HISTORIEK  HISTORIQUE  HISTORIC

 

Belgisch beheer van mariene visbestanden door de tijd heen


Kelle Moreau - Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek Kenniseenheid Dier, Onderzoeksdomein Visserij, Ankerstraat 1, 8400 Oostende
E-mail: kelle.moreau@ilvo.vlaanderen.be

 

WAAROM VISSERIJBEHEER?

Het oogsten van voedsel uit de natuur was reeds in lang vervlogen tijden een evidentie voor de mens. Zo werd ook de voedselwinning op zee als vanzelfsprekend beschouwd. Aanvankelijk ging het daarbij om kleinschalige activiteiten met behulp van primitieve methoden, die slechts een verwaarloosbare invloed op de bestanden van de beoogde soorten hadden, nauwelijks bijvangsten genereerden en ook niet onder het aanrichten van substantiële ecosysteemschade gebukt gingen. Gaandeweg werden de vissers echter steeds vaardiger, wat samen met de toenemende ontwikkeling van de visserijtechnieken een schaalvergroting van de visserij mogelijk maakte. Onder druk van een steeds verder groeiende wereldbevolking en de daaraan verbonden stijgende vraag naar voedsel, evolueerden vele beviste bestanden steeds verder weg van een gezonde populatiegrootte en -structuur. Intussen nam ook het aantal nutsfuncties op zee drastisch toe (met naast visserij bv. ook energiewinning, zandextractie, slibstorten, ...), en deden andere vormen van antropogene beïnvloeding (bv. micro- en macroverontreiniging) hun intrede. Samen met omgevingsveranderingen die veelal ook geheel of gedeeltelijk door de mens veroorzaakt worden (bv. klimaatswijziging, verzuring) leidde dit tot het achteruitgaan of zelfs ineenstorten van vele mariene vispopulaties en de ermee geassocieerde visserijen. Zonder vis immers ook geen visserij. Het ontwikkelen van beheersmaatregelen voor de beviste bestanden werd dus steeds noodzakelijker, en aangezien de visserij rechtstreeks afhankelijk is van de omvang en structuur van deze bestanden vertaalt dit zich in de praktijk ook in het tot stand komen van een visserijbeheer.


TOOLS VOOR VISSERIJBEHEER

De mariene manager beschikt tegenwoordig over verschillende types maatregelen die afzonderlijk of in combinatie kunnen worden ingezet binnen een beheersstrategie. Deze kunnen worden ondergebracht in de volgende categorieën:

  • Vangstbeperkingen: TACs en quota.

o Totaal toegestane vangsthoeveelheid (TAC = Total Allowable Catch): de totale hoeveelheid die binnen een jaar mag worden geoogst uit een bepaald visbestand, deze wordt voor de beoordeelde bestanden jaarlijks door wetenschappers berekend op basis van gegevens die worden verzameld binnen de visserij én op visserij-onafhankelijke onderzoeksschepen
o Quota: de nationale delen van de TAC-koek, de internationale TAC voor elk bestand wordt hiertoe volgens een historische verdeelsleutel opgesplitst in de nationale quota

  • Effortbeperkingen: beperkingen op het aantal zeedagen, visdagen, ... dat een individueel vissersschip binnen een jaar op zee actief mag zijn.
  • Technische maatregelen: amalgaam aan bijkomende maatregelen die bepalen welke vis aangeland mag worden (of gevangen mag worden), veelal in verband met technische specificaties van vistuigen

o Maaswijdtereglementeringen: voor elke visgrond werden legale maaswijdtegrenzen gedefinieerd (boven- en ondergrens), de idee is dat hierbij een evenwicht wordt gezocht tussen het laten ontsnappen van kleine (veelal onvolwassen) organismen (zowel van de doelsoorten als van de bijvangst) terwijl de commercieel interessantere organismen als vangst achterblijven

o Minimale aanvoerlengtes: voor de meeste commerciële doelsoorten werden minimumlengtes gedefinieerd, beneden deze lengte moet een individu van een bepaalde soort in zee worden teruggegooid (ook hier is de idee het beschermen van ‘ondermaatse’ vis, helaas heeft de teruggegooide vis vaak al geleden onder een hoge mortaliteitsratio)
o Bijvangstreductie: het al dan niet verplicht gebruiken van technische adaptaties aan de traditionele optuigingen, met als doel het kwijtspelen van niet-beoogde organismen (bv. benthos ontsnappingspanelen die veel ongewervelden en kleine vis laten ontsnappen, T90-kuilen waarbij de mazen onder hoge trekkracht blijven open staan opdat meer kleine dieren kunnen blijven ontsnappen, vierkante mazen in de rug die bepaalde rondvissen laten ontsnappen, ...)
o Reductie fysische impact: het al dan niet verplicht gebruiken van alternatieve vismethodes die minder bodemschade aanrichten (bv. SumWing waarbij de ‘boom’ van de traditionele boomkor werd vervangen door een vleugelprofiel met slechts één contactpunt met de bodem en die dus veeleer boven de bodem zweeft dan er door ploegt, pulskorren waarbij een elektrisch veld bodemvissen en garnalen uit de bodem opjaagt in de plaats van kettingmatten etc.)
o Etc.

