HISTORIEK  HISTORIQUE  HISTORIC

 

 

Kredietverlening aan zeelieden in de achttiende eeuw (I)


Willem --Jan Van Grondelle


Particuliere geldleningen door VOC-opvarenden


Credit always has been an important issue for sailors. Since they normally received their wages after returning from their voyage, mariners and their families depended on credit to buy goods and services before their departure. That is why the Dutch East India Company (VOC) organised a widely used sys-tem of credit facilities of its own, with well-designed checks and balances and a credit limit of about one-and-a-half annual salary. Apart from these credit facilities, some VOC-employees also took out private loans shortly before their departure. These loans were registered before a notary and could amount to up to twenty times their annual salary. This article describes and analyses this less well known credit line. Sailors without own or family funds depended on this type of credit if they wanted to buy goods for their private trading and/or to smuggle cash to Asia. As such, private loans were an important means for entrepreneurial VOC-employees to make a lot of money besides their regular wages.


INLEIDING

Vlak voor zijn vertrek in januari 1740 leende Daniël Ronzieres, de schipper van het VOC-schip Rooswijk, van acht verschillende Amsterdamse geldschieters in totaal ruim 17.000 gulden, een klein vermogen overeenkomend met ruim twintig maal zijn jaarsalaris. Hij leende dat enorme bedrag vooral om privé-handelswaar en smokkelgeld mee te nemen naar Indië. Daar kon hij dan Indische goederen aanschaffen om die na terugkomst in patria met veel winst te verkopen.

Daniël Ronzieres was niet de enige VOC-opvarende die vlak voor zijn vertrek een bezoek bracht aan een notaris. Bij ons onderzoek in het Oud-Notarieel Archief van Amsterdam naar de bemanningsleden van het begin 1740 vergane VOC-schip Rooswijk bleek dat meer VOC-opvarenden voor vertrek bij de notaris een geldlening lieten vastleggen. Zo werden 208 geldleningen aangetroffen van opvarenden van schepen die eind 1739 en begin 1740 gereedlagen om naar Indië te vertrekken.

In dit artikel staan twee vragen over deze geldleningen centraal. Wat was de omvang en de structuur van de particuliere, notarieel vastgelegde geldleningen van VOC-opvarenden? En wat was de betekenis van deze geldleningen in vergelijking met de door de VOC zelf georganiseerde kredietmogelijkheden voor haar opvarenden, zoals de schuldbrieven die opvarenden konden opnemen bij de VOC? Na een korte beschouwing over krediet voor zeelieden in het algemeen, worden eerst de geldleners beschreven en de omvang, de kenmerken en het doel van de gevonden leningen. Vervolgens komen de achtergronden van de geldschieters aan de orde. Daarna worden de particuliere geldleningen qua omvang, risico en toepassing vergeleken met de VOC-schuldbrieven. Het artikel wordt afgesloten met enkele conclusies.


KREDIET IN DE ACHTTIENDE EEUW, IN HET BIJZONDER VOOR VOC-OPVARENDEN

De Republiek der Verenigde Nederlanden kende in de zeventiende en achttiende eeuw al een goed functionerende financiële markt. Terwijl het bankwezen zoals we dat nu kennen pas in de negentiende eeuw ontstond, bestond er in de eeuwen daarvoor ook een goed georganiseerd systeem om de vraag naar en het aanbod van kapitaal bij elkaar te brengen. Er was een betrouwbare registratie, een redelijke verdeling van het risico tussen debiteur en crediteur en een goed geregelde conflictoplossing via de rechter. Deze mogelijkheid van het verkrijgen van krediet van relatief onbekende marktpartijen is een van de pijlers geweest van de economische groei van de Republiek in de zeventiende en achttiende eeuw.

