BELGISCHE MARITIEME LIGA  vzw.
LIGUE MARITIME BELGE  asbl.

Koninklijke Vereniging - Société Royale

HISTORIEK  HISTORIQUE  HISTORIQUE

 

Get a history, become criminal:de vissers-piraten van Walraversyde


Dries Tys

 

INLEIDING


Vissers - en bij uitbreiding iedereen die niet tot de toplaag van de bevolking (adel, tophandelaars, ...) behoorde - komen zelden in de historische geschreven bronnen voor. Deze bronnen zullen voornamelijk de aandacht vestigen op de belangrijkste personen van de samenleving. Echter, vanaf het moment dat iemand een crimineel feit pleegde of iets deed dat afweek van de normale gang van zaken, rapporteren de historische bronnen ook onder die toplaag van de bevolking. Zo niet anders voor de vissers-piraten van Walraversijde.

 

ZEEVISSERS IN HET MIDDELEEUWSE VLAANDEREN

Waar landbouwdorpen in het middeleeuwse Vlaanderen (bv. Middelkerke, Slype, ...) bij uitbreiding het volledige Noordzeegebied bij wijze van spreken uit een kerk en vijf boerderijen bestonden, leefden zeevissers in grote gemeenschappen. Walraversijde, één van de grotere visagglomeraties langs onze kust, had vermoedelijk zo’n 500 à 800 inwoners. De vissers waren net zoals vandaag de dag vaak lang weg van huis. Aan de top van de hiërachie in de 12de eeuw, 13de eeuw stonden de kapiteins: zij waren de eigenaars van de schepen tot aan de 1 5de eeuw. De middeleeuwse zeevissers waren ook gekend omwille van hun kennis van de zee en de zeeroutes. Het waren kennisdragers en ze werden ook geregeld geconsulteerd omwille van die kennis. Ze waren daarenboven berucht voor hun gewelddadigheid en de kaapvaart. Vissers werden ook altijd geassocieerd met marginaliteit. De “landmensen” of de landbouwersbevolking achter de duinen vreesde hen. De vissers trotseerden steeds de gevaren van de zee en toch kwamen ze keer op keer terug: “de visschers die wonen up te yden (= de haventjes) van der zee die ghaen bi daghe ende bi nachte due de vorseide dunen upt vloedeninc te hare scepen om te vaerne ter zee”. Er heerste een soort wantrouwen t.o.v. de middeleeuwse zeevissers. Vis was nochtans een heel belangrijk bestanddeel van de middeleeuwse voedselcultuur. Vis kwam heel geregeld aan tafel en kon ook een heel valabel feestmaal opleveren. Fig. 1 toont een vismarkt uit de 14de eeuw waar grote vissen in pepersaus, zoute paling en gebakken snoek in mosterdsaus werden geserveerd als hoofdmaaltijd.

Er waren meer dan 30 vissershavens en aanlegplaatsen aan de middeleeuwse Vlaamse kust (12de - 14de eeuw) gaande van Witzant (het huidige Wissant in Frankrijk) tot en met Biervliet:
Witzant, Dijkland, Zandgat, Hildernesse, Kales, Peternesse, Coulogne, Marck, Ooie, Sint-Folkwin, Loon, Mardyck, Sinte, Duinkerke, Hyte, Tetegem, Yde van Zuydcoote, Ghyvelde, Koksyde, Nieuwe Yde, Nieuwpoort, Lombardsyde, Walraversyde, Oostende, Blutsyde, Yde van Wenduine, Scarphout/Blankenberge, Wayn, Heist, Muide, Slepeldamme, Koksyde bij Sluis, Waterdunen, Hugevliet, Lapscheure, Biervliet,.
..

                  

DE RELATIE OVERHEID - ZEEVISSERIJ

De zeevisserij heeft altijd op één of andere manier in contact gestaan met de overheid. De visserij was een manier om in je brood of levensonderhoud te voorzien en de vissers stonden aan de marge van de samenleving. Maar de zeevisserij was niet zo maar een overlevingsstrategie als dusdanig. Ze leek al van in de volle middeleeuwen ook voor een stuk gestimuleerd te zijn door de overheid. In de 10de eeuw was de jacht op zeezoogdieren een vorstelijk recht (fig. 2). De graaf van Vlaanderen nam niet zelf de harpoen ter hand maar deelde dat recht uit. In 1121 schonk de graaf een “pinam de cetam” (een walvisstaart) aan de abdij van Sint-Winoksbergen.

De abdij noteerde dit in haar documenten, dus ze vond dit zeer waardevol. Ook in 1396 zien we dat een bruinvis en drie zeehonden als geschenk worden aangeboden aan de bisschop van Luik. Zeezoogdieren hadden met andere woorden een bepaalde status.

