BELGISCHE MARITIEME LIGA  vzw.
LIGUE MARITIME BELGE  asbl.

Koninklijke Vereniging - Société Royale

HISTORIEK  HISTORIQUE  HISTORIC

 

Een Antwerps zeeman: marine-officier en zeereder Joseph Muskeyn 1763-1842

 

door L . BAUDEZ


Bij de viering enkele jaren geleden van het 125-jarig bestaan van het Koninklijk Belgisch Zeemanscollege werd de naam vermeld van een te weinig gekend Antwerps zeeman, Joseph Muskeyn, stichter en voorzitter van een eerste Zeemans Collegie, dat van 1819 tot 1837 heeft bestaan en dat als de voorloper van de huidige vereniging mag worden beschouwd.

De man die dat eerste Zeemans Collegie oprichtte was toen een gekende personaliteit in Antwerpen, maar had reeds een welgevulde carrière achter de rug, in dienst eerst van de Zweedse en daarna van de. Franse krijgsmarine.

Het bewogen leven en veelzijdige loopbaan van Joseph Muskeyn verdienen wel dat we hem in een korte levensschets zouden herdenken, zoals deze uit de beschikbare bronnen kon worden samengestelde.
Joseph Augustijn Franciscus Muskeyn2 werd geboren te Antwerpen en gedoopt op 21 juni 1763. Zijn familie behoorde tot de gegoede klasse3; zijn vader, Augustijn Muskeyn, was „koopman in kanten"; kanten waren toen een van de voornaamste uitvoerartikelen van onze streken4. Een broer, Jan Baptist Muskeyn, was makelaar in verzekeringen5'. Een zuster, Maria Christina Muskeyn, huwde met Louis Joseph Vermoelen, die uit een voorname Antwerpse familie stamde en waarvan een neef, Philippe Joseph Vermoelen, later burgemeester van Antwerpen zou worden (1814­1817); Louis Joseph Vermoelen werd in 1819 de eerste penningmeester van het door zijn schoonbroeder gestichte Zeemans Collegie.

De jonge Muskeyn moet een verzorgde opvoeding genoten hebben. Buiten de kennis van zijn moedertaal, hanteert hij meer dan behoorlijk de Franse taal; zijn latere brieven en rapporten zijn in een niet enkel correct maar sierlijk Frans gesteld. Hij zal zich ook later zonder moeite in de hoogste kringen bewegen, zowel aan het koninklijk hof in Zweden als in zijn contacten met de republikeinse ministers in Frankrijk.

Joseph Muskeyn begon zijn maritieme carrière in dienst van de Aziatische Cornpagnie of Compagnie van Triëste7, eerst twee jaar aan de Antwerpse zetel8 van zijn compagnie gehecht, daarna aan boord van het koopvaardijschip Aigle Impérial.

De lotgevallen van dit schip zijn ons bekend. Het vertrok uit Triëste in maart 1783 met bestemming China, maar moest, zwaar gehavend door een storm op de Dalmatische kust, naar de uitgangshaven terugkeren en miste aldus de reis naar China voor dat jaar. In 1784 vaarde het naar Marseille, waar het een tijdlang door de Hollanders werd geblokkeerd, en kon eindelijk in januari 1785 te Cadix aankomen om van daaruit naar Canton in China uit te varen. Maar ondertussen was de Aziatische Compagnie financieel ineengestort en waren het de schuldeisers die nu het schip ophielden. Het werd uiteindelijk toch naar Oostende overgebracht en kon er later verkocht worden9. Voor de jonge zeeman zal de reis, indien hij ze van begin tot einde heeft meegemaakt, zeker geen prettige ondervinding geweest zijn, maar veeleer een opeenvolging van tegenvallers: hevige stormen, de lange blokkadewachttijd, de gemiste Chinatocht, en eindelijk de ondergang van de onderneming waaraan hij verbonden was.

Na deze eerste maritieme ervaringen in dienst van de koopvaardij van zijn eigen land, vinden we Muskeyn terug in een gans andere omgeving en bediening, nl. in Zweden in dienst van de koninklijke krijgsmarine aldaar.

Hoe, waarom en wanneer Muskeyn naar Zweden trok, wordt nergens vermeld. Het is echter een feit dat er tussen de Nederlanden en Zweden bestendige handels-maritieme en financiële bindingen bestonden, vooral dan in de eerste helft van de 18e eeuw; het is mogelijk dat daarin de verre aanleiding lag voor Muskeyn om zijn diensten aan Zweden aan te bieden.

