BELGISCHE MARITIEME LIGA  vzw.
LIGUE MARITIME BELGE  asbl.

Koninklijke Vereniging - Société Royale

HISTORIEK  HISTORIQUE  HISTORIC

 


Oostende en Testerep een verhaal van glorie en heropbouw

Dries Tysl

Oostende, de koningin der Badsteden, heeft het allemaal: grandeur, een stedelijk leven, toerisme, een casino, een luchthaven, het oude station van de Oriënt Expres. Oostende is ook een geuzenstad, met een bepaalde ruwheid, terug te vinden in het harde métier van de vissers, in de geur van smeer­olie in de haven en in de geschiedenis van de stad, als laatste bastion van de Watergeuzen in de zuidelijke Nederlanden. Geen enkele stad in Vlaanderen is zoveel keer uit het niets heropgebouwd, na verwoestende oorlogen, maar ook na natuurrampen. Geen enkele stad in Vlaanderen heeft zo te lijden gehad onder de verwoestende kracht van de natuur, de laatste keer nog in 1953 bij de stormvloed van 1 februari. Het huidige Oostende is dan ook geenszins de oorspronkelijke stad, maar in feite een verplaatste stad. Het moderne Oostende ligt landwaarts van het ‘eerste Oostende’. Dat laatste bevindt zich nu onder de zeespiegel, en kreeg zijn naam van de unieke ligging op het oostelijk einde van het mythische kusteiland Ter Streep, of beter: Testerep.

    

 

HET (SCHIER)EILAND TESTEREP

Testerep was geen echt eiland, maar een met schorrenvegetatie begroeide strook land die door een grote geul, de Testerepgeul, van de rest van de kustvlakte werd gescheiden. Die geul gaf in het westen uit op de IJzergeul, en liep in het oosten uit op een zandwad: een zandige vlakte die af en toe onder vloedwater kwam te staan. Dat zandwad op het oostelijke uiteinde van Testerep heette in 1115 trouwens nog Harenam (Latijn) of Sant (oud-Nederlands). Hoewel Testerep door inpoldering rond 1200 terug aansloot bij het bedijkte kustlandschap en dus als schiereiland ophield te bestaan, bleef het toch een sterke herinnering in het landschap van de kustvlakte. Zo wordt Oostende in 1459, ook al was het toen reeds verplaatst naar de meer landwaartse locatie, nog steeds omschreven als Oosthende Teestrep. Uit wetenschappelijke gegevens en erva­ringen van vissers kunnen we afleiden dat Testerep oorspronkelijk een stuk dieper in zee lag dan wat er vandaag nog van Testerep in het landschap rest (zie kaart p.8). Een groot deel van Testerep is in de loop van de geschiedenis immers door de zee verzwolgen.


‘VILLA DE TESTEREP’ ALS VROEGSTE DORP OP HET EILAND

Testerep vormde als schorreneiland een wezenlijk deel van het vroegmiddeleeuwse getijdenlandschap. De Testerepgeul die het eiland aan de zuidoostkant afsloot mondde uit in de IJzer ter hoogte van het huidige Fort van Nieuwendamme. De naam Testerep zou trouwens verwijzen naar twee Romaanse woorden, met name dextra en raipa wat zoveel betekent als “westelijk gelegen strook land”. De ligging op die strook land leidde tot de namen Westende, Middelkerke en Oostende: Westende lag aan het westelijk uiteinde, Middelkerke in het midden en Oostende aan het oostelijk uiteinde. In de 10de eeuw verschijnt dit Testerep ook in de geschreven bronnen. Dit hangt samen met het verschijnen van een nieuwe machthebber op het toneel: de graaf van Vlaanderen. De graven hadden in die tijd een machtspositie opgebouwd ten koste van de Westfrankische koningen. Ze hadden onder meer heel veel grond ingepalmd, met name in de kustvlakte waar ze alle nog niet ontgonnen schorren als de hunne beschouwden. De graven van Vlaanderen – met Boudewijn II en zijn zoon Arnulf I op kop – hadden rond 900 al grote delen van onder meer Testerep in bezit genomen. Zij richtten er, gaande van west naar oost, nieuwe grote schaapsboerderijen

 