Ook paling was een vissoort die niet zomaar gevangen mocht worden. De palingvisserijen werden door de graaf van Vlaanderen uitgedeeld aan de adel als een soort recht. De adel ging uiteraard zelf niet vissen maar opnieuw controleerde de overheid - via de adel - de visvangst op paling. Zo moesten vissers in Wisbech (Groot-Brittannië) bv. een rente van 33.000 palingen aan de vorst betalen. Ook bij ons werden in 10de - 11 de eeuw “palincsetes” ingericht waar goederen werden uitgedeeld aan de adel. Men viste dus in opdracht van de adel en de graaf van Vlaanderen. De vroegste vismarkten ontstonden dan ook niet voor niets naast de grafelijke burchten. De vismarkt van Brugge werd bv. ingericht aan de achterkant van de Burg van Brugge en ook de vismarkt van Gent ligt op het terrein van de grafelijke burcht aan het Sint-Veerleplein bij het Gravensteen. Er was dus een directe relatie tot het machtscentrum van de graaf.


OVERHEIDSINMENGING TE WALRAVERSIJDE
Walraversijde was, zoals hierboven reeds vermeld, veel meer dan een boerendorp (fig.3., links) en ook hier was er een verbinding met de macht. Het lijkt erop dat Walraversijde ontstaan is in het grafelijk domein dat op die plek lag. Alle gekleurde stukken land in fig. 3 (rechts) zijn het oude domein van de graaf van Vlaanderen. Het bruine stuk is dat gebleven tot aan de Franse overheersing, het blauwe stuk werd eind 10de eeuw door de graaf geschonken aan de abdij van Sint-Pieters van Gent. Het waren de mensen die in de grafelijke domeinen woonden die begonnen met de visserij en in die domeinen ontstonden dan ook vissershaventjes en –dorpen. Nieuwpoort en Oostende waren eveneens grafelijke stichtingen en volledig in eigendom van de graaf.

              

Walraversijde werd eveneens gekoppeld aan het idee van marginaliteit namelijk dat “de lieden van Walraversyde scamel lieden zyn, daerof den meesten daeghelicx ter zee varen moeten ende dandere huere ambochten doene, waerby zy hueren nootdorst winnen moeten om by te levene” (1479). Maar er is meer. De overheidsinmenging die al van in de volle middeleeuwen bestond, beperkte zich niet alleen tot het stimuleren of controleren van de visserij op één of andere manier. De overheid ging ook in rechtstreekse dialoog met de vissers. Vissers werden bv. geconsulteerd door de schepenen van de Brugse Vrije die op 23 september 1449 naar Walraversijde waren getrokken “omme aldaer advys te nemene metten stiermans (= stuurlieden) ende ouderlinghen hoe men best de grote scepen ter Sluus int Zwin bringhen zal zonder breken ende wat voorzienichede men hebben zal vanden “quaden zoute daer de visschers haren harynck ende visch mede zouten”. Men vroeg dus enerzijds aan de vissers hoe men best het Zwin kon bevaren zonder schade op te lopen. Anderzijds was men geïnteresseerd in de kwaliteitseisen die moeten worden gesteld aan zout om vis op een goede manier te kunnen pekelen. De vissers bezaten m.a.w. niet alleen de kennis van het terrein (de zee, het milieu) maar ook de nodige technische competenties en de overheid maakte hier gebruik van.


Kaapvaart en piraterij

Walraversijde moet een belangrijke vissersgemeenschap geweest zijn en een pikant detail is dat er duidelijk contacten waren met de hogere politieke autoriteiten. Op het einde van de 14de eeuw (1385 – 1387) na een hele reeks interne conflicten in Vlaanderen en aan de vooravond van de Bourgondische overheersing en steunde Vlaanderen/Bourgondië de Honderdjarige Oorlog van Frankrijk met Engeland. Er werden – voor het eerst in de bronnen - zogenaamde “admiraals van de zee” aangesteld. Ze hadden geen eigen vloot, maar onderhandelden met de vissers en namen vissersboten aan om deel uit te maken van de vloot. Dat ging deels om konvooiering of het beschermen van de bestaande vissersvloten door gewapende boten. Maar daarnaast betrof het ook oorlogvoering. Men heeft zelfs een poging ondernomen (die weliswaar is mislukt) om met een vloot Engeland binnen te vallen. Ten slotte had het ook te maken met kaapvaart meer bepaald het doelgericht en moedwillig aanvallen van Engelse schepen in opdracht van de hertog/ graaf om de zo de Engelse economie schade aan te brengen. Deze drie zaken zijn niet echt te onderscheiden, ze komen op hetzelfde neer. Daarbij komt ook nog de piraterij wanneer schepen werden overvallen zonder hertogelijke goedkeuring.

