HISTORIEK  HISTORIQUE  HISTORIC

 

 

    DE KRIEGSMARINE AAN DE BELGISCHE KUST (II)

 

                

Naar het einde van 1942 toe behaalde de Royal Navy verschillende successen zoals het buitmaken van S111 voor Dover. Hoewel de gloriedagen van de Schnellboten over hun hoogtepunt waren, was de Kriegsmarine verre van verslagen.

De schnellbootactiviteiten namen plots toe in Lyme Bay waar ze opnieuw gebruik maakten van de zwakheden in het Britse konvooisysteem. De schepen van de Coastal Forces bevonden zich in een uitgedunde toestand aangezien vele ervaren bemanningen, kommandanten en zelfs vaartuigen overgeplaatst waren naar het Middellandse Zeegebied voor de nakende invasie van Noord-Afrika.

De Duitsers, de nieuwe Britse schepen die opdoken indachtig, herbewapenden vele van hun overblijvende vaartuigen en verhoogden de kust mijnenlegoperaties. Het hoofdkwartier van de Schnellbootvloot lag nu in Scheveningen. Hierna was Cherbourg, met de 5de en 9de flotieljes, de belangrijkste haven om de voorbereidingen van de op handen zijnde geallieerde invasie op de Franse westkust te verhinderen. Hoewel deze boten niet van de hoogno­dige radar waren voorzien, slaagden ze er toch in om 3 landingsschepen te torpederen ter hoogte van de Dorset kustlijn. Die waren oefeningen aan het houden voor de landing op de stranden te Normandië. Hierbij verloren 638 Amerikaanse soldaten het leven. Schnellboten bleven de voorbereidingen teisteren, maar vreemd genoeg bevond geen enkel vaartuig zich op patrouille in de nacht van 5 op 6 juni 1944. Ze zaten veilig weggedoken in hun betonnen schuilplaatsen in plaats van de meer dan 5000 schepen sterke vloot, die over het Kanaal sloop, te onderscheppen. De 4de flotielje, onder bevel van Kapt. Lt. Funmein, lag in Boulogne, de 9de flotielje, onder bevel van Kapt. Lt. Mirbach, in Cherbourg en de 5de flotielje, onder het bevel van Kapt. Lt. Johann-sen, bevond zich in Le Havre. Wanneer ze toch gealarmeerd waren en uitvoeren, werden ze opgewacht door tientallen geallieerde vliegtuigen.

Pas op 7 juni deden Schnell- en Raumboten aanvallen op de geallieerde landingszones en boekten sporadische successen op Amerikaanse en Britse oorlogsschepen. Tegen het midden van juni slaagde de Royal Air Force erin om drie Schnellboten en een Raumboot te vernietigen voor Le Touquet. Geleidelijk maar zeker begon de Schnellbootvloot af te brokkelen. Hun ervaren bemanningen en kommandanten werden vaker uitgeschakeld, hun basissen gebombardeerd of veroverd. Maar desondanks bleven de bemanningen standvastig hun patrouilles uitvoeren en vermeerderden hun aanvallen op de Britse kustkonvoien. Alhoewel ze successen boekten bevonden hun communicatielijnen zich in een te verspreide toestand. Ze bleven ook in de minderheid wat beschikbare schepen en materiaal betroffen in vergelijking met de geallieerde gevechtsgroepen. Die bestonden uit fregatten vergezeld door M.T.B. `s en M.G.B.'s.

Zo liep "de slag om de nauwe zee" ten einde. Van de 244 boten die gebouwd tussen 1930 en 1940 van stapel liepen gingen er 146 verloren. Daarentegen slaagden de Schnellboten erin, in alle oorlogszones samen voor 226.087 ton geallieerde tonnemaat uit te schakelen. Daar tegenover stonden de eigen handelsverliezen door de Britse Coastal Forces die 34.014 ton bedroegen. Dit toont het succes van de Schnellboten in een offensieve rol net zoals die van de onderzeeboot.

