BELGISCHE MARITIEME LIGA  vzw.
LIGUE MARITIME BELGE  asbl.

Koninklijke Vereniging - Société Royale

HISTORIEK  HISTORIQUE  HISTORIC

 

Het Poolschip Belgica (I)


Jozef Verlinden


De Belgica is een van de beroemdste poolschepen en onlosmakelijk verbonden met de naam van de Belgische poolreiziger Adrien de Gerlache.

Het was de Gerlache die het schip kocht in Noorwegen en die het haar naam en haar poolreputatie gaf.

Het schip werkte meer dan een halve eeuw in de poolgebieden en voer twintig jaar – van 1896 tot 1916 – onder Belgische vlag. In deze periode maakte de Belgica haar bekendste en belangrijkste reizen. Een verhaal dat begint met de eerste Belgische Zuidpool expeditie.


De Patria

Einde 1894 maakte Adrien de Gerlache zijn plannen voor een wetenschappelijke expeditie naar Antarctica bekend. Vrij vlug ging hij op zoek naar een geschikt expeditieschip. Begin 1895 kreeg hij van de rederij A/S Oceana een uitnodiging om aan boord van het poolschip Castor deel te nemen aan een walvis- en robbenexpeditie naar het noorden van Jan Mayen en het Groenlandse pakijs. Dit schip was te koop en had al een reputatie omdat het in 1893-94 Antarctica bezocht tijdens een walvisexpeditie onder Carl Larsen. De Gerlache kon tijdens de tocht, die van einde maart tot begin augustus 1895 duurde, nagaan of het schip voldeed. Tegelijkertijd was deze reis een initiatie in de ijsnavigatie onder begeleiding van een ervaren kapitein.

De Castor was een van circa vijftien poolschepen die zich elk jaar in de Arctische Oceaan begaven voor de jacht op walvissen en zeehonden. Tijdens de campagne had de Gerlache het geluk de meeste van deze Noorse en Zweedse schepen te ontmoeten en aan boord te gaan van enkele. Zo kreeg hij een rondleiding op het schip Patria. De Gerlache meende dat de Patria, die kleiner was dan de Castor, veel gemakkelijker te hanteren was en beter manoeuvreerde in het ijs dan de Castor. Dit schip had zijn voorkeur op de andere schepen die hij inspecteerde, maar het was toen niet te koop.

Omdat hij tijdens de reis ontdekte dat de inhouten van de Castor op meerdere plaatsen aangetast waren, zag de Gerlache af van de koop van dit schip en hij deelde dit mee aan Christen Cristensen, hoofdaandeelhouder van de A/S Oceana. Tijdens zijn verblijf in Sandefjord leerde de Gerlache ook Christensen’s schoonzoon, Johan Bryde, kennen. Bryde had een eigen scheepsbedrijf in Sandefjord, was er Belgisch consul, en aanvaardde om agent van de Belgische expeditie in Noorwegen te worden. Hij hielp de Gerlache bij de selectie van Noorse matrozen, bij de keuze van voedsel en de uitrusting, en bij de zoektocht naar een geschikt expeditieschip. Uit zijn correspondentie met de Gerlache blijkt dat Bryde met de eigenaars van de poolschepen Njord, Capella, Vega en Hertha onderhandelde over een aankoop of verhuur.

 

Van Patria tot Belgica

Adrien de Gerlache liet de volgende beschrijving na van de Patria: “Het schip werd in 1884 gebouwd te Svelvig nabij Drammen door Christian Jacobsen en was getuigd als driemastbark met dubbele marseraas. Het was voorzien van een hulpstoommachine van 35 pk, afkomstig van de Nylands Voerksted te Oslo. De romp was bekleed met een dubbeling van greenheart op alle plaatsen die blootgesteld waren aan het schuren van de ijsschotsen. Het netto laadvermogen bedroeg 244 ton, het schip was 30 meter lang en 6,50 meter breed. De voorsteven werd beschermd en versterkt door gietijzeren stangen. De hoogoplopende boeg was dusdanig gebouwd, dat deze over het ijs heenschoof en door zijn gewicht de ijsschotsen deed breken. Midscheeps waren vier boten opgesteld, waaronder twee grote walvissloepen. In de top van de grote mast diende het traditionele kraaiennest als uitkijkpost”.