  • Beschermde gebieden: permanent of tijdelijk gesloten gebieden voor de visserij. Op plaatsen waar meerdere nutsfuncties samengaan (in dit geval de functies ‘voedselwinning/visserij’ en ‘natuurbeleving/-bescherming’) zijn het immers steeds dezelfde gevoelige soorten of levensstadia die als eerste verdwijnen, en dezelfde gevoelige habitatten die onherstelbaar vernield worden. Deze kunnen enkel beschermd worden onder strikte regimes.
  • Beheersplannen: kunnen bestaan uit een combinatie van alle hoger vermeldde beheers­maatregelen, en bevatten veelal ‘oogstregels’ die de mariene manager in staat stellen om dynamisch in te spelen op wijzigingen in de toestand van de respectievelijke bestanden.

Hierbij dienen we in de kantlijn wel te vermelden dat het beheer van mariene bestanden momenteel nog hoofdzakelijk gericht is op het beschermen van afzonderlijke soorten (single species approach), terwijl de meeste visserijen in realiteit eigenlijk gemengde visserijen zijn die meerdere doelsoorten tegelijkertijd beogen. Aangezien beheersmaatregelen die zinvol zijn voor één soort soms nefast uitvallen voor een andere soort, is het van belang dat ook het visserijbeheer overstapt naar een meersoortenbenadering (multi species approach).


REIS DOOR DE TIJD

In het hierna volgende deel duiken we het verleden in, op zoek naar beheersmaatregelen voor visbestanden en visserijen, en houden daarbij de hoger vermeldde categorieën in het achterhoofd. We nemen dus geen andere wetgevingen op, zoals handelsverdragen, marktreglementeringen, wetgevingen inzake gebruiken als haringkaken en zouten, visserijstimulerende maatregelen, etc.

Twee werken waren onontbeerlijk bij het samenstellen van dit historisch overzicht, en verdienen hier een specifieke vermelding: het boek ‘150 jaar zeevisserijbeheer 1830-1980’ door Hovart (1994), en de website ‘Een eeuw zeevisserij in België: Tijdslijn voor de reconstructie van de historiek van de Belgische (Vlaamse) zeevisserij’ (VLIZ).

 

Voor 1830

De titel van deze bijdrage vermeldt dat het hier gaat over ‘Belgisch’ beheer. Voor referenties die dateren van voor 1830 (en dus van voor de stichting van de constitutionele monarchie België) worden beheersmaatregelen verstaan die van kracht waren binnen het geografisch gebied dat het huidige België omvat (of toch minstens de kustlijn ervan), of die betrekking hadden op de vissers die resideerden in dit gebied, ook wanneer ze in andere zeegebieden gingen vissen.

De oudste maatregel aangaande de visserij die we konden terugvinden dateert uit 1291, wanneer Filips de Schone het vissen verbood met mazen kleiner dan een zilveren muntstuk (ca 2,5cm). Het betreft hier een verordening die we kunnen klasseren als een technische maatregel, en die in 1326 door Karel IV werd vernieuwd (fig. 1).
Andere voorbeelden van historische maaswijdtebeperkingen dateren uit 1510 (min. 4 duim; Ordonnantie netmazen, Raad van Vlaanderen), 1 545 (min. 5 duim in strandvisserij), 1752 (min. 70mm in strandvisserij) en 1820 (min. 3 Nederlandse duimen en 9 strepen in kustvisserij).

De eerste definiëring van minimale aanvoerlengtes, een tweede type dat we onder technische maatregelen klasseren, staat op naam van King George I. Reeds in 1716 bekrachtigde deze vorst dat vissen beneden de minimummaten voortaan niet meer aan land gebracht mochten worden (voor een selectie van soorten).