HET VROEGMIDDELEEUWS GETIJDEN­LANDSCHAP EN ZIJN BEWONERS

De vorming van onze kust zoals wij die vandaag kennen, startte na het eind van de laatste IJstijd, zowat 12.000 jaar geleden. Toen begon het peil van de Noordzee te stijgen door het smelten van de gletsjers. Ongeveer 10.000 jaar geleden bereikte de Noordzee onze streken. De verhoogde grondwatertafel deed eerst riet- en veenmoerassen ontstaan. Maar geleidelijk aan palmde de aanhoudende stijging van de zeespiegel dit zoetwatermoeras in, herschiep het in een zeewaterbiotoop en bedekte het met zand en klei. De afgestorven en toegedekte pakketten zoetwatermoerasplanten zijn ook vandaag nog terug te vinden in de vorm van brokken veen. Stap voor stap vormde de kustvlakte zich om tot een gebied met getijdengeulen, slikken, schorren en stranden. Immers, via de grotere geulen kwam het zeewater dagelijks naar binnen, met afzetting van klei (meest landwaarts) en zand (zeewaarts en in de geulen) als gevolg. Daar waar kleiafzetting plaatsvond, vormden zich slikken. Eens voldoende opgehoogd tot een niveau dat nog maar enkele keren per jaar overspoeling met zeewater toeliet, ging zich een schorren-vegetatie ontwikkelen. Veengroei en getijdenwerking wisselden elkaar af, op het ritme van de zeespiegelstijging. Pas vanaf zo’n 3000 jaar v.Chr. steeg de zeespiegel minder snel en ontstond er een relatieve rust in de ontwikkeling van het landschap.
In dit gebied waren in de IJzertijd en de Romeinse tijd zoutzieders actief. Zout was een belangrijk handelsproduct en de seizoenale zoutwinning was een winstgevende onderneming. Aanwijzingen voor die Romeinse (en oudere) zoutwinning zijn gevonden in Raversijde, Leffinge, Stene en Zandvoorde. Potscherven, munten, glas en sieraden vertellen ons dat de zoutzieders in de Romeinse tijd vrij welstellend waren. Toen het Romeinse Rijk in de 4de eeuw veel van zijn pluimen verloor, gold dit ook voor de zout­winning. Die zag zijn plaats in de schorren ingenomen door schapenboeren die maar al te graag dit ideaal graasgebied overnamen. Wat taal, cultuur en mentaliteit betreft waren de toenmalige kustbewoners (vanaf de 4de of 5de eeuw) verwant met de kustbewoners uit het hele Noordzeegebied, zowel in Engeland als in het huidige Nederland, Friesland en zelfs in noordelijker gebieden. De mensen leefden op hogere gronden die ze soms zelf zo hadden opgeworpen (‘terpen’, zoals Leffinge er één was) of door de natuur tot stand waren gekomen. De kustbewoners waren relatief rijk en verhandelden wol, schaapshuiden en wollen jassen met het hele Noordzeegebied, tegen onder andere luxe­items, zoals wijn, Rijnlands aardewerk, sieraden en gouden munten uit vroegere perioden (onder meer nabij Raversijde gevonden). De zee was in die tijd een bindende kracht en niet langer enkel een bron van gevaar.

Om die te beschermen tegen de invloed van de zee, legden ze eerst ringdijken en nadien langgerekte dijken aan langs de Testerepgeul. De inpoldering van de geul zel volgde in de 12de eeuw, na de aanleg van de grote ‘Nieuwe dam’ (Nieuwendamme tussen de IJzer en de Testerepgeul).

De grote domeinen van de graven van Vlaanderen op Testerep staan beschreven in tal van documenten uit de grafelijke archieven (zie illustratie rechtsboven).

Zo bevond er zich in de duinen aan de westkant van Testerep een grote grafe­lijke rundsboerderij (vaccaria). Maar er waren ook uitgestrekte schaapsdomeinen (berquaria) in de schorren ten oosten van Westende. Dat was onder andere het geval bij het Vranckx Ambocht te Middelkerke, het Standarts Ambocht bij het latere Oostende e nabij het al vermelde ‘Sant’. De graaf had dit laatste schaapsdomein in leen gegeven aan de heren van Voormezele (bij Ieper). Twee grote schaapsboerderijen ter hoogte van he latere Raversijde werden in 992 en 995 aan de Gentse Sint-Pietersabdij geschonken.

De eerste kerk kwam er in de loop van de tiende en/of elfde eeuw. Die kerk van de Testerepsi parrochia, reeds vermeld in 1115, bediende aanvankelijk het hele eiland. Rond die kerk groeide al snel een dorp, uit de bronnen gekend als de Villa de Testerep en vermeld vanaf 1123. Die naam evolueerde vanaf de dertiende eeuw tot Sanctae Mariae de Testreep en nog later tot Mariakerke.

