BELGISCHE MARITIEME LIGA  vzw.
LIGUE MARITIME BELGE  asbl.

Koninklijke Vereniging - Société Royale

HISTORIEK  HISTORIQUE  HISTORIC

 

DE VLAKTE VAN DE RAAN IN HISTORISCH-GEOGRAFISCH PERSPECTIEF


Johan Termote
Westtoer, Albert I-laan 120, B-8200 Brugge, België. Email: johan.termote@westtoer.be


Samenvatting

Vormt de ‘Vlakte van de Raan’ de sokkel van een verdwenen stuk pre-Romeinse kustvlakte? De historicigeografen zijn geneigd hierop positief te antwoorden. In dit verhaal vormt de lokalisatie en de evolutie van de oude kustlijn een eerste aandachtspunt. Het afbraakproces is, gezien de penurie aan historische en cartografische bronnen, pas vanaf de 13de eeuw te reconstrueren. De toenmalige toestand met de eilandengroep van ‘Wulpen’, ‘Koezand’ en ‘Schoneveld’ (en Cadzand) komt vanaf het midden van de 14de eeuw onder druk, gelijklopend met de verruiming van de Westerschelde. Dit opruimingsproces krijgt reeds omstreeks 1500 haar beslag. De precieze reconstructie van dit proces levert nog tal van vragen en moeilijkheden op. Een multidisciplinaire aanpak lijkt dan ook noodzakelijk om de historische gegevens te toetsen en de hoofdlijnen van dit proces uit te tekenen.


1. Inleiding

Omtrent de evolutie van de Vlaamse kust voor 1500 is weinig geweten. Het beeld van een rechtlijnige kustlijn lijkt niet te kloppen. Zeker de mondinggebieden kenden een grillige verloop, enerzijds door natuurlijke processen en anderzijds door menselijke factoren (inpoldering, bevaarbaar houden of maken). De evolutie kan enkel door een interdisciplinaire aanpak gereconstrueerd worden. De IJzermonding is nog het best gekend. Het mondinggebied van de Aa wacht nog op een gedetailleerd onderzoek. Voor het gebied van de Westerschelde geven we hier een aanzet voor een stand van zaken vanuit historisch-geografisch perspectief.

De zogenaamde Oude Duinen met daarop prehistorische, Romeinse en vroegmiddeleeuwse bewoningsporen komen enkel nog voor aan de Westkust. Dit laat een meer zeewaartse duinengordel veronderstellen, die eerder om strategrafische redenen, vanaf Nieuwpoort geleidelijk in een wijde boog op de westelijke punt van Walcheren aansloot. Het bestaan van deze kustlijn, is vooralsnog een hypothese, die echter steeds meer ingang vindt – zowel bij de historici, als bij de geologen en geografen. In deze dispositie zou de ‘Vlakte van de Raan’ de basis of de sokkel kunnen vormen van een overspoeld gedeelte van de pre-romeinse kustvlakte.

Cools (1985) veronderstelt dat op deze oude Duinengordel een reeks Romeinse kustversterkingen opgetrokken zijn, na de invallen van de Chauci omstreeks 172 - 174. Voor de inplanting baseert hij zich op de archeologische vindplaatsen en op de loop van de rivieren en de heerbanen (Fig. 1).

            
Vragen omtrent de chronologie en de mogelijke fasen van deze geleidelijke ‘opruiming’ blijven. Niet verwonderlijk: de bruikbare historische bronnen duiken pas vanaf de 13de eeuw op en die zijn dan nog alles behalve eenduidig te interpreteren. Dit maakt dat enkel de laatste fase van dit proces –— na 1300 – te reconstrueren valt.
Het kustlandschap in de eerste vijf eeuwen van de jaartelling kenmerkte zich door het terugschrijden van de kustlijn en de erosie van de bestaande getijdendelta’s. We kunnen aannemen dat dit proces zich, na de Germaanse invallen van 250 - 270, versneld doorzette. Hier zal de invloed van de mens onrechtstreeks een rol hebben gespeeld. De kustvlakte was op enkele plaatsen reeds ontveend en gedraineerd en kende vermoedelijk zelfs een vorm van bedijking.