In de jaren 1788-1790 was Zweden in een oorlog met Rusland gewikkeld, die vooral in Finland en in de Finse Wateren werd uitgevochten. In die oorlog heeft Muskeyn zich bijzonder onderscheiden.

In een document van de Zweedse marine wordt hij in 1790, onder de naam Joseph Muschein, als kadet vermeld op de scheepsrol van het schip Koning Gustaf III, het vlaggeschip van de grootadmiraal hertog Karel, broeder van de koning. In hetzelfde document vernemen we dat hij op 3 juni 1790 tot vaandrig werd bevorderd en het bevel nam van een op de Russen buit genomen brander, d.i. een klein vaartuig dat gevuld met licht ontvlambare stoffen tegen vijandelijke schepen werd gedreven om ze in brand te steken.

De lotgevallen van dit schip zijn ons bekend. Het vertrok uit Triëste in maart 1783 met bestemming China, maar moest, zwaar gehavend door een storm op de Dalmatische kust, naar de uitgangshaven terugkeren en miste aldus de reis naar China voor dat jaar. In 1784 vaarde het naar Marseille, waar het een tijdlang door de Hollanders werd geblokkeerd, en kon eindelijk in januari 1785 te Cadix aankomen om van daaruit naar Canton in China uit te varen. Maar ondertussen was de Aziatische Compagnie financieel ineengestort en waren het de schuldeisers die nu het schip ophielden. Het werd uiteindelijk toch naar Oostende overgebracht en kon er later verkocht worden9. Voor de jonge zeeman zal de reis, indien hij ze van begin tot einde heeft meegemaakt, zeker geen prettige ondervinding geweest zijn, maar veeleer een opeenvolging van tegenvallers: hevige stormen, de lange blokkadewachttijd, de gemiste Chinatocht, en eindelijk de ondergang van de onderneming waaraan hij verbonden was.

http://www.belshipsarchive.be/Images/5%2063%20Historiek%201%20Een%20antwerpse%20zeeofficier.jpgNa deze eerste maritieme ervaringen in dienst van de koopvaardij van zijn eigen land, vinden we Muskeyn terug in een gans andere omgeving en bediening, nl. in Zweden in dienst van de koninklijke krijgsmarine aldaar.
Hoe, waarom en wanneer10 Muskeyn naar Zweden trok, wordt nergens vermeld. Het is echter een feit dat er tussen de Nederlanden en Zweden bestendige handels-maritieme en financiële bindingen bestonden, vooral dan in de eerste helft van de 18e eeuw; het is mogelijk dat daarin de verre aanleiding lag voor Muskeyn om zijn diensten aan Zweden aan te bieden.
In de jaren 1788-1790 was Zweden in een oorlog met Rusland gewikkeld, die vooral in Finland en in de Finse Wateren werd uitgevochten. In die oorlog heeft Muskeyn zich bijzonder onderscheiden.

In een document van de Zweedse marine wordt hij in 1790, onder de naam Joseph Muschein, als kadet vermeld op de scheepsrol van het schip Koning Gustaf III, het vlaggeschip van de grootadmiraal hertog Karel, broeder van de koning. In hetzelfde document vernemen we dat hij op 3 juni 1790 tot vaandrig werd bevorderd en het bevel nam van een op de Russen buit genomen brander, d.i. een klein vaartuig dat gevuld met licht ontvlambare stoffen tegen vijandelijke schepen werd gedreven om ze in brand te steken.

Verschillende bijzonder moedige wapenfeiten worden hem in deze oorlog toegeschreven. Bij het uitvaren van de Zweedse vloot uit Viborg in juli 1790 kon hij door het inzetten van zijn brander de aftocht van de galei waarin de koning zich bevond met succes verzekeren. Men vermeldt ook dat hij bij een enteringspoging op het admiraalschip zich zo dapper had gedragen dat de grootadmiraal zelf hem terplaatse tot de graad van luitenant-ter-zee bevorderde.

In dezelfde campagne werd aan luitenant Muskeyn door de grootadmiraal een zeer gevaarlijke opdracht toevertrouwd, nl. een marine-eenheid dwars door de schepen van de Russische vloot heen van Sveaborg naar de Svenksund te brengen tot versterking van de koninklijke vloot die zich aldaar ophield. Hij lukte erin zonder onheil zijn doel te bereiken en kon aldus aan de grote zeeslag die daar geleverd werd op eervolle wijze deelnemen. Dank zij de verpletterende Zweedse overwinning werd het de koning mogelijk in augustus 1790 met Rusland onder gunstige voorwaarden vrede te sluiten.