De taktiek en het zeemanschap van de Duitse zeelui werd hoog ingeschat bij hun tegenstrevers aan de andere kant van het Kanaal. Dit mag blijken uit een citaat van koormandant Peter Scott:
"Het zou niet enkel onjuist zijn, maar ook onverstandig om de successen van de Schnellbootvloot te minimaliseren of te onderschatten. Velen van hen werden meestalbekwaam geleiden hebben grote vernielingen aan ons scheepvaartverkeer toegebracht. Dit deden ze met een bedrevenheid dat op hetzelfde indrukwekkende niveau stond als onze eigen kustvloot die de problemen die hen confronteerden maar al te goed kenden. De manschappen die tegenover mekaar kwamen te staan in de lichte kuststrijdkrachten, zowel Brits als Duits, waren veelal jachtlui geweest voor de oorlog. Toen wedijverden ze met mekaar in oceaanwedstrijden. De Duitsers zijn geen maritieme natie zoals wij, maar hun aandacht naar detail maakt van hen geduchte tegenstanders zowel in een nachtelijke slag of een jachting wedstrijd."


Een nadere kijk op de Schnellboot

De benaming Schnellboot spreekt voor zichzelf. Haar voornaamste troef hoort haar grote snelheid te zijn. De Duitsers hadden reeds ervaring met snelle patrouilleschepen in de laatste jaren van Wereldoorlog I. Maar het zou pas jaren later zijn dat de types die in onze wateren opereerden, tot ontwikkeling zouden komen.

De Noordduitse scheepswerf Lürssen begon in de jaren '20 met de bouw van stalen motorboten voortgedreven door 2 Daimler dieselmotoren. Wat toen slechts een prototype was, ontwikkelde zich tot één van de fijnste scheeps­types. Het verdrag van Versailles in 1919 verbood Duitsland echter om snelle patrouilleschepen te bezitten of te bouwen. Om dit te omzeilen bouwde Lürssen de Si in opdracht van zogenaamde privépersonen als dekmantel voor de marine. Het schip liep in augustus 1930 van stapel.

In de volgende twee jaar bouwde Lürssen 5 Schnellboten' die door de Daimler-Benz benzine motoren een maximum snelheid van 34 knopen liepen. Vanaf de S6 werden ze uitgerust met diesel motoren die zowel een economisch als een psychologisch voordeel boden op de benzine gedreven motoren (brandgevaar!) van de PT (Patrol) en MT (Motor) van de Amerikaanse en Britse zeemacht.
Een tweede groot voordeel was dat de Duitse schepen een afgeronde romp hadden aan de onderzijde, terwijl die van de Britten plat was. Daartegenoven stond het grote gewicht van de dieselmotoren, dat opgevangen moest worden door een zwaar houten onderstel. Naast de hoofdmotoren was de Schnellboot ook voorzien van een kleinere Maybach motor om in de haven te manoevreren. Maar men gebruikte die ook op zee omdat hij uitstekend was om sluip-aanvallen uitte voeren terwijl hij het schip toch nog een maximum snelheid van 8,8 knopen gaf. Voor de opbouw en romp werd overwegend uit hout gebruikt. De kiel en boorden waren in eik, de hoger uitstekende brug in cederhout en de romp in mahonie. De romplatten werden in dubbele diagonalen aangebracht om het schip elasticiteit en stevigheid te geven. De romp van een Schnellboot werd in acht compartimenten onderverdeeld en bevatte zes brandstofreservoirs van 7.5001 dieselolie.

                  

In het algemeen telden de verblijven verscheidene slaapplaatsen, acht voor matrozen, vier voor onderofficieren en twee voor officieren. Met het vergroten van het aantal bemanningsleden werden de slaapplaatsen ook uitgebreid.
Op 23 oktober 1936 ijverde de toenmalige stafchef van de Kriegsmarine, Korv. Kapt. Schubert, voor het oprichten van een flotielje snelle aanvalsschepen. Voor hem moesten de Schnellboten enkel dienen voor nachtelijke torpedo-aanvallen op de vijand. Hiervoor dienen ze aan kwalificaties te voldoen zoals; een lage silhouette, een maximale snelheid, een krachtige torpedo-bewapening, gemakkelijke handelbaarheid, zo geruisloos mogelijke motoren, een actieradius van honderden zeemijlen en voldoende accomodatie voor de bemanning. Korte tijd later werd de eerste Schnellbootflotielje in Kiel onder bevel van Kapt. Lt. Erich Bey, één van de voornaamste Duitse zeemachtofficieren tijdens Wereldoorlog II, opgericht Hij verloor het leven in de Noordelijke IJszee terwijl hij het bevel voerde over de elite 4de torpedobootj agerflotielje.

