HISTORIEK  HISTORIQUE  HISTORIC

 

 

Kredietverlening aan zeelieden in de achttiende eeuw (II)

 

HET DOEL VAN DE LENINGEN

Waar hadden deze opvarenden al dat geld voor nodig? In een aantal akten wordt het doel van de lening omschreven. Daarbij vallen termen als: ‘voor kost, drank, huisvesting en verschoten penningen’, ‘voor zijn nodige uitrusting’, ‘ter leen ontvangen en genoten, en tot zijn nodige uitrustinge wederom aangelegt en besteed’ en ‘voor zoveele contante en aan hem toegetelde penningen’. Op basis van deze omschrijvingen kunnen de volgende doelen worden onderscheiden: een krediet voor genoten kost en inwoning bij een logementhouder, een krediet bij een koopman voor gekochte goederen of een lening van contant geld van een koopman/ondernemer of een particulier. Omdat deze kredieten en leningen vlak voor vertrek werden aangegaan, is het aannemelijk dat opvarenden de gekochte goederen en het contante geld meenamen naar Indië. Een opvarende kon de gekochte goederen daar met winst verkopen en met het meegesmokkelde geld kon hij koerswinst behalen of in Indië goederen kopen om die na terugkomst in patria met winst te verkopen. Het smokkelen van geld gebeurde door opvarenden van alle rangen. Bij onderzoek van wrakken van VOC-schepen is gebleken dat veel geld naar Indië werd gesmokkeld, vooral in de vorm van zilveren dukatons, omdat die munt daar erg gewild was.

Een goed voorbeeld van krediet van een logementhouder is de lening van Jacob Jurriaanse uit Sunderburg , matroos op de Berkenrode. Hij leende 50 gulden van zijn slaapbaas Jochem Sijbrands ‘wegens contante penningen en kost, drank en huisvesting en uitrusting’ terug te betalen bij thuiskomst. Overigens had Jurriaanse naast deze lening ook een schuldbrief van 150 gulden afgesloten, op naam van zijn slaapbaas Jochem Sijbrands. Blijkbaar vond zijn slaapbaas de schuldbrief als betaling niet genoeg. Het was Jurriaanses eerste reis met de VOC. Wellicht was Jurriaanse na aankomst uit het Deense Sonderborg lange tijd bij Sijbrands in de kost geweest voor hij een plek op een VOC-schip kon vinden.

In het databestand komen 23 leningen voor met expliciet ‘genoten huisvesting, kost, drank en uitrusting’ als reden voor het krediet. De bedragen variëren van 40 tot 300 gulden, met een gemiddelde van 124 gulden en een mediaan van 68 gulden. De geldleners kwamen uit diverse rangen: zeventien matrozen, twee bootsmansmaats, een tweede meester, een kwartiermeester, een adelborst en een derde waak. Het is niet verrassend dat zestien van deze 23 zeelieden afkomstig waren uit het buitenland; zij hadden immers zeker een slaapplek in Amsterdam nodig gehad. Er is verder sprake van 20 verschillende crediteuren. Bij de meeste leningen van slaapbazen werd geen rente gerekend. Vermoedelijk bevatte het geleende bedrag al een opslag voor rentekosten.

Het tweede type obligatie betreft een krediet voor gekochte koopwaar. Zo is er de lening van Michiel Sandersz, onderstuurman van de Rooswijk, die verklaart 276 guldens en 17 stuivers schuldig te zijn aan Pieter Franse, koopman, terug te betalen over 24 maanden, met 4% rente vanaf heden. Hoewel de tekst niet expliciet spreekt van geleverde goederen maar van ‘aan hem toegetelde contanten’, lijkt het hier toch zeker over krediet voor koopwaar te gaan. De gelduitlener is een koopman en het lijkt bovendien onlogisch om contant geld te lenen in de vorm van een gebroken bedrag.