Voor de delta van de Westerschelde komen we tot een conglomeraat van eilanden, waarvan naast de eilanden ‘Schoneveld’ en ‘Koezand’, het eiland ‘Wulpen’ het belangrijkste was. Vermeldenswaardig blijft verder dat de grens tussen het graafschappen Zeeland en Vlaanderen door deze eilandengroep heen liep. Meer bepaald de ‘geul van de Hedensee’, tussen ‘Wulpen’ en ‘Koezand/ Schoneveld’, vormde hier de grens. Dit laat vermoeden dat dit ooit de hoofdgeul van de delta was.


2. Historische gegevens

Wat zijn de historische gegevens en hoe kunnen ze ons helpen in de problematiek van de evolutie van het mondinggebied van de Westerschelde?

De vroegste vermeldingen van het eiland ‘Wulpen’ duiken op in de Gudrun- en Kudrunsagen, die gebeurtenissen uit de periode van de Noormanneninvallen verhalen. We kunnen aannemen dat de inpoldering van het eiland omstreeks 1000 van start ging. De ringdijk, de ‘Evendijk’ of ‘Hievendijch’ omsloot deze polders. In de omgeving van het eiland duiken nog andere zandplaten op. ‘Koezand’, gelegen ten oosten van ‘Wulpen’, komt pas in 1237 in de bronnen. De bedijking greep hier plaats vanaf 1243. Het eiland behoorde voor de tiendenheffing toe aan het O.L.Vrouwehospitaal van Rijsel. Het eiland ‘Schoneveld’ – insula de Pulchro Campo –komt vanaf ca. 1220 in de bronnen voor.

De oudste bronnen omtrent het eiland ‘Wulpen’ gaat terug tot 1096. De oorkonde van 1114 spreekt over ‘... vulps quae sita est in maris insula’. Het betreft dus wel degelijk een eiland. Dit blijkt niet alleen uit de toponiem – insula – maar evenzeer uit het feit dat de inwoners van de betreffende eilanden zich mochten verontschuldigen voor de rechtbank van de vierschaar in Brugge, wanneer ze door de onstuimige zee verhinderd waren om de oversteek te nemen.

In 1213 volgt de eerste vermelding van de vijf parochies. Het waren Remboudsdorp (= kerk van Raginabald), Avenkerke (= kerk van Ava), Briele, Oostende-Sint Lambertus en Westende-Sint Precatus, dat toen ‘Ten Dunen’ genoemd werd. Ter vergelijking de meer zuidelijk gelegen parochie ‘Kadzand’ duikt pas in 1231 in de teksten op.

De parochie Briele werd bediend door de benediktijnerabdij Sint-Quentin-en-l’Ile en splitste zich of uit de moederparochie Oostkerke. De andere parochies vielen onder de bediening van de Sint-Baafsabdij van Gent en waren afgesplitst uit de parochie Aardenburg. Op de noordoostsector van het eiland ontstond reeds voor 1290 de haven Waterduinen, die in 1299 voor het eerst als stad vermeld wordt. Waterduinen behoorde tot de smalle steden van het Brugse Vrije.

In de loop van de 13de eeuw liep de inpolderingactiviteit verder buiten de Evendijk.

Bepalend voor onze topografische kennis van de eilandengroep vormt de oorkonde van 18 september 1290. Aanleiding vormde de betwisting aangaande het tiendenrecht op de nieuwe gronden – novale tienden – in de parochie Aardenburg tussen de Sint-Baafsabdij van Gent en de bisschop van Doornik1. Dit document levert een aantal topografische aanknopingspunten, met o.m. het feit dat ‘Wulpen’ zich tot het noorden van ‘Kadzand’ uitstrekte en de ligging van de haven Waterduinen in de noordoostelijke hoek van het eiland.