Reeds in de middeleeuwen bestond de verplichting om de verkoop van onroerend goed te laten vastleggen bij de lokale overheid. Geleidelijk aan leidde dit tot de registratie van allerlei financiële contracten bij de schepenbank. De erkenning in 1530 van notarissen als officiële instanties wier documenten rechtskracht hadden, verbreedde de mogelijkheden om juridisch bindende afspraken over kredietverlening en geldleningen vast te leggen. Daarnaast bestond er de mogelijkheid van onderhandse contracten, terwijl voor kleinere bedragen ook voorbedrukte formulieren in zwang raakten om geldleningen vast te leggen. De invoering van het zegelrecht — een belasting op financiële contracten — in 1624 maakte deze formulieren met zegel tot een veelgebruikte contractvorm. Door deze ontwikkelingen kreeg een groot deel van de bevolking toegang tot de financiële markt.

Dat gold ook voor zeelieden. Voor hen was krediet van veel belang om vóór hun vertrek aankopen te kunnen doen en/of contant geld in handen te krijgen. Ze ontvingen hun loon immers pas na terugkeer van een vaak lange reis, terwijl ze in afwachting van hun vertrek wel kosten moesten maken voor tijdelijke huisvesting en voor de aanschaf van hun zeemansuitrusting. Daarnaast was er voor sommigen ook de zorg voor hun achterblijvende vrouw en kinderen, die tijdens hun afwezigheid ook financieel rond moesten zien te komen. Dankzij het instituut van de waterschout konden zeelieden geld lenen van kooplieden en andere handelaren. De waterschout werd door de lokale overheid aangesteld om een ordelijke gang van zaken rond de haven en de handel aldaar te regelen. Een van zijn taken was de registratie van leningen (kredieten) aan zeelieden. Hij was aanwezig bij de uitbetaling van gage na afloop van een reis en zag erop toe dat een deel van de gage werd gebruikt om bestaande leningen af te lossen. Het ging hierbij overigens veelal om kleine bedragen. Dit systeem gaf de kooplieden veel vertrouwen, waardoor kredietverstrekking algemeen werd toegepast. De regels van de waterschout golden echter niet voor opvarenden van de Oost- en West-Indische compagnieën en van de Admiraliteit. Deze instanties hadden hun eigen regels.

Het belang van krediet was voor opvarenden van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) wellicht nog groter dan voor andere zeelieden door de lange duur van hun reizen. Hun loon werd namelijk deels in Azië en voor de rest pas na terugkomst in patria uitbetaald. Daarom kende de VOC drie vormen van voorschot of kredietverstrekking op basis van de nog te verdienen gage. In de eerste plaats kreeg een opvarende bij aanmonstering bij de VOC standaard een voorschot van twee maanden gage ‘op de hand’, vooral bestemd voor de aanschaf van zijn uitrusting. Dit bedrag werd bij de eindafrekening in mindering gebracht op zijn gage. Daarnaast kon een opvarende bij aanmonstering desgewenst een op naam gestelde maandbrief tekenen, waarmee zijn echtgenote (of een familielid) tijdens zijn afwezigheid in Indië jaarlijks alvast een vierde deel van zijn gage kon krijgen. Dit werd ‘vermaken’ genoemd. De echtgenote of het familielid moest dit bedrag zelf gaan ophalen bij het kantoor van de VOC.

Ten slotte kon een opvarende bij aanmonstering ook een (verhandelbare) schuldbrief oftewel transportbrief tekenen, bijvoorbeeld als hij een schuld had bij een logementhouder of een koopman. Zo’n schuldbrief was een bewijs van geldlening met zijn nog te verdienen gage als onderpand. De kredietverstrekker kon op vertoon van deze schuldbrief het uitgeleende bedrag — in delen — op het VOC-kantoor gaan innen. Een opvarende kon met een schuldbrief ook een fictieve schuld genereren, bijvoorbeeld aan zijn vrouw. Zijn vrouw kon op die manier tijdens zijn afwezigheid — in aanvulling op de maandbrief — een bedrag aan contant geld verkrijgen door de schuldbrief te innen.