Het aantal leningen voor koopwaar is niet exact vast te stellen, omdat in veel gevallen een duidelijke omschrijving ontbreekt. Het databestand bevat dertien leningen van gebroken bedragen, variërend van 162 gulden en 10 stuivers tot 1238 gulden en 2 stuivers. Daarnaast zijn er leningen met allerlei onregelmatige bedragen wat ook op krediet voor koopwaar zou kunnen duiden, zeker als de omschrijving luidt ‘voor zijn uitrusting’ (40 keer) en/of als de gelduitlener volgens de akte of volgens de Amsterdamse belasting gegevens van 1742 als een koopman of een andere neringdoende te boek staat (63 keer).

Tenslotte het derde type obligatie: een lening van contant geld. Dit lijkt vooral aan de orde bij leningen door opvarenden uit de hogere rangen van mooie ronde bedragen in 100-voud, met als gelduitleners rijke kooplieden en gegoede burgers. Het geleende bedrag moest binnen twee jaar worden terugbetaald aan de gelduitlener of na aankomst in Batavia aan een vertegenwoordiger, met rente 4% vanaf heden. Zo leende Jan Siksz, schipper van de Vis, 1200 Caroli guldens van Jacob Willink Meures. Hij beloofde dit bedrag binnen zes weken na zijn aankomst in Batavia te zullen betalen aan Adriaen Willijns, eerste opperkoopman bij de voc, tegen een rente van 4% per jaar. Leningen van bedragen van een 100-voud (bijvoorbeeld 1200, 1300 en 2600 gulden) betroffen vermoedelijk contant geld in de vorm van rijksdaalders van 50 of 52 stuivers per stuk. Een lening van 1300 gulden bijvoorbeeld — die zeven keer in het databestand voorkomt — betekende dan in de praktijk de overdracht van 500 zilveren rijksdaalders van 52 stuivers per stuk.


VOORWAARDEN BIJ DE LENINGEN

De leningen kenden een aantal voorwaarden, zoals met betrekking tot de looptijd, het rentepercentage en het onderpand. Ook de plaats waar en de persoon aan wie het geleende geld moest worden terugbetaald en een eventuele borgstelling waren belangrijke onderdelen van de voorwaarden.

De duur van de leningen varieerde. Als het geld moest worden terugbetaald aan de gelduitlener, gold als regel ofwel terugbetalen na terugkomst in patria, of terugbetalen na een bepaald aantal — meestal 24 — maanden, of zoveel eerder als de geldlener terug was in patria. Bij leningen die in Batavia moesten worden terugbetaald, luidde de voorwaarde dat het geleende bedrag plus de rente na aankomst binnen een bepaalde tijd moest worden betaald aan de vertegenwoordiger van de gelduitlener. Deze kon het ontvangen bedrag — minus commissie — dan op wissel terugsturen naar patria. De termijn van 24 maanden is opmerkelijk omdat een VOC-dienaar standaard voor (minimaal) vijf jaar tekende. Sommige VOC-opvarenden verwachtten blijkbaar in de praktijk binnen twee jaar weer terug te zijn in patria. De voorwaarden in de akten voorzagen overigens vaak wel in voortzetting van de lening na de genoemde termijn tegen hetzelfde rentepercentage.

Het rentepercentage bedroeg bij 157 van de 208 leningen 4% per jaar. Bij 123 leningen ging deze rente onmiddellijk in. In deze categorie vallen onder andere de leningen van grote beleggers zoals Jan van Oosterwijk, Jacob Roman en Jacob Willink Meures — over hen later meer —, maar ook leningen voor koopwaar. Bij 34 van de leningen met 4% rente ging de rente pas in na afloop van de leningstermijn van — meestal — 24 maanden. Bij twee daarvan ging het om krediet van een logementhouder en bij de overige meestal om krediet van kooplieden. Bij dit type ‘rente na twee jaar’ was vermoedelijk een opslag verwerkt in het geleende bedrag als alternatief voor rente in de eerste jaren.