Terloops vermelden we dat Muskeyn in deze oorlog een strijdmakker had die later beroemd zou worden, de Engelse kapitein, nadien admiraal, sir Sydney Smith, en die hij later zou moeten bekampen in de Frans-Engelse oorlog in het Kanaal en die hij nog later, zo vertelt men, in meer vreedzame tijden, in 1829, zou mogen ontvangen en rondleiden in Antwerpen.

Na het sluiten van de vrede met Rusland bleef Muskeyn blijkbaar de gunst van de koning genieten. In 1791 werd hem de eervolle taak toevertrouwd het bevel te voeren van de koninklijke jacht. In een latere brief spreekt hij over de „waardigheden die hem door de erkentelijkheid van het Zweedse hof toekwamen" . Toen koning Gustaaf III op tragische wijze omkwam — hij werd op 16 mei 1792 op een hofbal door een gemaskerde verrader vermoord — was Muskeyn onder de hovelingen in de balzaal aanwezig.

Nadien werd Muskeyn gehecht aan de Zweedse vlootbasis van Sveaborg in Finland; Sveaborg was toen een belangrijk steunpunt van Zweden tegenover Rusland, het „Gibraltar van het Noorden", zoals Zweedse historici het noemden. Muskeyn zou er blijven tot hij in september 1795 zijn ontslag zou bekomen.

http://www.belshipsarchive.be/Images/5%2063%20Historiek%202%20Een%20antwerpse%20zeeofficier.jpgZijn ontslag uit de Zweedse vloot was een meer dan eervol ontslag. Er werd hem vanwege de koning een bijzonder brevet aangeboden „als blijk van waardering voor de diensten die hij aan de koning met zoveel ijver en dapperheid had bewezen" ; tevens werd hem een eresabel geschonken en een geldsom van 200 Rixdollars om zijn reiskosten te helpen betalen. Verder werden er ook voor hem aanbevelingsbrieven naar de Zweedse ambassadeur te Parijs verzonden.
Toen Muskeyn ontslag nam uit de Zweedse vloot, was het om dienst te nemen in de marine van de Franse Republiek. België was sedert 24 juli 1794 door Frankrijk bezet en zou op 10 oktober 1795 bij de Franse Republiek officieel ingelijfd worden.
Over de ware reden van deze nieuwe koerswijziging in de levensloop van de 32-jarige zeeofficier kan men enkel gissen. Was het de verveling van een gedwongen inactiviteit op een vaste plaats aan de wal na de woelige oorlogsbelevenissen, of de wens om dichter bij de zijnen te komen, of nog, en misschien meer waarschijnlijk, de zucht om opnieuw actieve dienst te nemen in een strijdende marine samen met gunstige vooruitzichten voor een vlugge erkenning en verdere promotiekansen? In die tijd was er immers een nijpend gebrek aan geoefende zeeofficieren in de Franse marine, daar velen die onder de monarchie hadden gediend, ofwel uitgeweken waren, ofwel door het nieuwe regime afgezet werden.

Over Muskeyn's dienst in de Franse marine is men goed ingelicht. Men beschikt nl. over een eigenhandig geschreven zeven-bladig verhaal vanaf zijn officiële aanvaarding op 11 april 1796 tot aan zijn ontslag op 23 september 180020 en over de officiële archiefstukken van de Franse marine

Indien de jonge zeeofficier op zoek was naar nieuwe actie en verantwoordelijkheden, zou hij zeker niet teleurgesteld worden. Zijn leven werd een aaneenschakeling van militaire acties op zee, voorbereid en gevolgd door besprekingen, inspectietochten en stafwerk te land. Het is niet mogelijk en ook niet aangewezen al deze ver­richtingen, die uitvoerig elders beschreven werden, hier nogmaals gedetailleerd uiteen te zetten; wij beperken ons tot de hoofdlijnen.
Heel de actie, waarbij Muskeyn betrokken zou worden, was bedoeld om de Franse kusten tegen de Engelse aanvallen te beveiligen enerzijds en om een te voorziene landing van Franse troepen op de Engelse kusten voor te bereiden anderzijds.

Betreffende de schepen die voor zulke verrichtingen konden ingezet worden, bracht Muskeyn zijn eigen visie en plannen. Inderdaad, pas in Frankrijk toegekomen, en nog vóór zijn officiële aanstelling, aarzelt hij niet zich te Parijs naar het Mi­nisterie van Marine te begeven, waar hij aan de Minister van Marine van het Directoire Truguet zijn opvattingen uiteenzet.

