BELGISCHE MARITIEME LIGA  vzw.
LIGUE MARITIME BELGE  asbl.

Koninklijke Vereniging - Société Royale

HISTORIEK  HISTORIQUE  HISTORIC

 

De loodsboten van het Marinekorps


In 1920 kocht het Belgische Betuur van het Zeewezen drie Admirality trawlers van de Britse Royal Navy. Het ging om de HMS John Ebbs-FY3566, de HMS James Adams-FY3555 en de HMS Brigadier-FY1530. Ze werden respectievelijk omgedoopt tot loodsboot (of pilote) A4, A5 en A6. De 'A' in hun naam stond voor loodsboot "de l'Ancienne série". De A4 en de A5 behoorden tot de 'Mersey'-klasse en waren sinds 1917 in dienst. Ze werden gebouwd bij Cochrane & Sons in Selby en hadden een waterverplaatsing van 324 grt. De A6 behoor­de tot de 'Military'-klasse en dateerde van 1915. Dit vaartuig mat 303 grt en was gebouwd bij Smith's Dock Co. Ltd. in Middlesbrough.

Deze drie trawlers vervulden tussen 1920 en 1939 loodsdiensten voor de Belgische kust. Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in september 1939 zou hier echter verandering in brengen. De toenemende oorlogsdreiging, maar vooral het acute probleem van de drijvende mijnen in de territoriale wateren noopten de Belgische regering ertoe om in de schoot van de landmacht een kleine krijgsmarine op te richten. Dit 'Marine­korps' zou echter met een serieus probleem worden geconfronteerd: België beschikte niet meer over oorlogsschepen. Om deze leemte op te vullen wendde majoor Decarpentrie, de bevelhebber van het korps, zich tot de directeur-generaal van het Zeewezen (Henry De Vos). Deze re­gelde op 26 oktober 1939 de transfer van de A4 en de A6 naar het Marinekorps. Hij had beslist enkel deze oudere eenheden af te staan, omdat de modernere loodsboten (MLB13­16) nodig waren om de loodsdiensten te blijven verzekeren.

Na hun transfer naar het Marinekorps werden de A4 en de A6 omge­bouwd tot 'oorlogsschepen'. Dit hield de installatie van bewapening in. Een kanon van 47 mm werd geïnstalleerd op een daartoe geconstrueerd platform op het achterdek. Verder werden twee mitrailleurs van het type Maxim met een driepikkel op de brug gemonteerd. De installatie van deze bewapening was echter erg rudimentair: de munitie werd opgeslagen in gewone kasten op de brug, dichtbij het platform en er werd geen enkele vorm van bescherming tegen granaatinslagen voorzien voor de bemanning en de munitie. Op de romp werd de Belgische vlag en het woord 'België' geschilderd. Beide loodsboten werden bij het 1ste Escadrille van het Marinekorps ingedeeld, en als 'patrouilleur' geklasseerd. Hun taken waren het patrouilleren van de Belgische wateren, en het bestrijden van mijnen.

Een onderzoek van de vaartuigen door Decarpentrie bracht een aantal belangrijke nadelen aan het licht bij de toch wel zeewaardige vaartuigen. De diepgang van de loodsboten (4.50m) was te groot om over alle Vlaamse zandbanken te kunnen varen, waardoor de inzetbaarheidsmogelijkheden afnamen. Een ander gebrek was de extreem lange tijd, veertien uur (!), die nodig was om voldoende druk te krijgen op de stoommachine, waardoor men meer dan een halve dag moest wachten vooraleer men kon uitvaren. Men kon dit probleem wel verhelpen door ook in de haven de machines constant onder druk te houden, maar dat had een enorme stijging van het steenkoolverbruik tot gevolg. Een derde nadeel van de twee vaartuigen was het feit dat maar tegen een snelheid van negen knopen kon worden gevaren, wat het controleren en enteren van vreemde vrachtschepen geen gemakkelijke opgave zou maken.

In januari 1940 werd ook de A5 overgedragen aan het Marinekorps. Dit vaartuig werd op gelijkaardige manier uitgerust, en zou eveneens bij het Eerste Escadrille worden ingedeeld. Een derde eenheid was noodzakelijk, opdat op elk ogenblik één vaartuig op zee zou kunnen worden gehouden, terwijl de twee andere in onderhoud of op verlof waren.