Het rentepercentage van 4% lijkt tamelijk laag, in aanmerking genomen dat de rente op Hollandse staatsobligaties in deze tijd meestal ook 4% bedroeg. Op staatsobligaties werd echter wel de belasting van de 200e en 100e penning geheven — oftewel 1,5% –, waardoor deze rente effectief op 2,5% uitkwam, terwijl particuliere leningen niet werden belast. Dit verschil is wellicht een verklaring voor het animo bij kooplieden en beleggers om leningen met VOC-opvarenden af te sluiten.

Daarnaast waren er twaalf leningen met percentages van 3, 5 en 6% per jaar en 39 leningen zonder rente. Bij leningen zonder rente ging het om krediet van een logementhouder, leningen binnen de familie of leningen voor aanschaf van uitrusting. Op drie na moesten deze leningen bij terugkomst van de opvarende in patria worden terugbetaald, dus het betrof duidelijk geen bestelgeld. Drie leningen moesten in Batavia worden terugbetaald, maar ook die waren duidelijk bedoeld als krediet van een koopman.

Als zekerheid stelden de geldleners in alle gevallen hun persoon en goederen (huidige en toekomstige) en de te verdienen maandgages en andere verdiensten tijdens de reis. In geval van overlijden van de geldlener werden eventuele erfgenamen dus verantwoordelijk voor de terugbetaling van de lening. Soms vond de gelduitlener deze zekerstelling blijkbaar niet genoeg. In die gevallen werd in de akte aanvullend een persoon genoemd die persoonlijk borg stond voor de terugbetaling van de lening.

Als extra zekerheid kwam het voor dat een geldlener de VOC machtigde om, indien hij onderweg zou overlijden, namens hem de lening voor zover mogelijk af te lossen uit zijn verdiende gage. Vermoedelijk kwam daar in de praktijk weinig van terecht. Als de overledene ook een schuldbrief had afgegeven, kan worden betwijfeld of er daarnaast nog gage over was om ook de lening af te lossen. Bovendien ging het vaak om zo grote bedragen dat de tot het overlijden verdiende gage veel te weinig was om de lening af te betalen.


DE GELDSCHIETERS: LOGEMENTHOUDERS, KOOPLIEDEN EN BELEGGERS

De gelduitleners c.q. crediteuren hadden heel verschillende achtergronden, variërend van logementhouders, kooplieden en handelsfirma’s tot rijke ondernemers en renteniers. Amsterdam telde in die tijd een groot aantal logementhouders en slaapbazen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat bij de 23 akten met logementhouders 20 verschillende namen worden aangetroffen.

Ook bij de kooplieden is er sprake van een groot aantal verschillende namen. Kooplieden worden in een akte soms als zodanig aangeduid, maar vaak is dat niet het geval. Namen van uitleners als ‘Berends en Zoon’, ‘Pieter Prop en Pieter Franse’ en ‘Frederik en Gerard Stegman’ doen echter vermoeden dat het in zo’n akte ook om kooplieden gaat. Bij sommige wordt hun beroep duidelijk uit de Amsterdamse belastinggegevens van 1742. Opvarenden hadden blijkbaar een ruime keus om hun handelswaren te kopen.