In 1393 duikt voor het eerst een verbod op ebbezetters en warrelnetten (beide zijn types staande netten en dus passieve visserijmethoden) in de strandvisserij op in de wetgeving. Dit type van beheersmaatregel, het volledig verbieden van bepaalde visserijmethoden in de kustzone of in alle wateren, zien we over de loop van de volgende eeuwen (tot in de 18e eeuw) regelmatig terugkeren. Nu gaat het doorgaans echter om verboden op sleepvisserijen (actieve visserijmethode). Meermaals wordt hierbij achtergrond gegeven over de motivatie voor de verboden, en die getuigen van een groeiend ecologisch bewustzijn. Voorbeelden zijn verboden op sleepnetten uit 1499 (die de zeewieren – waarin vissen schuilen – omwroeten en verwijderen) en 1531 (om vernietiging van broed tegen te gaan). In dit verband was het ook erg verassend om een Vlaams decreet uit 1539 terug te vinden waarin het destructief effect van de boomkor op visbroed wordt vermeld.

Samenvattend kunnen we stellen dat het visserijbeheer voor 1830 vaak afhankelijk was van nationale of zelfs individuele initiatieven, waarbij grote contrasten bestonden tussen opeenvolgende bewinden. Het beheer was veelal toegespitst op technische maatregelen (hoofdzakelijk maaswijdtebeperkingen) en methodische verboden, met een geleidelijke intrede van het internationaal overleg (het handels- en zeevaartverdrag tussen Hendrik VII van Engeland, aartshertog Philips en de steden Gent, Brugge en Ieper uit 1489, dat de vissers vrije toegang gaf tot de zeeën en de visvangst binnen elkaars wateren, zou wel eens het oudste voorbeeld kunnen zijn) en een geleidelijke uitbreiding van het soortenpalet (bv. maatregelen op het vissen op schelpdieren in de Schelde en de Zeeuwse stromen vanaf 1825). Echte vangst- of inspanningsbeperkende maatregelen konden voor deze periode niet worden teruggevonden, met uitzondering van een verbod op uitvaren voor 1 september tijdens de jaren 1547 en 1548 (Karel V).


Vanaf 1830

Omwille van de grote gevolgen van de wereldoorlogen op technisch, socio-economisch en beheersvlak delen we de periode vanaf het ontstaan van België op in drie deelperioden: 1830- 1914, 1914-1940 en 1940-heden.


1830-1914

De periode 1830-1914 werd gekenmerkt door de grootste golf van technische ontwikkelingen die de mens ooit gekend heeft, en die ook voor de visserij grote gevolgen had. De opkomst van stoom- en motorvisserijen, de introductie van nieuwe bedrijfsorganisatievormen, de ontwikkeling van nieuwe visserijtechnieken (bv. bordennetten), de introductie van ijs als koelmiddel, etc. leidden tot een enorme vlootuitbreiding en maakten steeds verdere en langere reizen mogelijk. Een geleidelijke groei van het aantal doelsoorten en visgebieden was dan ook het gevolg.

               

Op het vlak van het beheer maakte het prille België geen vliegende start, maar wel een goede. In 1838 werden de eerste nationale reglementeringen (vistuig, seizoenen, o.a. voor kabeljauw en haring) van kracht, gevolgd door de eerste geassocieerde politiereglementen in 1840-1841 (fig. 2). Nadien kwamen er regelmatig updates van de reglementeringen, en in 1865 werd er ministerieel besloten om de toestand van de visserij te laten onderzoeken en te controleren of vistuigen schadelijk zijn en het gevaar op overbevissing na te gaan. Dat bepaalde vistuigen schade aanrichten was nochtans al in 1539 geweten (zie hoger), maar de bezorgdheid om het risico op overbevissing was iets relatief nieuws. Tijdens de jaren 1880-1885 maakte België echter een lelijke uitschuiver, toen het in navolging van de Britten de onuitputtelijkheid van de zee verdedigde, en stelde dat de visserij oneindig kan doorgaan. Maar ook dit gebrek aan inzicht inzake de impact van de visserij bleef niet duren, en in 1891-1892 werd het blazoen dan terug een beetje opgepoetst middels het instellen van een nieuwe nationale reglementering.

In 1900 volgde de eerste nationale reglementering betreffende de mosselvangst, de visserij op mosselzaad en andere schelpdieren.

In internationale context vallen de eerste grensoverschrijdende visserijovereenkomsten op (bv. met UK en Ierland in 1852, met Nederland in 1890), alsook de Conventie van Den Haag (inzake de Noordzee, 1882). Een belangrijke mijlpaal kwam er in 1902 met de oprichting van ICES (Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee), waar België in 1903 tot toetrad. Tijdens de eerste jaren van haar bestaan ging de aandacht van ICES vooral naar de schol (Pleuronectes platessa), later uitbreidend met kabeljauw (Gadus morhua) en haring (Clupea harengus).