Bij het uitbreken van de oorlog was reeds een tweede flotielje gevormd in Wilhelmshaven. Beide flotieljes hadden een sterkte van 18 schepen. Alhoewel ze fel in de minderheid waren tegenover de Royal Navy, hadden ze het voordeel dat de eigen bemanningen beter opgeleid en voorbereid waren op gevechten in de kustwateren.

De Kriegsmarine standarniseerde de produktie van haar schepen vanaf 1939. De afmetin­gen van de verschillende types variëerden niet veel. Meestal schommelde de lengte rond 34 m bij een breedte van 4,5 m en een diepgang van 1,5 m. Ze waren voornamelijk uit hout vervaardigd en hun waterverplaatsing bedroeg niet meer dan 50 ton. Vanaf de S26 verdween de rechthoekige opstaande brug om vervangen te worden door een lager gelegen, beter beschermde en gestroomlijnde constructie. De waterverplaatsing bedroeg ongeveer 100 ton.

De met zwaardere en krachtigere dieselmotoren uitgeruste boten moesten van staal en een combinatie van lichtere metalen, zoals aluminium, gebouwd worden. Daardoor steeg de waterverplaatsing tot 120 ton. Naarmate de oorlog vorderde namen de aanvallen van M.T.B.'s en vliegtuigen toe zodat de boten beter bepantsertd werden. Het prototype hiervan was S231. Ze had een waterverplaatsing van 113 ton. De nieuwe brug had het uitzicht van een kalotje (soort haarsnit) gekregen en werd dan ook Kalottenbrücke genoemd.

De op Duitse werven geconstrueerde Schnellboten waren uitgerust met drie Daimler-Benz of MAN dieselmotoren die hen een snelheid van 34 knopen leverde. In de latere boten evolueerde dat naar maximaal 43 knopen wat een actieradius van meer dan 700 zeemijl met zich meebracht. De hoofdbewapening van een Schnellboot was altijd de standaard 53,3 cm torpedo geweest. Die werd aangedreven door samengeperste lucht en met een snelheid variërend van 30 tot 44 knopen had hij een bereik van 14 kilometer.

Elke boot was voorzien van vier torpedo's, twee in de buizen en twee als reserve. De secundaire bewapening vergrootte naarmate de oorlog vorderde en variëerde van boot tot boot. Zo konden er twee enkelvoudige of dubbele 20 mm luchtafweerkanonnen aanwezig zijn, meestal rond de brug . Op het achterdek stond een 37 of 40 mm Flakkanon.

Naar het einde van de oorlog toe was er op de boeg van sommige types een verzonken 20 of 30 mm geschut ingebouwd. En dan kon de boot nog uitgerust worden met dieptebommen, explosieve vlotten en verschillende mijnen op afneembare rails op het dek. In 1942 was de bedreiging van de Britse M.T.B. zo groot geworden dat men een zuiver met geschut bewapende Schnellboot ontwierp. Die is echter nooit realiteit geworden. Enkel de bestaande schepen werden zwaarder bewapend en hun torpedo-uitrusting gehalveerd. Het kwam zelfs zover dat de S701, gebouwd in 1944, verschillende dubbele 20 mm kanonnen op het voordek, midscheeps en op het achterdek had, en bovendien over een actieradius van 700 mijl beschikte. Si tot 56 hadden een bemanning van 12 manschappen en officieren. Bij S7 tot S26 waren het er al 18. Vanaf 526 en de volgende series hadden de boten 24 zeelui aan boord. Bovendien waren er vreemde, buit­gemaakte Schnellboten (Franse, Italiaanse, Griekse...) in dienst alsook kleinere voor transport op de hulpkruisers Komet, Kormoran en Michel. Deze zullen hier niet behandeld worden aangezien ze niet operationeel waren voor de Belgische kust.

 

 

SPERRBRECHER


Ontwikkeling en functie van de Sperrbrecher in oorlogstijd

Zoals de Duitse term reeds laat vermoeden gaat het hier om een vaartuig dat versperringen, in dit geval mijnenvelden, moest kunnen doorbreken en zo de achterkomende schepen een veilige doorgang verzekeren.

In een oorlog op zee was de zeemijn de grootste belemmering voor de veilige vaart van de konvooien tussen de havens. Het opruimen van een mijnenveld vroeg veel geduld en voorzichtigheid waardoor er kostbare tijd verloren ging. Al vanaf 1903 werd gedacht aan een vaartuig dat ingezet zou kunnen worden voor deze gevaarlijke en ondankbare taak. Het mocht een vaartuig zijn dat niet te belangrijk was, ietwat verouderd en liefst met redelijke afmetingen. Ook een machinekamer zo ver mogelijk achteraan was hierbij wenselijk.