De graven lieten zich op Testerep tot dan vertegenwoordigen door de Ridders van Testerep (Milites de Testerep), van het geslacht Canis, alias le Kien of “de Hond”.

Hun hof lag vermoedelijk nabij de oorspron­kelijke site van de Villa de Testerep. De ridders Canis hielden op Testerep tot de dertiende eeuw de kerkelijke tienden, een belangrijke parochiale grondbelasting. Geleidelijk aan zouden ze deze belastingsrechten verkopen. In 1226 schonken de Ridders Canis al een deel van de tienden, meer bepaald op het gebied Obekinskinderdyc ergens nabij Mariakerke, weg aan de Gentse Sint-Baafsabdij. In 1297 volgde de rest, met als gelukkigen de St.-Baafsabdij te Gent, de Sint-Pietersabdij te Oudenburg, het Hof van Wijnendale en de Beaulieu-abdij te Petegem. Opmerkelijk is hoe vermeld wordt dat bij de tienden behalve de parochierechten onder meer ook ‘des escoles’ of ‘dorpsscholen’ behoorden, die vermoedelijk onder meer in Mariakerke en Middelkerke gesitueerd waren. De laatste ridders van Testerep die we kennen uit de bronnen zijn trouwens Thomas le Kien en zijn zoon Richard, de verkopers van de tienden uit 1297.


EERSTE ‘OOSTENDE’ (1266)

Ontstaan, met dank aan Margareta Gravin Margareta van Constantinopel drukte in 1266 haar stempel op Testerep door op het oostelijke uiteinde van het inmiddels ingepolderde eiland een volstrekt nieuwe stad te stichten: de stad Oostende. Dit paste in haar strategie om, via de stichting van een klein netwerk van grafelijke markt- en haven­steden en –plaatsen langs de Noordzeekust, haar greep te verstevigen op de handel in onder meer zout en vis. De gravin en haar landmeters ontwierpen in de duinen en zandgronden op het oostelijke einde van Testerep een stad met een karakteristiek rechthoekig stratenpatroon. Dit cirkel- tot eivormig stadsplan met percelen van 11,5 bij 27 m (310 m2) doet hard denken aan de ‘bastides’ of Franse middeleeuwse steden die vooral dan in ZW-Frankrijk in die periode gebouwd werden. De gravin beoogde de vestiging van nieuwe kooplieden, vissers en ambachtslieden (ceaus ki encore y venront manoir). De nieuwe inwoners moesten wel een vrij zware grondbelasting betalen aan de graven van Vlaanderen en ook zelf hun huis bouwen. In ruil kregen ze een reeks voordelen, zoals tolvrijstellingen, handelsprivilegies én de nabijheid van de zee. De gravin voorzag ook een bouwblok ter grootte van twee huispercelen (620 m2) voor de aanleg van de stadshalle, op kost van de handelaars. Deze stadshalle zou het centrum van de handelsactiviteiten van Oostende worden. Ernaast lag een marktplein met dezelfde oppervlakte. Dit Oostende kreeg een grote kerk, een kleine haven en vermoedelijk stadswallen en groeide uit tot een niet onbelangrijke vissers- en handels haven. Toch zou ze in die tijd nooit de grandeur van steden als Brugge, Ieper of zelfs maar Sluis evenaren.


Ondergang bij ontij

Dit eerste ‘Oostende’ is er vandaag niet meer. Of beter: het ligt begraven en verdronken zeewaarts van de dijk, ten noordwesten van de huidige stad. De enige resten die archeologen ooit konden vaststellen waren de kadepalen van de achterhaven (vermoedelijk in de Testerepgeul) nabij het huidige Casino van Oostende. De stad had al snel af te rekenen met kusterosie. Dit was het gevolg van de zeespiegelstijging en van de intussen ingepolderde kustvlakte.

De volle energie van vloed en golfslag botste nu op het strand en de duinen, waardoor die begonnen af te kalven. Al in 1230 was er op het strand van Testerep veen zichtbaar (daringho in litus mari). Dat geeft aan dat het oorspronkelijke strand en duin, die tussen de veen- en kleibodems en de zee lagen, ondertussen volledig verdwenen waren.