Het schip werd beheerd door de firma H. Heiteman & Søn uit Christiania (nu Oslo) maar stond onder contract van het Aktieselskabet Patria, een maatschappij van zakenlui die hun geld investeerden in de jacht op butskoppen, die toen winstgevend was. In 1885 maakte de Patria haar eerste reis naar de walvisgebieden in de Arctische Oceaan onder kapitein E. Olsen. De volgende tien jaren werd het schip gecommandeerd door M.S. Pedersen. Hij voer jaarlijks met de Patria op walvis- en robbenjacht. De zaken gingen met de jaren steeds slechter en in 1896 werd het Aktieselskabet Patria ontbonden en het schip werd te koop aangeboden. Toen Bryde vernam dat de Patria te koop stond bracht hij de Gerlache daarvan op de hoogte. Volgens het Noorse gebruik trokken alle belangheb­benden zich bij de verkoop terug ten voordele van kapitein Pedersen, die er zelf eigenaar van wilde worden om vervolgens terug op jacht te gaan.

Het schip werd hem dan ook voor een lage prijs toegewezen.

De Gerlache schreef: “Al zijn spaarpenningen waren er echter mee gemoeid en hij zag zich genoodzaakt geld op te nemen om zijn eerste visserijcampagne te kunnen aanvangen. Deze toestand maakte hem enigszins angstig en toen ik hem voorstelde de Patria met winst van hem over te nemen, had hij daar wel zin voor. De 29e februari 1896, voor zijn vertrek op zeehondenjacht, gaf hij mij een optie voor de aankoop in juli voor een bedrag tot 50.000 kronen.

Op 11 juni 1896 liep de Patria met volle lading te Tenvig, bij Tánsberg, weer binnen.

De Gerlache, die zich zo snel als mogelijk in verbinding stelde met Pedersen, schreef: “Het welslagen van de reis had de inzichten van kapitein Pedersen gewijzigd, die zich nu niet meer van zijn schip wenste te ontdoen. De onderhandelingen duurden dan ook lang en eerst de 2de juli, aan de vooravond van de dag waarop de optie verviel, werden wij het eens”. De verkoopprijs was 50.000 kronen (toen 70.000 frank, nu circa 465.000 euro).

De Patria was echter een eenvoudige robbenjager die nog diende omgebouwd te worden tot expeditieschip. Voor die taak had de Gerlache een contract afgesloten met Christensen voor een bedrag van 40.000 kronen. Het schip werd naar dienst scheepswerf in Sandefjord gevaren, waar het op 4 juli arriveerde, begroet door kanonschoten van de werf. De volgende dag ’s middags werd de Noorse vlag neergehaald en werden de Belgische kleuren gehesen. De gebeurtenis werd weerom gesalueerd met een salvo van 21 kanonschoten. Het vaartuig kreeg de naam Belgica.

Adrien de Gerlache vatte de uit te voeren werkzaamheden als volgt samen: “Breeuwen, herstellingen aan de dubbeling van greenhaert en het aanbrengen van een dubbeling op de gehele romp. De kiel werd voorzien door een laag vilt, gedubbeld met hout om die te beschermen tegen aantasting door paalworm. Om dezelfde reden werden de achtersteven en een deel van het roer met bladen lood beslagen. Alle onderwaterblijvende delen van de romp werden met een speciale koperoxide houdende huidverf beschilderd, met hetzelfde doel. Een nieuwe schroef van Zweeds staal werd ingezet. Op het dek, voorlijk van het grootluik, werd een verblijf getimmerd teneinde daarin de laboratoria voor het zoölogisch en oceanografisch onderzoek onder te brengen. De campagne werd verlengd en daaronder ruimte gewonnen voor hutten, kombuis en wat daar bij behoort. Het dek en de betimmering van de verschansing werden hersteld, enz., enz. Voor alle zekerheid werd ook de stoomketel vernieuwd”.

