HISTORIEK  HISTORIQUE  HISTORIC

 

DE KRIEGSMARINE AAN DE BELGISCHE KUST (I)


Verovering van de westelijke kustlijn Nadat de Duitse Wehrmacht de geallieerde Engelse, Franse, Nederlandse, Belgische en Poolse strijdkrachten overdonderende verliezen hadden doen lijden in de beginperiode van Wereldoorlog II, stond de weg open naar de verovering van de Belgische westkusthavens. De tactisch schitterend uitgevoerde Blitzkrieg culmineerde in een succesvol hoogtepunt wanneer de restanten van het British Expeditionary Force (B.E.F.) en het Franse landleger te Duinkerke gedwongen werden om langs de zee te ontsnappen. Bijna 350.000 man konden geëvacueerd worden, maar wel ten koste van tonnen militair materiaal en het verlies van bijna 250 schepen.

Toen het merendeel van West-Europa in Duitse handen was gevallen begon de moeizame taak van heropbouw en het aanleggen van een defensieve gordel van beton, staal en mijnen langs de Atlantische kust van Biaritz tot Noorwegen.

De Belgische havens speelden slechts een minieme rol in dit groots projekt. In tegenstelling tot Wereldoorlog I, waarbij het zwaartepunt en belang van de overwinning op zee afhingen van het al of niet bezetten van de Vlaamse havens, was de situatie in 1940 volledig anders. Vooral aan de Franse Atlantische kust werd er koortsachtig gewerkt om basissen voor U-boten en grote oppervlakteschepen uit te bouwen. St.-Nazaire, La Rochelle, Lorient, Brest, Cherbourg en Le Havre zullen altijd in de geschiedenis geboekt staan voor de vele haven­installaties en bevoorradingsplaatsen waar de grijze wolven hun toevlucht zochten. Zelfs de bezette havens van onze noorderburen wogen diep in belang door voor zowel de kleine als grote oppervlakteschepen van de Kriegsmarine. Rotterdam, Hoek van Holland, IJmuiden, Scheveningen bleven voor de Britten een doorn in het oog aan hun oost-en noordkust. Naar het einde van de oorlog toe speelden Den Helder en de havens langs de Waddeneilanden een toenemende defensieve rol.

Maar Belgische kust was toch niet onbelangrijk. Onzekust was op nauwelijks 30 zeemijlen van de havens waar schepen van de Royal Navy voor anker lagen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat veel belangrijke aanvallen, mijnenleg en -ruimoperaties ingezet werden vanaf onze kust. Vele Schnellboot- en Raumbootflotieljes, Vorpostenboten, Sperrbrechers en de occasionele torpedoboten en torpedobootjagers vonden hun toevlucht in de Belgische havens. Oostende werd uitgebouwd tot een steunpunt, een Stützpunkt, en herbergde afwisselend verschillende eenheden van de kleine oppervlaktevloot. De achterhaven werd zelfs voorzien van een vierdubbele betonnen overkraging waarin 8 Schnellboten tegelijk geherbergd konden worden. De Duitse admiraliteit bouwde Oostende uit tot een steunpuntgroep en niet zoals vroeger gepland was tot een ware vesting. Hiervoor beschikte het opperbevel over te weinig reserves aan manschappen, voorraden en materiaal.

Nadat de Franse en Belgische kusten in Duitse handen waren gevallen, begon de heropbouw van de vernielde havens en de berging van de gezonken schepen. Vanaf juni 1940 meerden de eerste oppervlakteschepen van de Kriegsmarine af in Oostende, Zeebrugge en Brugge. Het waren kleine mijnenvegers, de Raumboten. Het belang van Oostende als voorpost voor de strijd in het Kanaal bleek al in juli 1940 toen 5 Schnellboten, de S24, S31, S34, S35 en S37 van het tweede Schnellbootflotielje, onder het bevel van Korvetten Kapitein Rudolf Petersen, zich bij de kleinere Raumboten voegden.