De teloorgang van de eilandengroep is via de documenten en meer bepaald aan de hand van de tiendenregisters, gedeeltelijk te reconstrueren. De topografische aanwijzingen blijven echter vaag.

 

          

Vanaf de stormramp van 24-29 november 1334 start de aftakeling van de eilandengroep2. In dit jaar en de daaropvolgende stormen van de jaren 1341 en 1344 werd Remboudsdorp opgegeven en is er de vraag van de plaatselijke pastoor om de parochie samen te voegen met Westende. In 1357 moest de havenstad Waterduinen eraan geloven. Een document uit 1363 beschouwt de parochies Briele, Westende en Remboudsdorp als verloren.

De storm van 12 november 1376 verbreedt de geul tussen het eilanden ‘Schoneveld’ en ‘Wulpen’, waardoor de ‘Wielingen’ ontstaat. Dit heeft belangrijke gevolgen, want hierdoor verliest het geulenpatroon tussen het vasteland en de eilanden van ‘Wulpen’ en ‘Kadzand’ zijn schuurwater en komt een versneld sedimentatieproces op volle gang waardoor de gaten van het Zwin en het ‘Zwarte Gat’ dreigen dicht te slibben of mogelijk zelfs geheel dichtslibben. Deze situatie is afgebeeld op een aantal ‘reconstructiekaarten’ opgemaakt in de 17de eeuw. – o.m. de kaart Van Thuyne (1617) en de kaart van de Zeeuwse delta beide in het Rijksarchief Gent – waar de verbinding vanuit Brugge, via de ‘Geul van de Vloer’ ten oosten van het eiland ‘Cadzand’ en niet via het Zwin verliep.

Al met al blijken er twee processen aan het werk: de west- en noordzijde van ‘Wulpen’ spoelde verder weg door een combinatie van stormen en de veranderende zeestroming van de ‘Wielingen’, die zich geleidelijk van noordwestelijke richting naar een meer westelijke richting verlegde. Anderzijds breidde het eiland in oostelijke en zuidelijke richting verder uit via sedimentatie en nieuwe inpolderingen. Dit leidde uiteindelijk tot aansluiting met de eilanden ‘Cadzand’ en ‘Koezand’. Het eindresultaat van dit complex morfologisch proces is te zien op de Kaart van het Brugse Vrije door P. Pourbus (1571) en de kaarten van Horenbault (1605 en 1622). De dorpskern van Oostende, in deze periode Sint-Lambertus-Wulpen genaamd, bleek begin 16de eeuw nog bewaard. De laatste resten werden in 1797 weggeslagen.

De basistopografie en de precieze lokalisatie van de eilanden vormen blijkbaar nog een punt van discussie. Bindoff (1945) en Gottschalk (1983) localiseerden de eilanden aanvankelijk in de Scheldemond. Op basis van de oorkonde van 1290 volgden nieuwe reconstructies eerst door Gottschalk en Buntinx (1968), later door Coornaert (1974 en 1989) en Augustijn (1992). Ze verschillen grondig. Augustijn, gedetermineerd door de hypothese van een nog bewaarde oude duinengordel, legt de zeezijde van het eiland ‘Wulpen’ hierop vast. Coornaert is voorzichtiger.

Als we de gemiddelde oppervlakte van de parochies in de Vlaamse kustvlakte als uitgangspunt nemen, en die situeert zich tussen 800 en 1000ha, dan kunnen we op basis van de vijf parochies een eilandgrootte tussen 4000 à 5000ha veronderstellen. In deze zin is de reconstructie van Augustijn enerzijds te ruim en kunnen we ervan uitgaan dat in die 13de eeuw de oude kustlijn verdwenen was. Anderzijds lijkt de reconstructie van Gottschalk dan weer te bescheiden. Coornaert lijkt daarentegen goed te zitten.