    

Nog geen vijftig jaar na de inpoldering van de laatste getijdengeulen als resten van het natuurlijke schorrenlandschap, leek het alsof de zee revanche nam. In de loop van de 14de eeuw, nauwelijks een eeuw na het stichten van Oostende, kreeg de kust en zeker die van Testerep zwaar te lijden onder kustafslag, landinwaarts verschuivende duinen en overstromingen (bij zware stormen). In 1277 probeerde men het tij nog te keren door een eerste “zeedyck nord ut jeghen die zee” achter de duinen aan te leggen. Tevergeefs, zoals blijkt uit de rekeningen van het domein van de Gentse Sint-Pietersabdij nabij Walraversijde: in 1281 was hun domein nog 175 hectaren groot, na de grote storm van 1334 nog 148 hectaren en na de verwoestende Sint-Vincentius storm (in de nacht van 22 januari 1394) nog 113 hectaren. Het is tijdens deze indrukwekkende storm dat ook het eerste Oostende grotendeels vernield zou worden: “par les tempestes et orages qui estoient avenuz au dit lieu d’Ostende la nuit de Saint Vincent l’an Mil trois cens quatre vingt et treze (= 22 januari 1394)”. De bronnen vermelden nadrukkelijk hoe groot de schade was ten gevolge van mogelijk zelfs een orkaan en van de overstromingen door het zeewater (“tres grans dommages par les fortunes, orages et innundations des eaux de la mer”). Grote delen van de stad kwamen onder water te staan en ‘verdronken’ door zeer grote en verschrikkelijke overstromingen: “plusieurs maisons de notre dite ville et grant quantité de la place du dit echevinage des tres grans et oribles innundations des dites eaues de la mer avoient esté noiéern emportéer et mises soubs l’eaue”.

      

De ramp lijkt er een van orkaankracht te zijn geweest, met daaruit volgende overstromingen. Een deel van de stad liep onder water en ook in de rest van Oostende moet de schade onvoorstelbaar geweest zijn. Wat restte was vrijwel onbewoonbaar: “plusieurs des diz bourgois et habitans ne savoient ou demourer ne remectre et edifier en icellui eschevinage leurs maisons”. Er zat niets anders op dan de stad, na nauwe­lijks honderdtwintig jaar bestaan, terug te geven aan de Noordzee. Slechts enkele bouwblokken, de kerk en de achterhaven, allen aan de landzijde van de stad, bleven bewaard. Ze zouden nog zo’n tweehonderd jaar als een eilandje voor de kust zichtbaar blijven. We weten dat ook in Walraversijde het oude vissersdorp na de Sint-Vincentius storm plots voor de duinen lag in plaats van erachter. De duinen waren er gewoon overheen geblazen.


TWEEDE (= HUIDIGE) ‘OOSTENDE’ (1395)

De miserie moet groot geweest zijn. We weten niet hoeveel slachtoffers er vielen. In ieder geval zagen de overblijvende inwoners geen plaats meer om er te blijven wonen. Een jaar na de ramp besliste hertog Filips de Stoute dan ook dat Oostende opnieuw gesticht diende te worden, landwaarts van de oude stad. Dit geschiedde op grafelijke duingronden en op voormalige landbouwgronden in de parochie Bredene, dus buiten Testerep. Het ging om oude grafelijke domeinen, inmiddels bevolkt door gewone pachtboeren.

De wil van de vorst geschiedde en op de oude landbouwgronden van Bredene Ambacht verrees het ‘tweede (=huidige) Oostende’.

Dit was mooi te zien bij opgravingen in de huidige stad nabij het Mijnplein en de Van Isegemlaan. Die toonden hoe de nieuwe straten niet op oude duingronden gelegen waren, maar op oude akkerlagen.

De nieuwe stad had opnieuw een dambord-patroon, een marktplaats, een stadshal en omwalling. Ze kreeg in 1434 ook een nieuwe kerk, waarvan de Peperbusse, gebouwd in 1478, het laatste restant is . De stad werd tevens voorzien van een sterke zeedijk en een haven. Het eilandje en wat restte van de kerk en de oude stad bleef deel uitmaken van Oostende, en zou maar verdwijnen na het Beleg van Oostende (1600-1604). Toen trokken de Spanjaarden een nieuwe vestingmuur op langs de zeekant en verdwenen alle zichtbare sporen.

Na een eerder armoedige start in het begin van de 15de eeuw, kende Oostende in de rest van de 15de- en 16de-eeuw een grote bloei. Het had als stad niet minder dan 6000 inwoners, een visserijvloot van om en bij de 50 schepen en speelde een rol als (internationale) havenstad. Die rol blijkt onder meer uit opmerkelijke importwaar die archeologen uit het bodemarchief halen, zoals Chinees porselein. Dit bevestigt dat internationale handelsvloten ook Oostende aandeden. De stad was verder ook betrokken bij de lakennijverheid, en speelde in het hertogdom een relatief belangrijke politieke en economische rol. Het is deze stad die staat weergegeven op de kaart van Pourbus uit 1567, en het is deze stad die ten onder zou gaan aan het geweld van de Godsdienstoorlogen en het

Beleg.