Het moesten schepen zijn met platte bodem, volgens een door de Zweedse scheepsbouwer Chapman ontworpen model, schepen die laag op het water liggend dicht bij de kust konden worden ingezet en die, terwijl ze zelf een moeilijk te treffen doelwit vormden, tevens relatief zwaar geschut konden dragen. D e vroegere officier van de Zweedse marine had de kwaliteiten van zulke schepen in de Finse oorlog kunnen ervaren; hij wist het vertrouwen van het Directoire en van de Minister van Marine Truguet te bekomen, die zijn ideeën aanvaardden.

Het kwam er nu opaan een vloot van zulke schepen vlug in te richten, en we zien Muskeyn, nu officieel in de Franse marine opgenomen en de titel van Commandant de la f lottille de la République à Dunkerque voerend, zich daarvoor inzetten, zowel te Duinkerke zelf als in de andere Franse havens van de Noordzee en van het Kanaal. Zijn schepen zouden weldra les bateaux à la Muskeyn, of eenvoudigweg bateaux Muskeyn worden bestempeld, soms Muskin of Musquin gespeld.

Dat Muskeyn het volle vertrouwen genoot van de Minister te Parijs blijkt uit heel de correspondentie. Aldus vroeg de Minister hem weldra om voor de flottielje een aangepaste tactique, of gevechtsmethode, op te stellen; deze werd zeer gunstig onthaald en aan de officieren medegedeeld; het valt te betreuren dat dit document niet bewaard is gebleven.

Het duurde echter niet lang eer men aan Muskeyn een opdracht op zee toevertrouwde. Reeds een paar maanden na zijn aanstelling kreeg hij het bevel over een flottielje van 52 schepen. De opdracht was eerstens de kusten en de kustvaart tegen vijandige aanvallen te beschermen. Nadien werden er aan zijn flottielje 29 transportschepen toegevoegd voor het vervoer van een legereenheid onder de leiding van een divisie-generaal voor een z.g. „Geheime zending", die wellicht een landing op vijandelijk gebied kon zijn.

Deze „geheime zending", die lange voorbereidingen eiste omreden van de moeilijkheden behoorlijke landtroepen te verzamelen, kon slechts in november een begin van uitvoering krijgen. De omstandigheden waren echter toen reeds te ongunstig; er woedden hevige stormen en zowel het moreel als de gezondheid van de troepen leden eronder. Zodat het onmogelijk bleek de poging door te zetten; de overheid moest aan het opzet verzaken, de transportschepen werden opgelegd en de troepen keerden naar het binnenland terug.

Na een korte reis naar Parijs voor besprekingen met de Minister van Marine kreeg Muskeyn het bevel zijn flottielje van Duinkerke naar Le Havre over te brengen om vanuit deze haven heel de kuststreek van Duinkerke tot Brest te bewaken en te beschermen. Hij voerde nu de titel Commandant de la Flottille de la Manche, zoals het op zijn officieel briefpapier gedrukt stond. Deze opdracht duurde tot 28 augustus 1797, toen de flottielje van Le Havre werd opgelegd.
Ondertussen had onze ondernemende zeeofficier een dubbele eervolle bevordering ontvangen. Bij zijn in dienst treden was hij in zijn vroegere graad bij de Zweedse vloot, nl. luitenant-ter-zee, bevestigd. Reeds op 14 juli 1796, toen hij pas drie maanden als bevelhebber van de flottielje van Duinkerke was aangesteld, werd hij tot fregatkapitein bevorderd. Enkele maanden later, op 22 september van hetzelfde jaar, op 33-jarige leeftijd, volgde zijn benoeming als kapitein-ter-zee. Deze vlugge promoties zijn een duidelijk bewijs van de appreciatie van zijn diensten en het hoog aanzien dat hij bij zijn oversten genoot.

Maar alvorens voort te gaan met de verdere opdrachten van Muskeyn, moeten we even naar de tijd van de flottielje van Duinkerke terugkeren en een episode aanhalen die voor heel wat opschudding en kwaad bloed zorgde in zijn eigen geboortestad Antwerpen.
Muskeyn, die voor de schepen van zijn flottielje had gezorgd, meende ook voor manschappen te moeten zorgen en dacht dat hij als „borger" van Antwerpen aldaar gemakkelijk vrijwilligers voor zijn dienst zou kunnen aanwerven. Zijn plan werd door de Minister van Marine goedgekeurd en vanuit Parijs kreeg de Antwerpse overheid opdracht om aan Muskeyn daarvoor alle faciliteiten ter beschikking te stellen.