In juni 1897 was het schip klaar en het werd voor een termijn van zes jaar geclassificeerd in de eerste klasse van het Noorse Veritas Bureau. De nieuwe dimensies van de Belgica, zoals ze werden gegeven door het Veritas Bureau, waren de volgende: lengte: 34,60 m, breedte: 7,16 m, diepgang:
2,74 m, diepgang bij volle lading: 3,96 m, water­verplaatsing leeg: 338 m3, waterverplaatsing bij volle lading: 590 m3, netto tonnenmaat: 172 ton.

In juni ontving de Belgica hoog bezoek. Eerst kwam sir Clements Markham, voorzitter van de Geographical Society in Londen, het schip inspecteren, en de 19de kwam Fridtjof Nansen aan boord. Nansen maakte die dag aan boord van de Belgica voor het eerst kennis met de nog onbekende jonge Noor Roald Amundsen, die de Gerlache had aangeworven om deel te nemen aan de Belgische expeditie.

Op 26 juni verliet de Belgica Sandefjord. Na een stop in Frederikshavn bereikte het schip Antwerpen op 5 juli 1897. Omdat er nog 80.000 frank te kort was om met een gerust gemoed de expeditie aan te vangen werd de Belgica tentoongesteld in het Amerikadok 58 te Antwerpen. Iedereen kon de overwinteringshutten, de toestellen voor diepzeevisserij, de lodingsinstallatie, de sleeën, tenten, ski’s, kledij en sneeuwschoenen komen bezichtigen op de kade en men kon aan boord gaan van het schip. De Gerlache schreef: “Het schip werd druk bezocht. De tentoonstelling was kosteloos toegankelijk, doch was de aanleiding tot nieuwe intekeningen: stuivertje voor stuivertje scharrelden wij zes à zeven duizend frank bij elkaar”.

Er was nog een feest in het park van Antwerpen en de gemeenteraad stemde een aanzienlijk krediet goed. Maar het was pas na de toekenning van een regeringskrediet van 60.000 frank dat de expeditie kon vertrekken.

 

De eerste Belgische Antarctica-expeditie

De Belgische Zuidpoolexpeditie van 1897-1899, ook wel gekend als de Belgica-expeditie, laat een blijvend spoor na in de geschiedenis van de ontdekking van Antarctica. Het was de eerste zuiver wetenschappelijke expeditie naar Antarctica. De resultaten waren destijds van groot belang en gaven nieuwe inzichten in tal van wetenschappelijke vraagstukken. Het was bovendien de eerste expeditie die overwinterde in Antarctica, ten zuiden van de poolcirkel, en trachtte de antarctische winter en haar fenomenen te doorgronden en te beschrijven. De ervaringen en ontdekkingen van deze reis gaven een nieuwe oriëntatie aan de organisatie van de volgende expedities. De expeditie wordt ook vaak vermeld omdat twee deelnemende ontdekkingsreizigers later wereldberoemd werden: Roald Amundsen ontdekte in 1911 de Zuidpool en Frederick Cook beweerde in 1908 de Noordpool ontdekt te hebben.

De expeditie vertrok uit Antwerpen op 16 augustus 1897 en bereikte na tal van tussenstops Staten Eiland, van waar ze op 14 januari 1898 koers zette naar het zuiden. Van die dag tot de terugkeer in  

Punta Arenas, veertien maanden later, was de expeditie in een ijzige wereld waar geen communicatie met de bewoonde wereld mogelijk was.

Met 19 man werd de reis naar Antarctica aangevat.