De vissers van Raversijde, Oostende, Heist, Nieuwpoort, enz. bedreven dus konvooiering, oorlogvoering en kaapvaart in opdracht van de hertog maar tegen de belangen van de grote handelssteden zoals Brugge, Gent, Ieper. Deze steden verzetten zich tegen de politiek van de hertog. We vinden dit terug in de rekeningen van de schepenen van Brugge en de schepenen van het Brugse Vrije: “Willem van Messem ende Jan van Boeyegheem ts maendaechs den 13sten dach in november te Brucghe met den ghedeputerden vanden steden ter parlamente daer de maren camen dat die van Biervliet, Hughevliete, Blankenberghe, Oostende, Wilravenshide ende vander Nieuwerpoort elc bi wilen hadden ter zee gheweist ende der cooplieden van Ingheland ende ooc Hollanders ende Oosterlinghen goet ghenomen ter zee ende te land ghebrocht daer zijt onderlingh ghedeelt haddenu up dwelke de voorseide ghedeputerde van den steden raet ende avys hadden dit nemmer gheschien zoude ende drougen over een te zendene an onsen gheduchten heere vanden welken elc vanden ghedeputerden vanden steden namen haer verhalen”. Brugge is m.a.w. ongerust, ze hebben als handelaars immers goede contacten nodig met Engeland, Holland en de Oosterlingen (de handelaars van de Hanzen). Brugge zag zijn economisch verkeer verstoord door de politieke kaapvaart en richtte daarom een brief aan de hertog om hier iets aan te veranderen. De schepenen richtten zich ook specifiek tot Heist en Walraversijde. Deze twee plaatsen komen vaak terug in de bronnen, wat doet vermoeden de vissers daar zowat de grootste schurken op de zee moeten zijn geweest. “Jan Zuerinck ende Jan de Baenst swondaeghs den laetsten dach in april te Heys, te Wilravenshyde, omme de zeelieden te verbiedene van sghemeens lands weghe dat zij gheene rebelhede doen zouden up Inghelsche iof up andre varende bider zee up de vrienscepe vander lande”. Ook op 23 april 1404 gaan de raadsheren en schepenen van Brugge “te Blankenberghe, t’Oostende, Wilravenshide, Lombardien, Nieupoort, Dunkerke ende te Greveninghe omme te sprekene met ... den sciplieden (= de schippers), hemlieden te zecghene van t ghemeens lands weghe dat niement uut varen zoude ter zee noch laten varen omme roven of om yement scade te doene, iof het ne ware bibevelle van onsen gheduchten heere ende zinen lande van Vlaendren”. Ze vroegen dus aan de vissers zelf alsjeblief doe het niet tenzij je heel expliciet de opdracht krijgt van de hertog. Vissers gingen met andere woorden iets te snel over tot kaapvaart/piraterij buiten het officieel toegestane en men wou zelfs een schadevergoeding vragen om de Engelse vissers en handelaars te vergoeden: “ende dat men bi alle weghe van groten vervolghen doen zoude an den coninc van Ingland, omme restitucie van scaden die d’ Inghelsche den Vlamingen grotelike gedreghen hebben ter zee”.

In 1420 zien we dat er in Duinkerke (toen ook een kleine handelsstad binnen Vlaanderen en Bourgondië) een aantal vissers gearresteerd werden omdat zij een aantal schepen beroofd hebben: “Jan van Boneem ende Jan vander Rive, tsondages den 27e in april te Duunkerke omme ghetelivererd te hebbene een scip ende andere goed toebehorende Clais fs; Jans Heinricx ende zijnen veinoten, vrylaten wonende in Wilravensyde, daer ghearresterd ten verzoucke van Willem Joos ende zijnen medepleghers, poorters te Duunkerke, omme zekere sculdelike zaken van coopmanscepen, van vrechte ende anders al ombewetticht ende onverbonden al daer, twelke was in bereghent”. En in 1428: “Jan van Boneem de jonghe smaendaechs 29 in maerte bi laste van den wet ghetrocken te Coxide, ‘t Slepeldamme, te Heys, te Wendunen ende te Wilravensyde ande visschers aldaer omme hemlieden te kennen te ghevene vander wet weghe dat zij zonder begrijp haer beste doen mochten up de rovers die voor t land van Vlaenderen roofsen de cooplieden ende visschers ter zee varende ende kerende”.

