HISTORIEK  HISTORIQUE  HISTORIC

 

Dukdalf


Deze in maritieme kringen welbekende term, duidt op de zware, houten palen die in havens worden aangewend om schepen aan te meren of om de vaargeul aan te duiden. Ze bestaan uit vertikale balken, geschoord door horizontale en diagonale verbindingen. Vaak vindt men deze constructies in de havengeul, vóór sluizen en bruggen waar schepen moeten manoevreren.

De meest plausibele verklaring ziet dukdalf als een verbastering van Duc d’ Albe, de Franse benaming voor de hertog van Alva. Deze Spaanse veldheer, wiens volledige naam Fernando Alvarez de Toledo luidde (1507-1582) voerde van 1567 tot 1573 -- tijdens de Spaanse bezetting van de Nederlanden op last van koning Filips II -- een waar schrikbewind over onze gewesten. In Brussel zette hij een bijzondere rechtbank op die 18.000 mensen liet terechtstellen, waardoor hij in het collectieve geheugen van de bewoners der Lage Landen gegrift staat als de grootste tiran uit de vaderlandse geschiedenis. In de 16de eeuwse volksmond en ook later werd hij op z’n Frans duc d’alve (wat in de Nederlandse uitspraak klonk als dukdalf) genoemd, getuige een citaat van Wigardus van Winschooten uit 1681: ”Dukdalf, een gebroken woord, dog seer bekend in deese Nederlanden, als hebbende de naam van dien wreeden bloedhond Duc de Alba, Gouverneur van deese Landen”. Een tijdlang is de dukdalf in de gewone Nederlandse woordenschat gebruikt ter aanduiding voor een dictator, een wreed-aard, een tiran. Zo schrijft de Nederlandse auteur Justus van Effen in 1731 in zijn tijdschrift de Hollandsche Spectator dat hij door een bende vrouwen (”een party wyven”) uitgescholden werd ”voor een tyran, voor een beul, voor een Ducdalf”. Zo’n naamsoverdracht noemen we een metafoor, d.w.z. iets wordt benoemd met de naam van iets anders, waar het gelijkenis mee vertoont.

Die gebruikswijze van de tot soortnaam ontwikkelde eigennaam heeft zich blijkbaar niet doorgezet tot het huidige Nederlands. Na 1750 vinden we geen sporen meer van het woord dukdalf in de betekenis ‘wreedaard, tiran’. Een andere metaforische toepassing van ‘s hertogs volkse naam heeft wel de tand destijds weerstaan, nl. dukdalf als benaming voor de meerpaal in de haven. Ducdalf als naam voor die paal, is behalve een metafoor ook een eponiem, nl. een soortnaam afgeleid van een persoonsnaam.

Als zodanig duikt het woord voor het eerst in geschriften op in een bron uit het Oost-Friese Emden, waar de Watergeuzen (de tegenstanders van de Spanjaarden in de Tachtigjarige Oorlog) een basis hadden. Vraag blijft welke gelijkenis men zag tussen een meerpaal en de bloeddorstige hertog? Daarover lopen de meningen uiteen. Ewoud Sanders, in zijn Eponiemen Woordenboek (1990), noemt er vijf:

1) de hertog was even hard en onverzettelijk als een dukdalf,

2) de meerpaal werd door de hertog uitgevonden of ingevoerd,

3) de scheepstrossen worden zo strak om de dukdalf aangesnoerd dat men er graag de halsvan de hertog zelf in zag,

4) door de beweging van het water lijkt de paal voortdurend te duiken en ook Alva ontliep de strijd wel eens,

5) de meerpaal werd naar Alva genoemd om hem te vernederen. Immers, op een afstand gezien hebben de palen enigszins de gedaante van een mager mensenhoofd, dat uit een Spaanse mantel steekt.

Magda Devos vindt verklaring (3) -- met haat en (machteloze) woede als voedingsbodem voor taal-creativiteit-- het meest plausibel, gezien de haat die de bevolking voor deze “bloedhond” koesterde. Een lichtjes afwijkende variant hiervan wordt in Gent verteld, nl. dat men Alva op zijn kop wilde slaan met dezelfde zware hamers waarmee dukdalven in de bodem worden geheid.

Volgens sommigen zou het woord dukdalf ontstaan zijn in Amsterdam, maar daarvoor worden geen bewijzen aangedragen. Waarschijnlijker lijkt dat de naam herkomstig is uit de opstandiger havensteden dan het toen nog koningsgezinde Amsterdam, zoals Gent of Antwerpen, waar het protestantisme diep wortel had geschoten en waar de vijandigheid tegenover de Spanjaarden veel nadrukkelijker verspreid was in brede lagen van de bevolking. En waar men er luidop van droomde om die vreselijke Duc d’Alve te trakteren op een paar pittige slagen van de heihamer, kwestie van hem definitief onschadelijk te maken.

Een andere verklaring vinden we in het etymologisch woordenboek Van Dale. Volgens deze bron zou dukdalf ook kunnen zijn gevormd uit twee andere woorden, namelijk het Middelnederlandse dock(e) (‘klos, blok, scheepsdok’) en dolfijn (Engelse ‘dolphin’ betekent ook nu nog meerpaal), en naderhand vervormd tot dukdalf. Deze verklaring is echter minder plausibel, en wel om twee redenen. Enerzijds is de overgang van de veronderstelde oorspronkelijke Nederlandse vorm dokdolfijn naar dukdalve/dukdalf klankwettig moeilijk hard te maken (vanwaar de klinkerovergang o > u in het eerste deel, als het woord dok in geen enkel Nederlands dialect tot duk is geëvolueerd?). Anderzijds kan in de historische bronnen van het Nederlands en zijn dialecten ook nergens een wisselvorm van dukdalf worden teruggevonden die in zijn fonetische gedaante naar de vermeende grondvorm dokdolfijn verwijst: noch het eerste, noch het tweede bestanddeel van het woord worden ooit met het klinkerteken ‘o’ g gespeld.


De Grote Rede

 

 

  LMB-BML 2007 Webmaster & designer: Cmdt. André Jehaes - email andre.jehaes@lmb-bml.be
 Deze site werd geoptimaliseerd voor een resolutie van 1024 x 768 en IE -11-Edge
Ce site a été optimalisé pour une résolution d'écran de 1024 x 768 et IE -11- Edge