Van 23 januari 1898 tot 12 februari 1898 werden nieuwe gebieden ontdekt rondom een 190 kilometer lange zeestraat die men nu kent als Gerlache Straat en die zich ruwweg uitstrekt tussen 64°Z en 65°Z en tussen 61°W en 64°W. Tal van nieuwe kapen, baaien, gebergten, kanalen, eilanden en land werden in kaart gebracht. Niet minder dan 88 nieuwe geografische namen werden gegeven, waarvan de meeste nog gebruikt worden. De namen Brabant Eiland, Antwerpen Eiland, Luik Eiland, Gent Eiland en Vlaanderen Baai verwijzen naar gebieden waar de expeditie veel steun kreeg tijdens de voorbereiding. Niet minder dan vijfentwintig landingen werden gemaakt waarvan vier op het continent, waarop voordien slechts vijf landingen werden gemaakt. Einde februari 1898 drong de Belgica in positie 85°W het pakijs van de Bellingshausen Zee binnen en penetreerde het pakijs over een afstand van 150 km. Geen enkel zeilschip zou ooit zo ver die zee binnendringen. Het schip raakte evenwel gevangen in het pakijs en het werd duidelijk dat de mannen van de Belgica de eersten zouden zijn die een antarctische winter zouden ervaren. Het schip werd zo comfortabel mogelijk gemaakt en geïsoleerd tegen de koude.

Tijdens de winter volgde de Belgica een koers die bepaald werd door de drift van het ijs. Tijdens het verblijf in het pakijs was dat tussen 75° en 102°W en 70° en 71°36’Z. Het is ten noorden van Thurston Eiland, Eights Kust en Bryan Kust dat de ganse drift van Belgica plaats vond. Op 16 mei 1898 werd de meest zuidelijke positie van de drift en van de hele reis bereikt: 71°36’Z. De volgende dag kwam de zon voor de laatste maal boven de horizon en begon de lange poolwinter. De volgende 1600 uur, tot 23 juli, leefde men in een volslagen duisternis. Ook tijdens de winter werd het wetenschappelijk onderzoek zo goed als mogelijk verder gezet. Iedereen hoopte dat in oktober 1898 het ijs zou breken zodat de Belgica tijdig naar Zuid-Ame­rika kon varen. De Gerlache had zich immers voorgenomen ook de volgende zomer nog een tocht te maken naar Victoria Land. Maar in januari zat het schip nog steeds muurvast in het ijs en men begon te wanhopen. Op 600 meter afstand van het schip bevond zich een open meer en als het schip daar kon geraken zou het langs enkele spleten verder noordwaarts kunnen doordringen. Tussen het meer en de Belgica lag echter ijs van 2,6 meters dikte. Omdat gevreesd werd dat een tweede overwintering in het ijs fataal zou zijn voor vele expeditieleden begon men midden januari 1899 aan een schijnbaar onmogelijke opdracht: een kanaal zagen naar het meer. Met 2 houwelen, 6 schoppen, 2 berghouwelen, 2 lange beitels en 4 ijszagen werkten de mannen in schiften, dag en nacht en zonder onderscheid in rang, aan deze onmenselijke opdracht. De mannen slaagden uiteindelijk in het opzet en op 15 februari bereikte de Belgica het meer. Van daar werkte het schip zich van het ene kanaal in het andere en de expeditie bereikte op 14 maart 1899 de open zee.

Op 28 maart bereikte de expeditie Punta Arenas waar ze enkele maanden verbleef in Hotel de France. Omdat het te laat was om de geplande reis naar Victoria Land nog aan te vatten werd beslist de expeditie te beëindigen. De Belgica bereikte Antwerpen op 5 november 1899, waar ze triomfantelijk werd onthaald.

 

De Prix de la Belgica

Na de terugkeer van de Antarctica-expeditie had de Gerlache geld tekort om de laatste kosten te betalen en hij stond erop de bemanning nog een extra beloning toe te kennen. Hij verkocht daarom de Belgica aan de Belgische Staat voor circa veertig duizend frank. Het schip werd toegewezen aan de Algemene Directie van het Hoger Onderwijs, die in naam van de Belgische Staat ook de betrekingen met de expeditie had onderhouden. De Belgica werd in het staatsbekken in Oostende geplaatst. Hoewel de Belgica in de eerste weken van enthousiasme zo bejubeld werd en zelfs een nationale relikwie werd genoemd, bevond het zich vlug in een lamentabele toestand. De autoriteiten konden geen nuttige bestemming geven aan het schip. Er was zelfs niemand aangeduid om het schip te onderhouden. Getroffen door deze situatie nam Adrien de Gerlache contact op met Belgische en Noorse vrienden en deze richtten een vennootschap op dat het schip terugkocht voor de som van 41.000 franken (nu circa 275.000 euro).