In die periode dacht men nog niet aan speciaal voor deze functie gebouwde schepen, zoals mijnenvegers- en leggers. Het vaartuig dat men voor ogen had moest volgens de woorden van de Duitse vlootkommandant in 1912, een zelfmoordfunctie kunnen uitvoeren: "... zo moeten Sperrbrecher, zoals de eigenlijke zin van het woord reeds weergeeft, bij het tegenkomen van een mijnversperring zich opofferen om de hiernakomende belangrijkere vaartuigen een veilige doorgang te verlenen."

Het vaartuig dat als Sperrbrecher uitgerust ging worden kreeg op de boeg voorzieningen om een mijntreffer zo goed mogelijk te kunnen opvangen. Daarom ging de voorkeur uit naar schepen met de laadruimte voor de brug en de machinekamer achteraan. Om ze op hun normale diepgang te krijgen werd het ruim met zand geballast. Om het drijfvermogen van het schip te vergroten, werd er boven het zand vlottend materiaal gestapeld. In de beginfase ging het om gebundelde houten planken en houten tonnen.

Later in de oorlog stapelde men lege ijzeren petroleumvaten in de ruimen. Het geheel werd bij mekaar gehouden door zware cargonetten. Het losliggend zand op de bodem bracht natuurlijk heel wat nare problemen mee in zwaar weer. Door het constant rollen verschoof de lading van één zijde naar de andere en kon zo de stabiliteit van het schip in gevaar brengen en het zelfs laten kapseizen. Uit het onderzoek op één van de Sperrbrecherwrakken bleek dat de boeg gedeeltelijk met betonblokken en kasseistenen was gevuld. Hoewel volgens Duitse bronnen het gebruik van stenen afgeraden werd, werden ze soms toch verkozen boven het schuivende zand. Het nadeel van steenblokken was dat deze zich als projectielen gedroegen bij een mijnontploffing en zo de schade nog vergrootten. De zandlading daarentegen had een eerder "dempende" functie.

De Duitse admiraliteit bepaalde dat voorna­melijk handelsschepen met een leeftijd van minimum 15 jaar in aanmerking kwamen als Sperrbrecher. Dit was althans het principe dat werd gehandhaafd in Wereldoorlog I en het daaropvolgend Interbellum. Zo kreeg de Sperrbrecher drie belangrijke functies. De eerste was, zoals hierboven reeds vermeld, het doorbreken van een vijandelijk mijnenveld om de eigen vloot een veilige doorgang te verlenen. Later stond ze ook in om de bewegingsvrijheid van de vloot te kunnen waarborgen. Wanneer de uitgang van een haven geblokkeerd werd door een mijnenveld werden de Sperrbrecher erop afgestuurd om het veld te "klaren". Haar derde functie was naast defensief, ook offensief.

De schepen werden uitgerust met een mijnenveeg- en mijnenlegapparatuur en konden zowel in de eigen als vijandelijke wateren ingezet worden. Tijdens Wereldoorlog I kende dit voornamelijk experimenteel vaartuig grote succes­sen. Er waren er een vijfendertigtal uitgerust en hierbij gingen er negen in oorlogsomstandigheden verloren. Na 1918 zien we deze schepen verdwijnen en naar hun vroegere bezigheden terugkeren. De mijnenruimactiviteiten werden van toen afuitgevoerd door speciaal gebouwde Minensuchschiffe.

Rond 1938 zien we de geleidelijke terugkeer van drie van deze merkwaardige kategorie vaartuigen in de Oostzee. Naarmate de kans op een conflict groter werden, moesten meer en meer schepen door verschillende rederijen zoals Hapag Lloyd, Deutsche Hansa, Neptun Dampfschiffahrtgesellschaft en Argo Reederei ter beschikking van de Kriegsmarine gesteld worden. Voor 1940 waren de Sperrbrecher gekenmerkt door een half-militaire status. Ze voeren onder de Reichsvlag en kregen kentekens als hulpvaartuigen voorde Kriegsmarine.