In augustus 1940 was Oostende voldoende als oorlogshaven uitgerust om Schnell- en Raumboten, Sperrbrechers, Vorpostenboten en Hafenschutzschepen te herbergen. Het opperkommando van de Stützpunktgruppe Oost-ende stond onder bevel van Kapitänleuttnant zur See Schneider. Deze post behield hij tot de overgave van de Vlaamse havens in 1944. Gedurende de vier volgende jaren namen deze schepen deel aan ontelbare offensieve acties. Ze voerden vooral mijnenruim- en legoperaties uit, aanvallen op de handelsscheepvaart in de geallieerde konvooiroutes, beschietingen van belang­rijke havens en in het algemeen "het leven voor de Engelsman moeilijk maken".

Ook belangrijk was de defensieve rol die ze speelden bij hun eigen konvooien die manschappen en materiaal vervoer­den. Hiernaast leverden ze de belangrijke flankverdediging in belangrijke operaties. Als voorbereiding voor de nooit uitgevoerde operatie "Seelówe" (de invasie van Engeland), waren verscheidene torpedoboten, waaronder de Falke, Iltis, Jaguar, Greif en T35, alsook de mijnenleggers Kónigin Luise, Preussen, Roland en Grille begin september 1940 samengetrokken in Belgische havens .

Ook bij het begeleiden van belangrijke schepen door het Kanaal, speelden de kleine eenheden een beslissende rol, zoals bij operatie "Cerberus", waarbij de slagschepen Scharnhorst, Gneisenau en Prinz Eugen veilig terug in Duitse wateren geraakten nadat de Britse zee- en luchtmacht hen de uitvaart uit Brest trachtten te verhinderden. De hulpkruisers Komet en Widder, die van Wilhelmshaven naar de Atlantische Oceaan afzakten, kregen ook dekking van de kleinere eenheden bij hun vertrek op kapervaart begin 1941 en 1942. De eerste verging met haar 350-koppige bemanning ter hoogte van Cherbourg.

 

Oostende als voornaamste steunpunt in Vlaanderen

Oostende viel in de avond van 28 mei 1940 tijdens hoogtepunt van operatie "Dynamo", de evacuatie van Duinkerke, in Duitse handen.

De eerste Schnellboten voeren de Oostendse haven in juli 1940 binnen. In augustus volgden kleinere, maar even belangrijke, eenheden van de oppervlaktevloot. Tegen het einde van het tweede oorlogsjaar begon men aan de constructie van een Schnellbootbunker op het uiteinde van het Zeewezendok. Hij was opge­trokken uit gewapend beton met een overkraging van anderhalve meter dikte en kon 8 vaartuigen herbergen. Het geheel was overtrokken met een camouflagenet en zwaar verdedigd door geschutsbunkers en stellingen met luchtafweer. Voor grotere oorlogsschepen dan torpedoboten was de haven niet toegankelijk.

Op het einde 1940 kreeg de 4de Sperrbrecherflotielje, naast Duinkerke, Boulogne en Le Havre, ook Oostende als uitvalsbasis. Hun kommando was in Brugge en de vloot vertegenwoordigde een sterkte van 20 vaartuigen. Tegen 1942 was dit aantal geslonken tot 9 schepen. Het flotielje werd ontbonden in juli 1943.

In Oostende waren in 1941 nog de 2de Vorpostenbootflotielje, onder bevel van Fregattenkapitein Diederichs, de 3de Raumbootflotielje onder Kapiteinleutnant Heydel en de 16de Minensuchflotielje onder Korvetten Kapitein Marguth ondergebracht.

Verschillende Schnellbootflotieljes losten el­kaar af in Oostende. Het waren de 2de, 3de, 4de, 5de, 6de en 8ste flotieljes. De 36ste Minensuchflotielje voegde zich bij de1l6de in hetzelfde jaar en stond onder bevel van Kor­vetten Kapitan Walther Josephi tot december 1942. Hierna namen Korv.Kapt. Palmgren, Behrmann, Grosse en tenslotte Reinhold achtereenvolgens de taak over tot de ontruiming in mei 1944.