 

De kapel: negotiëren tussen macht en marge

 

De vissers-piraten van Raversijde die iets te gemakkelijk schepen kaapten, waren duidelijk een fenomeen in de late 14de eeuw – vroege 1 5de eeuw. Het aandringen op kaapvaart was echter niet de enige overheidsinmenging in dit vissersdorp. De kapel van Walraversijde (fig. 4) was een plaats voor de samenkomst van macht en marge.
De vissersbevolking was niet alleen gewelddadig, ze waren ook heel gelovig. Een kapel van die omvang was een vrij duur gebouw en een machtssymbool maar er was kapitaal voor nodig. Ondertussen is gekend wie de kapel heeft mee gefinancierd:
Willem van Halewyn: raadsheer van de Hertog van Bourgondië (vergelijkbaar met ministers van de dag van vandaag, de absolute politieke top) en Baljuw van Brugge (controlefiguur van de hertog binnen de stad Brugge)

  • De ridders van Schoore en hun verwanten, de familie Reyphins: riddergeslachten uit het Brugse Vrije (de lagere adel, niettemin de adel). Pittig detail hierbij is dat de dochter van de familie Reyphins trouwt met de zoon van Jacob Heijns, kapitein van Walraversyde. Zo zien we zelfs een familiale link tussen de brede entourage van de hertog en de klasse van de kapiteins.
  • De familie van Varssenaere: dit waren waarschijnlijk zoutzieders en ze behoorden tot de eerste weerden of reders die vanaf de 15de eeuw schepen in bezit hadden maar zelf niet meer in zee gingen

Al deze figuren stonden duidelijk in contact met het hof van de Hertog. De schepenen van de Brugse Vrije en Brugge mochten dan wel proberen om de kaapvaart/piraterij van de vissers aan banden te leggen om zo hun handelsbelangen veilig te stellen, tegelijkertijd was dit waarschijnlijk vrij zinloos. De vissers luisterden op geen enkele manier naar deze gedeputeerden omdat zij rechtstreeks onder het bevel stonden van de hertog via personen zoals Willem van Halewyn. De topmacht zat rechtstreeks in het vissersdorp via de kapel.


Evolutie naar vissers in loondienst en dienst van de “staat”

Ook in de rest van de 15de eeuw - wanneer het ongecontroleerde verdween - traden vissers soms op als militaire vloot voor de hertog indien zij daarom gevraagd worden, bv. in 1458:
Mer Diederic van Halewijn, Jan van Boneem ende Gayse Bone sondaechs 4e in december gheoordeneert ende ghelast te treckene t’Oosthende omme metgaders bden ghedeputerden vander Sluus, vanden Nieupoort ende van anderen plaetsen upden zeekand gheleghen te hoorne de rekeninghe vanden costen ghedaen ter cause vanden vreedscepen gheordeneert ter bewaernesse vanden visschers van Vlaenderen” en in 1471: “ Ende te Wilravensyde omme te wetene ende vernemene vanden stiermans van daer daghelycx ter zee varende hoe vele scepen ende mannen van orloghen zij zouden moghe leveren ende utereeden omme ter zee te wederstane de vyanden van onsen gheduchten Heeren ende Prince. Mijnen heere van Moerkerke ende Floreins Cruesinck van dat zij tsondaechs den eersten dach in hoymaent 71 ghezonden waren ter Sluus omme te vernemene hoe vele ende watmen zoude moghen vercopen of verhueren tscip dat de stiermannen van Wilravenshide ter zee ghevoert hadden ter bewaernessen vanden frontieren ende visschers vanden lande.”


Het einde van Walraversijde?

De kosten van oorlogsvoering moeten zeer hoog zijn geweest. De inmenging van de overheid in de zeevisserij kan op deze manier ook nefaste gevolgen hebben gehad voor de vissers en de vissersgemeenschap. Eind 1 5de eeuw moet Raversijde op eigen kosten een oorlogsschip voor de hertog uitrusten en dat kostte ongeveer 2000 pond. Ter vergelijking: het jaarloon van een landarbeider was 60 pond. Die kosten zijn waarschijnlijk op een bepaald moment te hoog geworden. Samen met de onrust eind 15de eeuw zien we dat eind 15de – begin 16de eeuw een deel van het dorp verlaten wordt. Het Raversijde van de 16de eeuw was niet meer het Raversijde van de 14de en de 15de eeuw en dit eindigde met het Beleg van Oostende waarmee de vissers definitief werden verdreven uit het dorp.

 

BESLUIT

Er was in de 15de eeuw een duidelijke relatie tussen de politiek en de piraterij. De piraterij en kaapvaart gebeurden door vissers als bijberoep. De macht stuurde en controleerde de visserij en er was waarschijnlijk ook een indirecte relatie tot de commercialisering van de vissersvloten: de elite van adel en weerden kregen de vissersvloten in handen en controleerden ze.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  LMB-BML 2007 Webmaster & designer: Cmdt. André Jehaes - email andre.jehaes@lmb-bml.be
 Deze site werd geoptimaliseerd voor een resolutie van 1024 x 768 en IE -11-Edge
Ce site a été optimalisé pour une résolution d'écran de 1024 x 768 et IE -11- Edge