De zaak werd aan de inwoners van de stad aangekondigd door een aanplakbrief met een dubbele proclamatie resp. van de centrale administratie en van Muskeyn zelf „Aen zijn Mede Vaderlanders" gericht. Daarin werd een oproep gedaan voor de dienst en werden tevens de te verwachten voordelen in bijzonder aanlokkelijke termen voorgesteld (cfr. aanplakbrief). Een lokaal voor de aanwerving werd beschikbaar gesteld en, om de zaak aantrekkelijker te maken, werden „divertissementen" voorzien: muziek, drank en dans, waarvoor de stadskas 50 florijnen moest uittrekken. De Van der Straelens hebben in hun Kronijk de recrutering met levendige kleuren beschreven.

Hoeveel er werkelijk te Antwerpen aangeworven werden is moeilijk te bepalen. Aanvankelijk was Muskeyn nogal tevreden en kon hij melden dat de Belgen zich gemakkelijk lieten aanwerven. Maar nadien moest hij bekennen dat zijn plannen op hevig verzet stuitten. Hij had zich blijkbaar over de gevoelens van de bevolking vergist. Door zijn langdurig verblijf in Zweden kende hij de gemoedstoestand van zijn medeburgers in Antwerpen niet meer; deze waren al te zeer gekant tegen de Franse Republiek, die ter plaatse door de gehate commissaris Dargonne, de man van de afpersingen, arrestaties en kerkvervolgingen, was vertegenwoordigd. In zijn brieven vermeld Muskeyn het verzet van de geestelijkheid die de aanwerving vanop de preekstoel bestreed en de verwijten die hij moest aanhoren. Er kwamen ook klachten van ouders waarvan de minderjarige kinderen zonder hun toestemming werden aangeworven; zelfs Dargonne schreef aan Muskeyn dat hij met de goede wil van de ouders rekening moest houden.

Alleszins werd het voor Muskeyn een minder prettige aangelegenheid, die misschien wel een verklaring inhoudt van een zekere miskenning welke hij later in zijn geboortestad heeft moeten ondervinden.
Na het verhaal van deze eerder ongelukkige aanwervingscampagne te Antwerpen keren we terug naar de flottielje van het Kanaal. En 1798 mocht Muskeyn opnieuw het bevel voeren voor een tweede uittocht-periode die zou duren van 2 maart tot 16 oktober. De tochten kregen nu een meer krijgshaftig karakter en het kwam meermaals tot, weliswaar lokale, maar toch niet minder zware en bloedige gevechten.
Vermeldenswaard is vooral een ernstige poging om de Saint-Marcouf eilanden op de Engelsen te heroveren. Deze eilanden, langs de Oostkust van het schiereiland Cotentin gelegen, waren door de Engelsen onder bevel van sir Sydney Smith in juli 1795 door verrassing bezet geweest. Daardoor kwamen de voor de Fransen vitale verbindingen tussen Le Havre en Cherbourg onder constante controle en bedreiging van de Engelsen te liggen.
Opnieuw werden landtroepen ingescheept en men vertrok op 8 april 1798 uit Le Havre naar La Hougue. Onderweg echter werd de flottielje door twee zware Engelse fregatten aangevallen; een hevig gevecht, presque bord à bord, volgde dat meer dan drie uren duurde. Muskeyn kon een fregat tot stranden brengen en het andere zeer zwaar beschadigen; alleen door de opkomende duisternis werd hij belet ze te vernietigen. 's Anderendaags werd hij opnieuw aangevallen, ditmaal door vier fregatschepen, en kon zich gelukkig achten met zijn flottielje in de haven van Sallanelle te schuilen. Na enkele dagen lukte het hem aan de blokkerende Engelse schepen te ontsnappen en La Hougue te bereiken. Van daaruit wou men opnieuw de Saint Marcouf eilanden aanvallen; maar de Engelsen waren op hun hoede; de verdediging bleek te sterk te zijn en na een bloedig zeegevecht moest men van een ontscheping afzien. De poging mislukte door een samenloop van ongunstige factoren. Er was ook bij de Franse marine-overheid een gebrek aan continue ingesteldheid om op dit strijdtoneel een ware oorlog te voeren; sommigen beweren zelfs dat al deze verrichtingen slechts als doel hadden de aandacht van de Engelsen van Bonaparte's tocht naar Egypte (mei 1798 tot october 1799) af te leiden.

 

Vervolg

 

 

 

  LMB-BML 2007 Webmaster & designer: Cmdt. André Jehaes - email andre.jehaes@lmb-bml.be
 Deze site werd geoptimaliseerd voor een resolutie van 1024 x 768 en IE -11-Edge
Ce site a été optimalisé pour une résolution d'écran de 1024 x 768 et IE -11- Edge