Tijdens de phoney-war, de periode tussen het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en de Duitse inval in België, voerde één van de drie loodsboten bijna dagelijks patrouillevaarten uit langs de Belgische kust. Enkel wanneer de weersomstandighe­den dermate slecht waren, bleven ze in de haven. Op 21 februari 1940 begeleidde de A4 het schoolschip Mercator, bij zijn vertrek op zijn twintigste kruisvaart. De voornaamste opdracht van de drie loodsboten was echter de mijnenbestrijding. Dit gebeurde op een primitieve wijze, met het kanon, de mitrailleurs of geweren. Andere mijnenveegapparatuur was niet voorhanden. Toch slaagde het Marinekorps er in om ruim tachtig zeemijnen te vernietigen, waarvan de loodsboten het grootste gedeelte voor hun rekening namen. Zo maakte de A4 tenminste 33 stuks onschadelijk, de AS vijftien en de A6 vijfentwintig.

Onmiddellijk na de Duitse invasie van 10 mei 1940 vertrokken de drie loodsboten naar Duinkerke om er gedemagnetiseerd te worden. Tijdens deze trip escorteerden ze de Belgische stoomschepen Amethyste en Turquoise. Op 19 mei waren ze terug in Oostende. De A4 werd nog dezelfde dag naar Engeland gezonden met een hoeveelheid goud en waardepapieren van de Nationale Bank aan boord. Het is echter niet duidelijk of het om vijfhonderd miljoen Belgische frank ging of 2,5 miljard. De AS en de A6 verlieten België enkele dagen later richting Engeland, samen met de meeste ande­re vaartuigen van het Marinekorps. Het grootste gedeelte van de Belgische ('oorlogs'-)schepen werd tot 13 juni 1940 te Dartmouth door de Engelsen vastgehouden. Enkel de A6 mocht generaal Pouleur met zijn staf naar Frankrijk brengen. In de nacht van 2 op 3 juni namen ook drie eenheden van het Marinekorps deel aan de evacuatie van Duinkerke, waarbij meer dan vijfhonderd Franse soldaten in veiligheid werden gebracht. De AS had er hiervan 234 voor haar rekening genomen. Tij­dens de inscheping ontplofte er een bom vlak bij dit vaartuig, waarbij één bemanningslid (tweede meester Hermie) en vijf Franse soldaten gewond werden.

Op 13 juni mocht het Marinekorps Dartmouth verlaten. De vaartuigen bereikten de volgende dag Lorient, maar moesten daarna steeds zuidelijker vluchten, als een gevolg van de Duitse opmars in Frankrijk. Uiteindelijk bereikten de drie loodsboten, samen met de andere overblijvende eenheden van het Marinekorps St.-Jean de Luz, dichtbij de Spaanse grens. Om aan Duitse gevangenneming te ontkomen besliste majoor Decarpentrie richting Spanje te vluchten. Zes vaartuigen, waaronder de A4 en AS, bereikten Bilbao, waar ze geïnterneerd werden door de Spaanse autoriteiten. Drie eenheden (waaronder de A6) bleven echter in St-Jean de Luz, omdat hun bemanning aan het muiten was geslagen. De twee loodsboten die in Spanje aan de ketting lagen, bleven tot na de Tweede Wereldoorlog in Spanje, ondanks een Duits opeisingsverzoek. Na de oorlog keerden ze naar België terug. De A6 werd door de Kriegsmarine in beslag genomen, en dien­de als Vorpostenboot V1815. Ze ging door geallieerde actie verloren.

 


J. Van Raemdonck


Bronvermelding
J. Van Raemdonck, Het Belgische Marinekorps 1939-1940 (onuitgegeven licentiaatsverhandeling, KUL), Leuven, 1999.
NEPTUNUS OKTOBER - OCTOBRE 99 189

 

 

 

  LMB-BML 2007 Webmaster & designer: Cmdt. André Jehaes - email andre.jehaes@lmb-bml.be
 Deze site werd geoptimaliseerd voor een resolutie van 1024 x 768 en IE - 7- 8- 9 -10-11
Ce site a été optimalisé pour une résolution d'écran de 1024 x 768 et IE - 7 - 8 - 9 - 10-11
Your browser must be enabled for Java and JavaScript