De bemanning bestond voor de helft uit burgers die als zeelui en officieren voordien in de handelsvaart hun brood verdienden, en soldaten. De soldaten hielden zich dan ook hoofdzakelijk met de bewapening, radio-telegrafie en signalisatie bezig. De kommandanten waren meestal oorlogsveteranen en hadden van een uitgebreide bijkomende opleiding genoten in de tweede helft van de dertiger jaren. De eerste machinist was meestal ook een reservist en een veteraan. Uit dit bonte gezelschap van burgers, veteranen ensoldaten groeide een unieke broederschap.

De Sperrbrecher waren voor het merendeel Duitse handelsschepen. Later werden ze aangevuld door buitgemaakte Noorse, Nederland­se, Franse, Deense, Belgische en Poolse schepen. Ze kunnen in drie grote categorieen ingedeel worden; Mobilmachungssperrbrecher of de grote vaartuigen, de Mittlere Sperrbrecher en de kleine. In ons relaas zullen de kleine Sperrbrecher Ausland aan bod komen.

Naast de functies die ze in de Eerste Wereld­oorlog toegewezen kreeg, werd haar verantwoordelijkheid vergroot. De Sperrbrecher begeleidden nu ook handelsvaartuigen, kregen een vliegtuigobservatiedienst, werden ingezet bij de duikbootbestrijding en moesten bij gelegenheid zelfs als ijsbrekers functioneren. Ze vervulden aanvankelijk de bescheiden rol van controlevaartuigen op zoek naar smokkelwaar op handelsschepen die zich in de door Duitsland bezette wateren bevonden. Reeds op het einde van het eerste oorlogsjaar bleek dat de inzet van de Sperrbrecher in de handelsoorlog niet vlotte. Ze waren slechts met een minimum van zeelui bemand en konden zo een in beslag genomen schip niet voldoende voorzien van een prijsbemanning terwijl vluchtende schepen meestal niet meer ingehaald konden worden door hun geringe snelheid. Hun bewapening bestond slechts uit enkele mitrailleurs.

Als gevolg daarvan werd hun vuurkracht uit­gebreid. Dit gebeurde individueel zodat het moeilijk is om precies te zeggen welk schip welke stukken geschut had. Op de boeg en op het achterschip stond meestal een 10,5 cm, een 8,8 cm of een 7,5 cm kanon. Naast en achter de brug vinden we enkele stukken 20 mm luchtafweergeschut en op het achterschip materiaal om mijnen te ruimen. Sommigen konden een demagnetiserend veld opwekken en hadden voorzieningen om een vliegtuig aan boord te nemen. De zwaardere stukken van de bewapening waren dikwijls gemonteerd op de stompen van de verwijderde masten. Daardoor kregen deze schepen soms wel een bizar uitzicht. Naarmate de oorlog vorderde groeide ook de dreiging vanuit de lucht. Hiertegen werden de Sperrbrecher met Sperrballonnen en vlammenwerpers uitgerust en vanaf 1943 stonden er ook raketten opgesteld. Op 1 september 1940 verdwenen de burgers van de Sperrbrecher en werden vervangen door marinepersoneel.

Gedurende vijf jaar oorlog werden meer dan honderdtwintig Sperrbrecher in dienst ge­steld. Ze waren verdeeld over zes Sperrbrecherflotieljes, namelijk de 1 ste te Cuxhaven, de 2de te Royan, de 3de te Aarhus, de 4de te Brugge, de 6de te Concarneau en de 8ste te Vlaardingen. De flotieljes werden geleid door Marinegruppenkommando Nord te Wilhelmshaven met Gen. Adm. Carls en Marinegruppenkommando West te Parijs met Gen. Adm. Saalwächter.

                  

 

Bijna de helft van deze schepen ging verloren op zee. Na de oorlog werden de overblijvende schepen teruggeven aan de eigenaars of als krijgsbuit onder de geallieerden verdeeld. Sommigen ging naar de sloop, anderen zien we nu nog in de vaart in de verst mogelijke hoeken van de wereld.

 

VORPOSTENBOOTE


Stoomtreilers te wapen !

In een de defensieve en offensieve oorlogvoering ter zee stonden niet alleen Schnell- en Raumboten in voor het leggen en ruimen van mijnen, het begeleiden van konvooien en het aanvallen van duikboten. Allerhande andere schepen werden hiervoor ook gebruikt. Naast kustvaarders in de Sperrbrecherflotielje ging het ook om vissersschepen, stoomtreilers, die als Vorpostenboot gingen dienen.