Zijn de eilanden ‘Wulpen’ en ‘Koezand’ relatief goed gedocumenteerd, dan is dit beduidend minder het geval voor het eiland of de schorrenplaat ‘Schoneveld’. De reconstructiekaarten (Dampierrekaart, kaart Zeeuwse delta en de kaart Van Thuyne) tonen een bedijkt eiland met parochiekerk. Bovendien wordt het eiland als vrij uitgestrekt afgebeeld en gesitueerd ten noorden van ‘Wulpen’ op de plaats van de huidige zandplaat van de ‘Rassen’. Deze gegevens kloppen niet met de zeldzame historische bronnen, die eerder een onbewoonde schorrenplaat laten vermoeden. Omtrent de ligging geven deze geschreven bronnen echter geen uitsluitsel.

            

 

            

 

3. Open vragen

Voor de historisch geografen en de archeologen blijven dus nog belangrijke vragen open:
3.1. Kunnen we de zandplaat van de ‘Vlakte van de Raan’ zien als de sokkel van een verdwenen stuk kustvlakte en van de hier besproken eilandengroep?

Met andere woorden is deze zandplaat bruikbaar voor historisch-geografische referentie. In dit verband wijzen we op de zandbank van het ‘Carolus Bankje’ en de ‘Sluissche Hompels’, die kunnen samenvallen met de noordzijde van het 13de eeuwse eiland ‘Wulpen’.
3.2. Hoe verliep dit ‘opruimingsproces’ in tijd en ruimte?

Wellicht kan een beter begrip van de hydrodynamische processen helpen dit scenario beter te begrijpen en nauwkeuriger uit te schrijven. In dit kader is de situering van het eiland of zandplaat van ‘Schoneveld’ van belang. Hier duiken de reconstructiekaarten weer op. We suggereerden reeds dat deze kaarten mogelijk een tussenfase van omstreeks 1400 weergeven. Het is het echter ook mogelijk dat ze een oudere toestand weergeven, in een periode waar het opruimingsproces van de eilanden minder ver gevorderd was. Hier dient de kaartfiliatie verder bestudeerd en mogelijk levert verder onderzoek de ‘moederkaarten’ op. Hoe dan ook: de materie is dermate complex dat enkel een multidisciplinaire aanpak tot een oplossing kan leiden.

              

 

4. Sporen terug te vinden?

Tenslotte is er de vraag of van deze oude toestand nog sporen kunnen bewaard zijn. De eilanden waren ingenomen door polders, waarvan het oppervlak binnen de bedijking zeker tot 2.5m TAW of hoger reikte. Daar het huidige oppervlak van de ‘Vlakte van de Raan’ zich onder de zeespiegel situeert, kunnen we aannemen dat het belangrijkste deel van sporen, zoniet alle sporen, weggespoeld zijn. Dit sluit echter niet uit dat op de hogere delen van de zandbanken nog sporen in situ kunnen opduiken of dat nog heel wat restpuin kan voorkomen. Het centrale gedeelte van het eiland ‘Wulpen’ is wellicht verloren, omdat de geul van de ‘Wielingen’ hier alles heeft uitgeschuurd.