Rijke ondernemers waren onder andere Jan van Oosterwijk, een lakenhandelaar wonend op de Nieuwendijk, die eind 1739 aan VOC-opvarenden in totaal 14.458 gulden uitleende tegen 4% rente per jaar, en Dirk Steenhoff, zijdefabrikant op de Fluwelen Burgwal (tegenwoordig de Oudezijds Voorburgwal), die in de onderzochte periode van ruim drie maanden in totaal 5.495 gulden aan VOC-opvarenden uitleende, ook tegen 4% jaarlijkse rente. De bedragen varieerden van onregelmatig (ƒ 7.477) tot mooi afgerond (ƒ 1.000). Bij onregelmatige bedragen lijkt er sprake te zijn van krediet voor geleverde koopwaren. Een lening van 1.000 gulden wijst echter eerder op uitlening van contant geld als belegging. Het was overigens niet ongebruikelijk dat kooplieden geld uitleenden als belegging.
Beleggers worden ook gevonden bij gegoede burgers, renteniers en leden van de Amsterdamse elite. In die laatste categorie valt bijvoorbeeld Jacob Willink Meures, die zich na een verblijf in Indië als VOC-koopman met vrouw en kinderen vestigde aan de Keizersgracht als luitenant van de Burgerij van Amsterdam, regent van het Spinhuis en Nieuwe Werkhuis en opperklerk van de Thesaurie extraordinaris. Hij leende aan vijf VOC-opvarenden in totaal 6.540 gulden uit, tegen 4% rente per jaar. Zo ook Jacob Roman, reder en Regent van het Burgerweeshuis, wonende aan de Binnen Amstel, die 2.500 gulden uitleende en Frans Adam Carelson, bankier en makelaar, wonend aan de Keizersgracht, die — soms samen met Coenraad Lokman, oud-opperstuurman VOC — voor een totaal van 7.974 gulden uitleende. Ook Daniel Camerling, in de belastinggegevens 1742 aangeduid als rentenier, leende 2.340 gulden uit. Al deze beleggers rekenden een jaarlijkse rente van 4%.

De onderzochte geldleningen geven ook zicht op de daaronder liggende sociale netwerken. Logementhouders gaven meestal krediet aan zeelieden van de lagere rangen. Beleggers zoals Willink Meures en rijke ondernemers zoals Van Oosterwijk deden — in deze periode — echter uitsluitend zaken met schippers en andere officieren. Steenhoff daarentegen leende vergelijkbare bedragen zowel aan officieren als aan middenkader uit. Het is de vraag of dit alleen met de omvang van de geldleningen samenhing of dat hier ook standsverschil een rol speelde. In de akten zijn hiervoor geen aanwijzingen gevonden.

Het valt ten slotte op dat de gelduitleners steeds dezelfde notaris inschakelden. Zo gingen geldleners bij Jacob Willink Meures (op één na) naar notaris Salomon Dorper (4×), bij Dirk Steenhoff naar notaris Isaak Angelkot (5×), bij Jan van Oosterwijk (ook) naar notaris Angelkot (6×) en bij de koopman Pieter Harsing naar notaris Philippus Pot (9×). Het lijkt ook logisch dat de gelduitlener kon bepalen bij welke notaris een geldlener zijn schuldbekentenis moest vastleggen. Uit de akten blijkt overigens niet dat de kredietverstrekkers c.q. de gelduitleners bij de ondertekening aanwezig waren. In geval van een lening van contant geld vond de overdracht van het geld kennelijk op een ander moment plaats.

 

PARTICULIERE GELDLENINGEN: OMVANG EN RISICO

Wat was nu de betekenis van deze particuliere leningen? De omvang van de particuliere leningen in verhouding tot die van de voc-schuldbrieven laat zich het beste in beeld brengen per schip. Van vijf schepen van de kerstvloot 1739 zijn de gegevens uit het Amsterdamse archief over de particuliere leningen van de bemanningsleden compleet, terwijl ook het totaal aan schuldbrieven van de hele bemanning bekend is. Het totaalbedrag aan ‘Amsterdamse’ geldleningen blijkt op deze vijf schepen ongeveer 46% te bedragen van het totaal aan krediet via schuldbrieven (zie tabel 2). Dit is overigens een onderschatting omdat Barend Lont, de opperstuurman van de Rooswijk, voor vertrek ook in Rotterdam voor ƒ 3.450 aan leningen had afgesloten, terwijl van enkele bemanningsleden van de Hogersmilde leningen na 8 januari 1740 zijn gevonden voor een bedrag van ƒ 5.814. Met inbegrip van laatstgenoemde bedragen is het totale bedrag aan geldleningen op deze vijf schepen 51% van het totaal aan schuldbrieven. Het aandeel bemanningsleden met een of meer leningen bedraagt circa 4%. Hoewel het hier een steekproef betreft, geeft dit wel aan dat particuliere geldleningen een substantiële bron van krediet c.q. contant geld waren voor VOC-opvarenden.