In overeenstemming met de wens van Adrien de Gerlache werd het geld dat de staat zo terugkreeg gebruikt voor de uitreiking van een prijs die onder de naam van Prix de la Belgica een duurzame herinnering vormt aan de eerste Belgische Antarctica-expeditie. De wetenschappelijke afdeling van de Belgische Academie aanvaardde op 16 december 1901 de fondsen die de staat ter beschikking stelde en die bestemd waren enerzijds voor de aanmaak en de uitreiking van een gouden medaille – medaille van de Belgica – genoemd, aan onderzoekers die zich met succes gewijd hebben aan wetenschappelijk onderzoek binnen de zuidpoolcirkel en anderzijds voor het steunen van Belgen die oceanografische onderzoek willen doen Het reglement voor het in aanmerking komen van deze driejaarlijkse prijs werd in een Koninklijk Besluit van 20 maart 1904 uitgevaardigd. Van 1910 tot nu is de prijs regelmatig toegekend. Vanaf 1963 werd de prijs door een nieuw reglement vijfjaarlijks uitgereikt.

 

De Belgica in Oostende

Vrij vlug na de terugkeer van de Belgica-expeditie werd er gesproken over het lot van de Belgica. Enkele Antwerpse handelaren drongen reeds in november 1899 aan om het schip in Antwerpen te houden, waar het zou kunnen dienst doen als opleidingsschip voor matrozen. De Algemene Directie van het Hoger Onderwijs besliste evenwel om het schip in het staatsbekken van Oostende te plaatsen. De Belgica verliet Antwerpen op 10 januari 1900 onder commando van Georges Lecointe en arriveerde de volgende dag in Oostende, waar het wekenlang toeschouwers trok en een van de grote attracties werd. In de kranten verschenen allerlei geruchten over het lot van de Belgica. Er werd gespeculeerd dat het schip zou gebruikt worden als opleidingsschip voor scheepsjongens en matrozen en dat de thuishaven Dendermonde of Nieuwpoort zou zijn. In andere kringen sprak men over een museumschip dat in Oostende zou blijven.

Op een vraag naar het uiteindelijke doel van het schip antwoordde de heer Liebaert, minister van Spoorwegen, Post en Telegrafie, in een zitting in het Belgisch Parlement op 23 januari 1900 dat de Belgische zeemacht geen interesse had in het schip en het niet zou aankopen voor gebruik als opleidingsschip. De zeemacht had voor het vertrek naar Antarctica al geweigerd om de Belgica in te schrijven in haar registers en ze zag ook nu geen nut in het gebruik van een Noors schip. Uiteindelijk nam Adrien de Gerlache zelf een initiatief. Van 15 april tot 12 november 1900 werd in Parijs een wereldtentoonstelling gehouden ter viering van alles wat in de afgelopen eeuw was bereikt. Hij stelde voor om de Belgica in Parijs tentoon te stellen nabij de Pont Alexandre III, die net was ingehuldigd. Aan boord zouden tentoonstellingen kunnen gebeuren die toerisme naar Belgische steden promootten en de Gerlache was bereid zelf rondleidingen te geven. Sinds einde januari 1900 was hij in contact met de Franse autoriteiten met het voorstel om de Belgica tentoon te stellen in het centrum van Parijs. Zijn voorstel werd echter niet aanvaard omdat de Fransen meenden dat de Seine te ondiep was en omdat gevreesd werd dat het schip zou vastlopen.