 

1914-1940

Tijdens de periode 1914-1940 vonden er geen revoluties plaats op technologisch vlak, en de belangrijkste evolutie in de wereld van de Vlaamse visserij was het toenemend belang (specialisatie) van de westelijke visgronden. Wat het beheer betreft maakte de moeizame reorganisatie na Wereldoorlog I dat er op internationaal vlak niet veel werd klaargespeeld. Zo kwamen er tussen de oorlogen geen internationale beheersmaatregelen tot stand. Op nationaal vlak werden wel veel wijzigingen doorgevoerd. Hoewel de sterk toegenomen hoeveelheid informatie nu leidde tot regelmatige updates van de regelgeving, gingen deze niet altijd de goede richting uit. Enkele opvallende wijzigingen waren de opheffing van het gesloten seizoen april-mei in de territoriale wateren in 1927 (was reeds sinds 1892 gesloten voor vele visserijtypes), de herziening van de reglementering voor sleepnetten binnen de 3-mijlszone (enkel met opening < 12m) in 1928 en de wijziging van de minimummaten (kleine vis toegelaten, enkel minimummaat voor tarbot, griet en tong) in 1929.

 

1940-heden

De impact van Wereldoorlog II was zo mogelijk nog groter dan die van zijn voorganger. De tweede werd in tegenstelling tot de eerste echter gevolgd door een snelle heropleving, binnen dewelke een nieuwe golf van technische ontwikkelingen ook een verdere expansie van de visserij toeliet. Hierop werd het voor het eerst echt duidelijk dat de toenemende visserijdruk steeds meer visbestanden in de problemen bracht. Aangezien de visbestanden - en de visserij erop - internationale aangelegenheden zijn was het van het grootste belang dat ook het internationaal beheer eindelijk van de grond kwam, en dat ICES zich meer zou laten gelden. Na de bekrachtiging van de Internationale Conventie voor de regeling van maaswijdten en minimummaten in 1954 en het Verdrag inzake de visserij in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan in 1963, kwam de grootste doorbraak er in 1974 met de intrede van de allereerste quoteringsmaatregelen voor individuele visbestanden. België toonde zich intussen een relatief goede leerling in de Europese klas, en was sneller bij het bekrachtigen van hoger vermeldde conventies en verdragen dan de meeste andere landen. Tijdens de recentere decaden (voornamelijk vanaf 1987) vertaalde de toegenomen aandacht voor de toestand van specifieke visbestanden vanwege niet enkel wetenschappers en vissers maar ook vanwege beleidsmakers zich dan ook in een groeiend aantal Koninklijke Besluiten met beheersmaatregelen voor deze bestanden.

In 2002 werd de bevoegdheid inzake visserij van de Federale naar de Vlaamse Regering overgeheveld. Naast technische maatregelen, vangstbeperkingen en effortbeperkingen ligt inmiddels ook de afbakening van beschermde gebieden binnen de mogelijkheden van de beherende instantie, wat maakt dat Vlaanderen voortaan de volledige visserijbeheer-toolbox kan bedienen.


Slotbemerking

In de huidige context van een groeiend palet aan beheersmaatregelen en de ondersteunende toename van ons collectief ecologisch bewustzijn, denken we nogal makkelijk dat we baanbrekend werk verrichten bij het ontwikkelen van beheersstrategieën voor mariene vispopulaties, en dat we in een tijdperk zijn beland waarin deze materie in een grote stroomversnelling zit. De duik in het verleden die we voor deze bijdrage maakten leert ons echter dat we een aanzienlijk deel van de potentiële impact van visserij op vispopulaties reeds eeuwen begrijpen en dat veel van de huidige beheersopties reeds eeuwen meegaan. Dit illustreert dat we er nog lang niet zijn, en dat de ideale combinatie van beheers-maatregelen nog moet worden gevonden. En dit niet enkel ter bescherming van afzonderlijke visbestanden maar gericht op hele ecosystemen. Nog veel werk aan de winkel!

 

REFERENTIES
Hovart, P. (1994). 150 jaar zeevisserijbeheer 1830-1980: een analyse van normatieve bronnen. Mededelingen van het Rijksstation voor Zeevisserij (CLO Gent), 235. Rijksstation voor Zeevisserij:
Oostende. 317 pp., www.vliz.be/imis/imis.php?module=ref&refid=110673
VLIZ. Een eeuw zeevisserij in België: Tijdslijn voor de reconstructie van de historiek van de
Belgische (Vlaamse) zeevisserij. www.vliz.be/cijfers_beleid/zeevisserij/timeline.php

 

 

 

  LMB-BML 2007 Webmaster & designer: Cmdt. André Jehaes - email andre.jehaes@lmb-bml.be
 Deze site werd geoptimaliseerd voor een resolutie van 1024 x 768 en IE -11-Edge
Ce site a été optimalisé pour une résolution d'écran de 1024 x 768 et IE -11- Edge