De hoogte van een schuldbrief was beperkt tot ƒ 150 voor ‘gewone’ zeelieden en soldaten en ƒ 300 voor de hogere rangen. Terwijl het bedrag op een schuldbrief aanvankelijk de feitelijke schuld aan een kredietverstrekker vermeldde, werd het al snel gewoonte om een schuldbrief voor het vaste bedrag van ƒ 150 of ƒ 300 te tekenen. Een schuldbrief van ƒ 150 betekende voor veel opvarenden een forse schuld, als men bedenkt dat een matroos met een gage van ƒ 9 per maand bijna anderhalf jaar moest werken voor hij op deze manier uit de schulden was. Toch tekende het overgrote deel van de opvarenden een schuldbrief.

Obligatie van Michiel Sanders, onderstuurman op de Rooswijk, voor een lening van 276 gulden en 17 stuivers van Pieter Franse te Amsterdam.

Een belangrijk aspect van de schuldbrieven was de verhandelbaarheid. Voor logementhouders en kooplieden was het verstrekken van krediet aan een VOC-opvarende om verschillende redenen riskant. In de eerste plaats was het sterftecijfer onder VOC-opvarenden hoog. Gemiddeld kwam slechts een op de drie VOC-dienaren na een reis terug in de Republiek. Er was dus een reëel risico dat de schuldenaar onvoldoende gage zou verdienen om zijn schuld (geheel) af te lossen. En ook als dat wel lukte, duurde het lang voor de kredietverstrekker zijn geld uitgekeerd kreeg. Logementhouders en kooplieden hadden er daarom belang bij om hun schuldbrieven te verkopen aan zogenaamde transportkopers, kapitaalkrachtige handelaren die schuldbrieven als een investering gebruikten. Ze kochten op grote schaal transportbrieven op, maar wel — vanwege het risico — tegen een fors lagere prijs, zo ongeveer de helft van de oorspronkelijke waarde. Een transportkoper kon door de grote aantallen per saldo toch winst maken, terwijl de logementhouder onmiddellijk een, weliswaar lager, bedrag in handen kreeg en bovendien was verlost van het risico van oninbaarheid van de schuldbrief.

Al met al konden opvarenden hun schuldbrieven gebruiken om krediet te verkrijgen voor geleverde diensten en goederen of om contant geld voor hun familie of voor henzelf. Als een opvarende echter een grote hoeveelheid goederen of veel contant geld wilde meenemen naar Indië, dan was een schuldbrief door de maximumwaarde van 150 (of 300) gulden slechts beperkt van nut. Het is dan ook niet verwonderlijk dat VOC-opvarenden naast een schuldbrief regelmatig voor hoge bedragen geldleningen afsloten, die notarieel werden vastgelegd. Gelderblom, Hup en Jonker hebben uitvoerig onderzoek gedaan naar schepenkennissen en notariële akten in Amsterdam, Antwerpen, Den Bosch, Gent, Leiden en Utrecht over een periode van twee eeuwen. Daarbij werden in de Amsterdamse archieven in de steekjaren tientallen (in 1620 en 1700) tot vele honderden (in 1660, 1740 en 1780) geldleningen van VOC-opvarenden gevonden. Hieruit kan worden geconcludeerd dat notarieel vastgelegde leningen in de zeventiende en achttiende eeuw een structureel onderdeel waren van de kredietmogelijkheden voor VOC-opvarenden. De in dit artikel onderzochte 208 geldleningen over een periode van ruim drie maanden in 1739 passen in dit patroon. In de eindpublicatie over hun onderzoek hebben Gelderblom c.s. dit type leningen buiten beschouwing gelaten vanwege de gewenste vergelijkbaarheid tussen de zes bestudeerde steden. Van Bochove maakt wel melding van notarieel vastgelegde geldleningen door zeelieden, maar tot op heden ontbreekt in de literatuur een analyse ervan. Met dit artikel wordt beoogd een invulling te geven aan dit tot nu toe weinig belichte aspect van de kredietverlening aan VOC-opvarenden.