Naast de 3de Raumbootflotielje liepen ook de 2de, 4de, 7de, en 8ste Oostende op verschillende tijdstippen aan en stonden onder het bevel van Korv. Kapt. Boit. Tenslotte mogen we de Hafenschutzflotielje niet vergeten die de vele, vaak ondankbare taken in en vlak buiten de havenmond moesten vervullen. Deze vloot was samengesteld uit kleine in beslaggenomen vaartuigen gaande van vissersloepen, yachten tot sleepboten en aken. Ze kregen de beginletters H. S., wat dus Hafenschutz betekent. Deze initialen werden aangevuld door de aanduiding van het land en de haven van herkomst. Voor Oostende betrof het F. O., zijnde Flandern-Oostende. De verantwoordelijkheid werd hier overgedragen aan Kon,. Kap. Theodor Dralle.


Wrakstudie

Bij de studie en identificatie van vergane schepen, kan de onderzoeker-duiker voor vele moeilijkheden komente staan. Het wrak stelt meestal niet veel herkenbaars voor. Bovenbouw en delen van de romp zijn verdwenen door het langdurig blootstaan aan de elementen zoals stroming, elektrolyse, verzanding... Maar menselijke factoren veroorzaken soms nog de meeste schade. Hierbij denken we aan de sleep- en schakelnetvisserij en de berging of dynamitering van wrakken die een hinder voor de scheepvaart vormen.

Indien een wrak zijn identiteit niet door uiterlijke kenmerken prijsgeeft, dan moet men overgaan tot het recupereren van voorwerpen die van een naam of een datum voorzien zijn. Wrakken van deze eeuw kunnen even belangrijk zijn als de Romeinse koopvaarder of de Middeleeuwse kogge. Vandaar dat een studie van deze wrakken noodzakelijk is, en tijd dringt bij het karteren, registreren en identificeren van de stalen vaartuigen van de "Vergeten Vloot" in onze wateren.

 

TORPEDOBOOTJAGERS EN TORPEDOBOTEN

Madchen für alles

"Meisjes voor alle dienst" was bij de Kriegsmarine de populaire naam voor de "grootsten" onder de kleine oppervlaktevloot. Torpedobootjagers en torpedoboten waren geschikt voor allerhande taken op zee. Ze werden als helpers voor de zwakkere schepen ingezet, dienden als de ogen en oren van de vloot en met hun luister- en sonarapparatuur dienden ze als scherm tegen op de loer liggende onderzeeërs.

Met hun snelheid van 3 8 knopen kon een vij and bliksemsnel aangevallen worden. Het slagschip met de torpedo, een onderzeeboot met diepzeebommen, vliegtuigen en kanonneerboten met snelvuurgeschut en vijandelijke havens, ankerplaatsen en vaarroutes met mijnen.

Zo was de torpedobootjager met zijn geconcentreerde bewapenings toch een lichtgewicht inde zeeslagen. Ze beschermden de scheepvaartroutes en de hun toevertrouwde "kudde" schepen. Zelfs de verouderde torpedobootjagers dienden nog in Wereldoorlog II als mijnenleggers- en vegers, anderen als troepen- en materiaaltransporten. Sommigen werden uitgerust met platformen voor watervliegtuigen.

Door de aanwezigheid van torpedobootjagers en torpedoboten behielden belangrijkere schepen hun zekerheid. Ze begeleiden hulpkruisers, blokkadebrekers en slagschepen op huntochten. Eén van hun laatste grote acties was iets waarvoor ze nooit bedoeld waren; de evacuatie van tienduizenden burgers en militairen uit het oostelijk deel van de Reich op de vlucht voor het naderende Rode leger. Deze schepen doken in alle oorlogstheaters op, van de Noordelijke IJszee via de Noordzee, Baai van Biskaje, de Atlantische Oceaan tot de Middellandse Zee. Bruno Heinemann en Wolf waren twee van deze schepen. Alhoewel hun basis geen Belgische haven was, (Brest en Duinkerke) speelden ze toch een grote rol in de zone voor de Belgische kust. Hun wrakken liggen nu op de Frans-Belgische zeegrens en vormen een geliefkoosde trekpleister voor Belgische sportduikers.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

SCHNELLBOTEN EN RAUMBOTEN

Schermutselingen tussen Coastal Forces en de Schnellbootflotieljes in het Kanaal

Luitenant Donald Gould Bradford, R. N R., koormandant van een "C" klasse Britse kanonneerboot, geeft een getuigenis van de confrontaties tussen Schnellboten en Britse M.G.B.'s ter hoogte van Smith 's Knoll gedurende de nacht van 28 op 29 maart 1943.