Anders dan bij een schuldbrief was de hoogte van een privélening niet begrensd; dat was een zaak tussen geldschieter en geldlener. Privéleningen waren daardoor vaak vele malen groter dan de maximale bedragen van de schuldbrieven. Enerzijds was dit ontbreken van een officieel maximum van een geldlening zowel voor geldschieters als voor geldleners een voordeel ten opzichte van een schuldbrief. Zo’n geldlening gaf immers de mogelijkheid om een groot bedrag aan krediet of contant geld te kunnen verstrekken c.q. verkrijgen. Anderzijds liep een geldschieter daardoor wel meer risico dan bij een schuldbrief. Er was geen garantie dat de geldlener de lening werkelijk zou aflossen. Waar bij schuldbrieven de VOC de gage van een opvarende inhield en zo als het ware spaarde voor de geldschieter, lag bij geldleningen de verantwoordelijkheid voor aflossing geheel bij de geldlener. Daarbij kwam dat de hogere bedragen nooit (geheel) uit te verdienen gage zouden kunnen worden gespaard; aflossing was afhankelijk van de handelswinst en/of koerswinst die de geldlener beoogde. Het kwam dan ook voor dat een geldlener na thuiskomst in patria een deel van de lening opnieuw bij de geldlener moest lenen.

Het feit dat een privélening bij een notaris werd geregistreerd gaf voor de geldschieters wel enige zekerheid. De obligaties vermeldden naast de naam en het geleende bedrag ook dat de geldlener in dienst was van de VOC in een duidelijk genoemde rang en op een met name genoemd schip. Zo’n akte vormde een juridische basis voor de lening, het wel en wee van de geldlener kon via de VOC worden gevolgd en de kans dat hij met de noorderzon vertrok was door het langjarige dienstverband gering.

Om het risico voor de geldschieter te beperken, hadden de geldleningen verder, zoals reeds genoemd, niet alleen de te verdienen gage, maar ook de persoon en goederen van de geldlener als onderpand. Dat betekende dat, anders dan bij schuldbrieven, de nabestaanden van een overleden geldlener via zijn nalatenschap aansprakelijk konden worden gesteld voor aflossing van het resterende deel van de lening. Als het om grote schulden ging, is het echter goed voorstelbaar dat erfgenamen zo’n nalatenschap niet wilden of konden aanvaarden en dat de geldschieter zijn geld dan toch niet terugkreeg.

Overigens konden beleggers en kooplieden het risico van geldleningen aan VOC-opvarenden verminderen door hun beleggingen en kredieten te spreiden. Zo leende de rijke burger Jacob Willink Meures in de onderzochte periode aan vijf opvarenden vergelijkbare bedragen uit, verspreid over drie schepen, Jan van Oosterwijk verstrekte zes leningen aan opvarenden van vier schepen en Dirk Steenhoff had vijf leningen lopen op vijf verschillende schepen. Dit lijkt een duidelijk teken van strategisch beleggen. Ook kooplieden hadden krediet uitstaan bij opvarenden van verschillende schepen, zoals bijvoorbeeld Pieter Harsing met negen leningen verdeeld over zes schepen. Het is echter de vraag of kooplieden hierbij actief konden sturen. Wellicht konden ze niet al te kieskeurig zijn bij de keuze van hun klanten.