De bewaking van de bezette kustzones en het escorteren van konvooien van haven naar haven bleken een grote kopzorg voor veel kommandanten van deze kleine vloot. De geallieer­den wisten maar al te goed welke schade ze konden toebrengen door deze belangrijke toevoerroutes te vizeren. De Vorpostenboote kregen het hard te verduren, vooral vanaf oktober 1940 toen de Amerikanen vliegtuigen begonnen te leverden aan de uitgeputte Royal Air Force.

Vorpostenboote waren vissersschepen die voorzien werden van een zware bewapening. De vroegere visruimen voor de brug, werden de woonruimtes en verblijven voor de bemanning. In de beginfase van de oorlog kreeg de boeg een 20 mm MG Flakkanon en op het hek was plaats voor zes dieptebommen. De brug werd voorzien van de nodige radio-apparatuur, signalisatie-instrumenten en schijnwerpers. Ze was ook langs de wanden beschermd tegen bomsplinters en de granaten van Britse snelboten. De patrijspoorten en deuren aan dek werden onderworpen aan de reglementering van verduistering tijdens de nacht. In de zomerperiode van 1940, bij de voorbereiding van de invasie van Engelandkregen deze schepen een zwaardere bewapening. Ze bestond eerst uit een 8,8 cm kanon op de boeg en meerdere machinegeweren als Flakbewapening op de brugvleugels. Tegen het begin van 1943 waren bijna alle Vorpostenboote voorzien van een 8,8 cm of 7,5 cm boegkanon, een 37 of 40 mm Flakkanon, een 20 mm VierlingsFlak, twee tot vier 20 mm enkelvoudige Flak-kanonnen alsook verscheidene 15 mm MG's. Alhoewel ze geen grote snelheden haalden waren ze berucht als ware drijvende forten en konden venijnige steken uitdelen aan niet voorbereide indringers.

Hiernaast maakte de mij nenveegen legapparatuur deel uit van de primaire bewapening. Om vijandelijke onderzeeboten op te sporen werd een U-Horchgerezt in de bodem ingebouwd. Tot het eerste oorlogsjaar werden alle ombouw en reparatie opdrachten aan Duitse werven toevertrouwd zoals, de Oder-Werken te Stettin. In 1940 werden ze aangevuld door Deense werven in Frederikshavn en Aalborg en werven in de lage landen zoals Rotterdam, Vlissingen, Amsterdam en Antwerpen.

In het begin was een bemanning van 30 zeelui de norm. Na enkele maanden werden ze opge­dreven tot 50 en meer volgens de grootte van de bewapening. Zoals bij de Britse kustvloot waren de meeste van deze mannen reservisten. Daarnaast werden ze aangevuld door vissers die zich hadden opgegeven als oorlogsvrijwilligers.

Vele kapiteins verkozen om op hun eigen schip te blijven, maar nu in dienst van de Kriegsmarine. Met hun kennis van de lokale zee en bekwaamheid om een schip te kommanderen klommen sommige hoog de militaire ladder op. Hier denken we aan Lt. z. S. d. Res. Lucht, van de 13de Vorpostenbootflotielje, die het tot Geleitinstrukteur in de Middellandse Zee en later Flotieljekommandant in Noorwegen had gebracht. Sommige kommandanten hadden nog in de Eerste Wereldoorlog bij de kleine oppervlaktevloot dienst gedaan. Als invallers werden rekruten voorzien, die een groot deel van hun leven op zee hadden gesleten of vrijwilligers die naar de zeedienst overstapten.

                    

Hiernaast waren ook gespecialiseerde soldaten die een uitgebreide specialisatie in wapens hadden doorlopen. Door de grote verscheidenheid aan professioneel personeel bij de Vorpostenboote ging men er zelfs toe over om sommige schepen als trainingsvaartuigen voor jongere officieren gebruiken die in bij de U-boten wensten dienst te doen, alsook officieren van de Marine-artillerie die maar weinig van de zee hadden gezien.

 

 

 

  LMB-BML 2007 Webmaster & designer: Cmdt. André Jehaes - email andre.jehaes@lmb-bml.be
 Deze site werd geoptimaliseerd voor een resolutie van 1024 x 768 en IE -11-Edge
Ce site a été optimalisé pour une résolution d'écran de 1024 x 768 et IE -11- Edge