"We waren op patrouille met twee boten, wachtend en luisterend. Het was het soort nacht die we altijd associeerden met Schnellboten, donker als pek met weinig sterren, zichtbaarheid laag, zeker minder dan hon­derd meter. Na 3 uur rondgedobberd te hebben hoorden we eindelijk het gefluister van motoren aan onze stuurboordzijde. Het ge­luid was luider aan het worden en kwam in onze richting. Ik liet de motoren starten, ging over naar gevechtsposten en rekende een mogelijke onderscheppingskoers uit. We hadden nu 16 knopen bereikt en stuurden over een koers dat door mogelijke Schnellboten genomen zou worden om ons konvooi aan te vallen. Na enige ogenblikken van gespannen afwachten riep de bakboord uitkijk: "Object aan bakboord! ". Doorheen de Barr & Stroud merkte ik 3 witte schijnsels. Het betrof 3 keelwaters.

Frank, mijn eerste officier, was zoals gewoonlijk in de kaartenkamer. Ik riep hem naar de brug en beval hem een waarschuwing naar de boot achter ons te flitsen. Ik hield de verrekijker op de witte strepen en besefte plots dat het er 5 waren. Nu was alle twijfel weg, het waren Schnellboten. Ze voeren traag, ongeveer 12 knopen, en we naderden hen met spoed. De vijandelijke vaartuigen leken wel spook­schepen, geen bemanning aan dek, slechts de boten die blijkbaar moeiteloos door het water ploegden. Ik besloot eerst op hen te vuren en veranderde koers naar de boot het dichtst bij het leidende vaartuig zodat mijn collega ook een keuze van doelen zou hebben. We waren reeds tot op 50 meter van het tweede doel genaderd toen ik open het vuren beval. En op minder dan 50 meter konden ze niet missen.

De kanonniers overdonderden gewoonweg de mof. We kregen slechts een kleine sputter van licht machinegeweervuur terug als antwoord, maar dit begon bijna iets. Het raakte een volle lader op de Oerlikon en de patronen vatten vuur en ontploften. Ik zag de flits uit mijn ooghoek en besefte dat iets verkeerd was gegaan, maar er kon nu niets gedaan worden, vooral omdat we ons in het heetst van de strijd bevonden. De overige stuks waren voluit aan het geven en rukten grote fragmenten uit de zijde en bovenbouw van onze tegenstander. Ik zag het dek tilten wanneer ons zwaarder geschut de vijand raakte. We naderden tot op 20 meter en plots hoorde ik de Oerlikon weer in actie komen.

De kanonniers hadden het vernietigde magazijn overboord gegooid en met een ander vervangen. De kanonnier was geërgerd en hij drukte gewoon op de trekker zodat het ganse magazijn zich leeg maakte op het dek van de Schnellboot, juist achter de mast. In het licht van de kanonflitsen kon ik het dek van de Schnellboot uitmaken alsof er een schijnwerper op stond gericht. De vijandelijke kanon­niers van het achterste geschut lagen in wanordelijke hoopjes op het achterdek, mors­dood. Plots gebeurde het. Een oranjekleurig gevlamde vuurtong spoot de lucht in, het dek leek te plooien en toen brak de Schnellboot in twee. De Oerlikon had waarschijnlijk de kop van een torpedo geraakt. Het achterschip kwam eraf en dreef langs mijn stuurboordzijde. Het voorschip was reeds onder de golven verdwenen. Enkele ogenblikken later markeerden slechts 2 wrakstukken de plaats waar de Schnellboot was ondergegaan. "

