te Parijs.

Ook na zijn terugkeer in Antwerpen heeft Muskeyn zich in deze voor hem weer gans andere omgeving vrij vlug een positie van aanzien kunnen verwerven en heeft er met raad en daad voor de belangen van zijn stad met haar scheepvaart en haven geijverd.
Muskeyn's leven was zeker geen banaal leven, maar een leven vol beweging en ac­tiviteit, in oorlog en in vrede, een leven ook vol contrasten: schitterende successen en enkele pijnlijke ontgoochelingen, omgang met prinsen en ministers en daarna soms miskenning in eigen omgeving en stad, met toch altijd de bereidheid nieuwe opdrachten en diensten te aanvaarden. Een leven dat onwillekeurig aan het manhaf­tig ideaal van het gekende If-gedicht van Kipling herinnert:
If you can meet with Triumph and Disaster
and treat these two impostors just the same ...
If you can make one heap of all your winnings, and risk it on one turn of pitch-and-toss; ...
If you can talk with crowds and keep your virtue,
or walk with kings — nor lose the common touch; ...
Then you'll be a man, my son!

L. BAUDEZ, S.I.  Prof. emer. UFSIA
P.S. In 1984 werd aan de 78e promotie studenten van de Hogere Zeevaartschool te Antwerpen de naam gegeven van „Promotie kapitein-ter-zee Joseph Muskeyn" (Nautilus, nov. 1984, bl. 212-213)

 

 

  LMB-BML 2007 Webmaster & designer: Cmdt. André Jehaes - email andre.jehaes@lmb-bml.be
 Deze site werd geoptimaliseerd voor een resolutie van 1024 x 768 en IE -11-Edge
Ce site a été optimalisé pour une résolution d'écran de 1024 x 768 et IE -11- Edge