 

De Société Anonyme du Steamer Belgica

Het vennootschap dat de Belgica terugkocht droeg de naam Société anonyme du Steamer Belgica en had haar zetel in Antwerpen. Het werd op 6 maart 1901 opgericht met een maatschappelijk kapitaal van 100.000 frank verdeeld over 100 aandelen van 1000 frank (12). De aandeelhouders waren Belgen en Noren, in een verhouding van 50%. Adrien de Gerlache zelf was aanvankelijk geen aandeelhouder. Hij schreef naar Léonie Osterrieth dat hij niets liever zou doen dan investeren in de Belgica maar dat hij zeer krap bij kas zat. Zijn broer Gaston had wel 5 aandelen. In de oprichtingsakte staat dat de maatschappij tot doel heeft de Belgica te kopen en te gebruiken “voor de vangst van zeehonden en walvissen in arctische gebieden, alsook voor verhuur aan wetenschappelijke of commerciële expedities”.

Johan Bryde, Paul Osterrieth, Christen Christensen en Albert Grisar werden benoemd tot bestuurders. De Belgica bleef onder Belgische vlag maar vertrok met een Noorse bemanning naar Sandefjord, dat haar nieuwe thuishaven werd. Haar kapitein voor de volgende jaren werd Christian Halvorsen.

 

Baldwin-Ziegler Expeditie

De maatschappij Société anonyme du Steamer Belgica was nog maar pas opgericht toen Johan Bryde de vraag kreeg om de Belgica tijdens de zomer van 1901 te verhuren aan de Amerikaanse BaldwinZiegler expeditie. De schatrijke zakenman William Ziegler uit New York hoopte eeuwige roem te verwerven door een expeditie ter ontdekking van de geografische noordpool te sponsoren. Deze expeditie, onder leiding van Evelyn Balwin, zou vertrekken van Franz Josef Land en trachten over het pakijs de noordpool te bereiken. Ze zou van de pool terug naar het zuiden keren via Groenland en daarom dienden depots gebouwd te worden langs de kust van Oost-Groenland ter hoogte van Shannon Eiland en Bass Rock, de meest noordelijke punten die schepen doorgaans in de zomer kunnen bereiken. Drie schepen werden gebruikt door de expeditie: de America, de Frithjof en de Belgica. De eerste twee schepen werden gebruikt om de manschappen en materialen naar Franz Josef Land te brengen, de Belgica zou naar Groenland varen.

De Belgica werd in Sandefjord volgestouwd met materialen om hutten te bouwen, met voedsel, kolen, kledij, meubilair, munitie, met 200 boeien die gebruikt zouden worden om boodschappen te verspreiden en met ballonnen en een waterstofgenerator om deze boeien over een afstand te vervoeren. De Belgica verliet Tromsø op 16 juli 1901 onder commando van Johan Bryde, die de activiteiten in Groenland zelf wilde leiden. Na een stop in Honnigsvaag, waar de drie expeditieschepen elkaar rendez-vous gaven, voer de Belgica op 23 juli naar Groenland, terwijl de andere schepen zich richting Franz Josef Land begaven. In augustus werd op Shannon Eiland, nabij Kaap Phillip Broke, een groot depot gebouwd. Vervolgens ging het naar Bass Rock, waar nog twee winterhutten gebouwd werden. In september keerde de Belgica terug naar Sandefjord. De hutten werden nooit gebruikt door de Baldwin-Ziegler expeditie, die niet ver noordelijk geraakte en die na een overwintering op Franz Josef Land zonder succes terugkeerde naar Amerika. De hutten werden later wel gebruikt door een Deense expeditie en door Noorse en Deense jagers, die de levensmiddelen en materialen opgebruikten. De hutten op Bass Rock hebben de tand des tijds goed doorstaan.

Zij werden in 2004 door Noorse wetenschappers geïnspecteerd en ‘de oudste nog bruikbare gebouwen in Noordoost-Groenland’ genoemd.

 

wordt vervolgt

 


 

 

  LMB-BML 2007 Webmaster & designer: Cmdt. André Jehaes - email andre.jehaes@lmb-bml.be
 Deze site werd geoptimaliseerd voor een resolutie van 1024 x 768 en IE -11-Edge
Ce site a été optimalisé pour une résolution d'écran de 1024 x 768 et IE -11- Edge