Nachtelijke gevechten tussen Britse M.G.B.'s (Motor Gun Boat) en Duitse Schnellboten werden bijna dagelijksekost voor onze kust in het midden en het einde van Wereldoorlog II . Gedurende de eerste oorlogsjaren hadden de kleine oppervlakteschepen van Hitlers' Kriegsmarine de overhand in wat men later "de slag om de nauwe zee" ging noemen. Later werden de successen sporadischer en liepen de eigen verliezen op tot een dramatisch hoogtepunt.
De Britten noemden hen "E-boten", E staande voor Enemy War Patrol Boat, bij de Duitsers gekend als Stukas der Meere. Deze laatste uitdrukking legde de vergelijking met één van de meest gevreesde Duitse duikbommen­werpers, de Ju 87 Stuka. De Schnellboot werd ontworpen om zowel een offensieve als defensieve rol te spelen in het Noordzee-oorlogstheater. Hun aanwezigheid was een initiële dreiging voor de Britse kustkonvooiroutes. Kustkonvooien hadden een beslissende rol voor zeevarende naties in oorlogstijd omdat ze instonden voor het snelle transport van voorraden en militaire voorzieningen. Tijdens Wereldoorlog II was dit het geval voor de asmogendheden en de geallieerden. Het is vandaar niet te verwonderen dat de met kolen geladen konvooien van Londen naar de noordoost kust van Engeland onderherhaaldelijke torpedo-en mijn aanvallen van de door Schnell- en Raumboten kwamen. Het ging zelfs zover dat het gebied tussen Smith 's Knoll (een zandbank ter hoogte van Lowestoft) en East Anglia omgedoopt werd tot E-Boat Alley (Schnellbootsteeg).

Van na de val van Duinkerke tot begin 1942 boekten de Schnellbootflotieljes grote successen bij aanvallen op geallieerde scheepvaartroutes en bleven hun eigen verliezen miniem. Dit was grotendeels te danken aan het feit dat de Luftwaffe de luchtsuperioriteit boven de Kanaalzone stevig in handen had. Bij hun blitsaanvallen vonden ze weinig, op bepaalde ogenblikken zelfs geen, tegenstand. De reden hiervoor was dat de produktie van kanonneerboten voor de Britten op dat ogenblik geen prioriteit had.

De Duitsers hadden de bovenhand in de Britse thuiswateren tot 1942, toen de M.G.B. flotieljes (Motor Gun Boat) opdoken. Deze compacte, snelle vaartuigen werden slechts met één doel ontworpen, als Schnellbootjagers. Naast de M.G.B.'s boezemden torpedobootjagers en fregatten, die van een 2 pounder op het uiterste punt van de boeg waren voorzien, een heilige vrees in bij de Duitse bemanningen. Deze oorlogsbodems werkten vaak samen met M.G.B.'s en gevechtsbommenwerpers en vormden, naast mijntreffers, de grootste oor zaak van Schnellbootverliezen in onze kustwateren. Meer en meer werden de flotieljes in Nederland en België in een mijnenlegrol gedrukt. De 3de Schnellbootflotielje in Oostende ondernam met succes een aantal raids op een konvooi in de Thamesmonding. Het keerpunt kwam in november 1941 toen twee Britse M.G.B.'s, onder bevel van Lt. Corn. Robert Hickens, twee Schnellboten uit een groep van vijf voor Hoek van Holland vernietigden. De aanvankelijke dreiging voor de Britse konvooiroutes nam geleidelijk aan af en tegen 1943 kwamen zware nachtelijke treflens bijna elke nacht voor in de ondiepe zone van het Kanaal.

 

Wordt vervolgt

 

 

  LMB-BML 2007 Webmaster & designer: Cmdt. André Jehaes - email andre.jehaes@lmb-bml.be
 Deze site werd geoptimaliseerd voor een resolutie van 1024 x 768 en IE -11-Edge
Ce site a été optimalisé pour une résolution d'écran de 1024 x 768 et IE -11- Edge