Aan de kant van de grote geldleners doemt daarentegen het beeld op van ‘shoppen’ bij verschillende geldschieters. Zo leende de commandeur Otto Luder Hemmij bij negen verschillende geldleners een bedrag van in totaal 8.456 gulden. Ook de schippers Daniel Ronzieres (acht leningen), Willem Schull (zes leningen), Jan Siksz (vijf leningen) en Jan de Boer (vier leningen) sloten al hun leningen bij verschillende personen af. Vermoedelijk wisten al die gelduitleners niet dat hun ‘client’ ook bij andere geldschieters langs ging. En omdat een gelduitlener, zoals al opgemerkt, in de regel zijn eigen notaris inschakelde, had die ook geen overzicht van alle lopende leningen van een opvarende. Deze stapeling van leningen was in principe riskant voor de geldschieters omdat terugbetaling afhankelijk was van de opbrengst van de privéhandel van de geldlener. Dit bleek onder andere bij de afhandeling van de nalatenschap van Willem Schull, de schipper van de Hogersmilde, die in 1741 op Ceylon overleed. Zijn toch niet geringe nagelaten boedel van circa 44.000 gulden bleek niet voldoende om alle schulden af te betalen. Naast de zes bovengenoemde leningen had hij nog veel meer schulden. Zijn 31 schuldeisers kregen uiteindelijk elk 68 1/4 % van het door hen uitgeleende bedrag.

Voor de VOC ten slotte was de particuliere kredietstroom problematisch. De VOC probeerde gedurende zijn hele bestaan de privéhandel door opvarenden sterk in te perken. Zo werden lange tijd strenge regels gesteld aan het aantal en de afmetingen van de kisten die opvarenden in de verschillende rangen mochten meenemen. Op de heenreis was dit privégoederenvervoer meestal geen probleem omdat de schepen dan niet volgeladen waren. Op de thuisreis was de ladingcapaciteit van de schepen echter nodig voor de handelsgoederen van de VOC. Toch zagen opvarenden steeds weer kans om veel meer privégoederen mee te nemen dan was toegestaan, terwijl ook het verbod om geld aan boord mee te nemen door hoog en laag stelselmatig werd overtreden. Zo kan worden geconstateerd dat het systeem van particuliere geldleningen — anders dan de door de VOC zelf gecreëerde kredietmogelijkheden — op gespannen voet stond met het VOC-beleid.


CONCLUSIE

Particuliere, notarieel vastgelegde geldleningen door VOC-opvarenden — vooral door officieren en middenkader — kwamen veel voor. Dergelijke leningen vormden in 1739 naast VOC-schuldbrieven een substantiële bron van krediet c.q. contant geld voor VOC-opvarenden. Omdat het gebruik van een VOC-schuldbrief aan een maximum was gebonden, was een privélening voor een opvarende zonder eigen middelen of familiekapitaal de enige manier om veel handelswaar te kunnen aanschaffen en/of om een groot bedrag aan (smokkel)geld in handen te krijgen. Voor kooplieden en beleggers waren dergelijke leningen overigens ook aantrekkelijk. Ze boden aan kooplieden de mogelijkheid om een ruim krediet te verstrekken. Voor beleggers was het rentepercentage van 4% nog altijd 1,5 procentpunt hoger dan de netto-rente op Hollandse staatsobligaties en blijkbaar aantrekkelijk genoeg om het risico aan te gaan. Zo waren particuliere geldleningen voor ondernemende VOC-opvarenden een belangrijk middel om naast hun gage extra inkomsten te verkrijgen.

 

OVER DE AUTEUR Willem-Jan van Grondelle deed samen met zijn partner Els Vermij in het kader van het archeologische opgravingsproject #Rooswijk 1740 onderzoek naar de bemanning van het in 1740 vergane VOC-schip Rooswijk. Naast een onderzoeksverslag publiceerden zij diverse artikelen over de herkomst en de lotgevallen van individuele bemanningsleden van de Rooswijk. Inmiddels richten zij hun onderzoek op Zweedse immigranten in Amsterdam afkomstig van het eiland Gotland in de Oostzee.

 

 

 

 

 

 

  LMB-BML 2007 Webmaster & designer: Cmdt. André Jehaes - email andre.jehaes@lmb-bml.be