PARTICULIERE GELDLENINGEN DOOR VOC-OPVARENDEN

Bij een eerder onderzoek in het Oud-Notarieel Archief van Amsterdam naar de bemanning van de Rooswijk hebben wij uit de protocollen van 51 Amsterdamse notarissen alle akten van opvarenden van VOC-schepen in de periode oktober 1739 tot en met 8 januari 1740 genoteerd. Dit databestand van ruim drie maanden bevat in totaal 326 notariële akten van VOC-opvarenden, verdeeld over testamenten (10), procuraties (81), obligaties (219) en overige akten (16).

In dit artikel staan de obligaties of schuldbekentenissen centraal. Elf van de 219 obligaties hebben geen betrekking op kredietverlening maar op zogenaamd bestelgeld. Ze vormen geen bewijs van geldlening, maar leggen de door de ondertekenaar aangenomen verplichting vast om een bepaald bedrag aan geld mee te nemen naar Indië en dat geld daar af te dragen aan een met name genoemd persoon, uiteraard zonder rente. Deze obligaties worden in deze analyse niet verder meegenomen. Het aantal echte geldleningen van bemanningsleden uit de periode van ruim drie maanden bedraagt zodoende 208.

      
De totale waarde van de leningen in de onderzochte periode bedraagt 173.140 gulden en 1 stuiver. Het gemiddelde van de 208 leningen bedraagt 832 gulden, de mediaan ligt op 570 gulden. De hoogte van de geleende bedragen varieert van 24 tot 7.477 gulden. Figuur 1 geeft een indruk van het aantal leningen per groep van 100 gulden.
De 208 leningen werden afgesloten door 131 opvarenden, verdeeld over 16 schepen. De geldleners kwamen uit alle rangen: officieren, middenkader en de ‘gewone’ zeelieden. De hoogte van de geleende bedragen varieerde sterk met de rang van de geldleners. Tabel 1 toont de verdeling van de geleende bedragen naar rang.
Officieren leenden grote bedragen. Schipper Daniël Ronzieres van de Roos-wijk leende bijvoorbeeld in totaal 17.037 gulden, schipper Willem Schull van de Hogersmilde 12.960 gulden en schipper Jan Siksz van de Vis 5.436 gulden. Ook de stuurlieden lieten zich niet onbetuigd. Zo leende Willem Klimp, onderstuurman op de Enkhuizen, 6.310 gulden en Dirk Took, opperstuurman van de Berkenrode, 6.200 gulden. Een aantal derde waken leende ook meer dan duizend gulden.

    

    

Ook sommige opvarenden van het middenkader leenden grote bedragen, zoals de oppermeester Rutger Bersch van de Buvegnies met in totaal 4.162 gulden, de opperchirurgijn Christoffel Bollee van de Beukestijn met 5.292 gulden en de schieman Cornelis Mazier van de Rooswijk met 4.000 gulden. Deze bedragen zijn des te opmerkelijker als men bedenkt dat hun maandgage ƒ 36 (chirurgijn) en ƒ 20 (schieman) bedroeg. Bij de gewone zeelieden komen veel lagere bedragen voor, variërend van 30 tot 300 gulden. De commandeur van de soldaten Otto Luder Hemmij uit Bremen sloot voor zijn reis met de Buvegnies tien leningen af van in totaal 9.456 gulden. Een lening door een soldaat komt in de onderzochte periode eenmaal voor. Deze Fredrik Blom van de Phoenix leende 297 gulden.

In grote lijnen kan worden geconcludeerd dat, zoals te verwachten was, de hoogste rangen de grootste bedragen leenden. Ook binnen het middenkader kwamen relatief hoge geldleningen voor. Het meest opmerkelijk is wellicht dat ook matrozen particuliere leningen aangingen, voor gemiddeld ruim een jaarsalaris.
Naast deze leningen hadden 58 opvarenden ook een schuldbrief getekend, terwijl 52 opvarenden geen schuldbrief hadden. Van 21 opvarenden is dit onbekend omdat hun scheepssoldijboek ontbreekt. De 58 opvarenden met een schuldbrief waren gelijkelijk verdeeld over de rangen.

 

Werdt vervolgd

 

 

 

  LMB-BML 2007 Webmaster & designer: Cmdt. André Jehaes - email andre.jehaes@lmb-bml.be