      

LEREN UIT DE GESCHIEDENIS...

Aan onze kust is Oostende niet de enige plaats die tussen de 14de en 16de eeuw ten onder ging aan de zeespiegelstijging. Ook het eiland Wulpen (met de dorpen Sint-Lamberst-Wulpen, Westende op Wulpen, Avenkerke en Runckendorp) in de monding van de Westerschelde verdween in 1377 grotendeels in zee. En hetzelfde geldt voor de voorloper van Blankenberge – Scarphout – in de 14de eeuw, de eerste versies van Walraversyde en Mariakerke (1394) en het oorspronkelijke Wenduine (1570). De combinatie van de aanhoudende zeespiegelstijging en de effecten van de inpoldering hadden voor een natuurdynamiek gezorgd die de middeleeuwse mens niet kon inschatten. De verwoestende stormnachten (sommige met orkaankracht) van 1334, 1377, 1394, 1402 en ga zo maar door, lieten een zware tol na. De storm van 1953 was dus zeker niet alleenstaand. Na de eerder ‘onschuldige’ storm van januari 2017 bleek trouwens nog maar eens de kwetsbaarheid van het strand ter hoogte van het huidige Oostende.

Testerep is inmiddels een vrij klein relict geworden van wat ooit was, op de brede duinenkop van Testerep in Westende na dan (zie kaart p.8). Als je vandaag over Testerep wandelt, bijvoorbeeld in de duinen van Westende, of over de Gravejansdijk, of in de Kerkstraat in Middelkerke (die ongeveer van de dijk langs de Testerepgeul naar de duinen liep), bedenk dan hoe oud dit stukje landschap is, en wat de geschiedenis van Testerep ons kan vertellen.


OP ZOEK NAAR HET VERDRONKEN OOSTENDE

En daar blijft het niet bij. Recent Gents geofysisch onderzoek in het kader van het SeArch project (www.sea-arch.be) toonde in de zeebodem voor Oostende mogelijke sporen van het eerste Oostende. Met een zogenaamde multi-transducer para metrische echosounder (SES-2000 Quattro), een uniek toestel aangekocht door het VLIZ, konden onderzoekers met geluidsgolven ettelijke meters diep in de zeebodem turen. Het brengt de zeebodem en onderliggende structuren in zeer groot detail en drie- dimensioneel in beeld. De gevonden sporen zijn nog maar een start. Verder onderzoek zal meer klaarheid moeten brengen en hopelijk nog meer tippen van de sluier lichten.

 

Bibliografie

  • Augustyn B. (1992). Zeespiegelrijzing, transgressiefasen en stormvloeden in maritiem Vlaanderen tot het einde van de 16e eeuw. Een landschappelijke, ecologische en klimatologische studie in historisch perspectief, Brussel.
  • Pieters M., L. Schietecatte & I. Zeebroek (red.)(2004). Oostende: Stadsvernieuwing en Archeologie. Een balans van 10 jaar archeologisch onderzoek van het Oostendse bodemarchief. Brussel.
  • Tys D. (2003). Landschap als materiële cultuur. De inter­actie tussen macht en ruimte in een kustgebied en de wording van een laatmiddeleeuws tot vroegmodern landschap. Kamerlings Ambacht, 500-1200/1600. Unpublished doctoral dissertation Mss., Free University of Brussels.
  • Tys D. (2005). Domeinvorming in de ‘wildernis’ en de ontwikkeling van vorstelijke macht: het voorbeeld van het bezit van de graven van Vlaanderen in het IJzerestuarium tussen 900 en 1200. In: Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis 7: 34-87.
  • Vlietinck E. (1897). Het oude Oostende en zijne Driejarige Belegering (1601-1604). Opkomst bloei en ondergang met de beroerten der XVIe eeuw.

                      

 

De Grote Rede (VLIZ)

 

 

  LMB-BML 2007 Webmaster & designer: Cmdt. André Jehaes - email andre.jehaes@lmb-bml.be
 Deze site werd geoptimaliseerd voor een resolutie van 1024 x 768 en IE -11-Edge
Ce site a été optimalisé pour une résolution d'écran de 1024 x 768 et IE -11- Edge