Referenties

Augustijn B. (1992). Zeespiegelrijzing, transgressiefasen en stormvloeden in Maritiem Vlaanderen tot het eind van de XVIde eeuw. Een landschappelijke, ecologische en klimatologische studie in historisch perspectief, Brussel.
Baeteman C. (2006). De laat holocene evolutie van de Belgische kustvlakte: sedimentatieprocessen versus zeespiegelschommelingen en Duinkerke transgressies, manuscript.
Bossu J. (1983). Vlaanderen in oude kaarten, drie eeuwen cartografie. Tielt-Bussum.
Bossu J. Van de Wielingen tot de hoofden. De Vlaamse kust in de oude cartografie. Met zicht op zee: 44- 47.
Bindoff S.T. (1945). The Scheldt question to 1839. London.
Buntinx W. (1968). Waterdunen, een vergeten stad in Zeeuws Vlaanderen. Handelingen van de Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde van Gent, XXII: 145-174.
Cools E. (1985). De Romeinse kustverdediging van Maritiem Vlaanderen. Werkhypothesen voor een systematische prospektie. Westvlaamse Archaeologica, 1: 16-27.
Coornaert M. (1989). Het tienderecht in de oorspronkelijke parochie Oostkerke en op het eiland Wulpen met de topografie en de geschiedenis van Wulpen. Rond de Poldertorens, XXXI (1): 5-35; (2): 3-32; (3): 3-43 en (4): 3-36.
Gottschalk M.K.E. (1983). Historische geografie van westelijk Zeeuws-Vlaanderen, 2 dln., Assen, 1955- 1958. Tweede druk, Dieren.
Gysseling X. en Koch A. (1950). Diplomata Belgica ante annum millesinum centesimum scripta, Tongeren, 143: 252-253.
Van der Herten B. (1998). Het Brugse Vrije in beeld. Facsimile-uitgave van de Grote kaart geschilderd door Pieter Pourbus (1571) en gekopieerd door Pieter Claeissens (1601), Leuven.
Van Strydonck M. en de Mulder G. (2000). De Schelde. Verhaal van een rivier, Leuven. Verhulst A. (1995). Landschap en Landbouw in Middeleeuws Vlaanderen, Brussel.
Vermeersch F. (1982). Brugge en de zee, Antwerpen.
Vos R. en Van Heeringen R. (1996). Paleogeografische kaarten van Zeeland (1 /500.000), Haarlem.
Wintein W. (2001). Historische geografie van de Zwinstreek. Een stand van Zaken. Bijdragen tot de geschiedenis van West-Zeeuws-Vlaanderen, 29: p.9-54.

 

Kaartmateriaal
Antwerpen Stadsarchief (SAA)

  • Kaart van de Scheldeloop van Rupelmonde tot de zee, 1505. Gepubliceerd in: Denuce J. (1925). De loop van de Schelde van de zee tot Rupelmonde. Antwerpen. En in Gottschalk M.K.E. en Unger W.S. (1950). De oudste kaarten der waterwegen tussen Brabant, Vlaanderen en Zeeland. Tijdschrift van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap, LXVII (2): 146-164.

Brugge, Stadsarchief

  • Kaart van het Brugse Vrije, P. Pourbus, 1561-1571. Afgebeeld in Verhulst (1995). p. 34 en volgende.

Gent, Rijksarchief (RAG), kaarten en plannen

  • Nr. 5. kaart van d Zeeuwse delta rond 1300; de zgn. Dampierrekaart3
  • Nr. 13. Kaart van de Scheldemonding in 1288, Lieven van Thuyne (1617)
  • Nr. 351. Kaart van het Scheldegebied
  • Nr. 352. kaart van de Scheldemonding (afgebeeld in Buntinx, 1968, p.146)
  • Nr. 591. Kaart van de Zwinmonding en het eiland Kadzand, ca. 1550
  • Nr. 595, kaart van de streek rond het Zwin en de Westerschelde, J.Horenbault, 1622
  • Nr. 617. Kaart van de Zuidzeepolder, F. Van de Velde (1542).
  • Nr. 2082. Kaart van de Zwinmonding en het eiland Kadzand, ca. 1550
  • Nr. 2594, kaart van de Zeeuwse delta rond 1300

Archieven

Brugge, Rijksarchief,
Burg Brugge, nr.1073, leenregister 1381
Burg Brugge, nr.1074, leenregister 1384
Burg Brugge, nr.1075, leenregister 1435
Gent, Rijksarchief, Archief Sint-Baafsabdij, oorkonden, nr.531 (gepubliceerd in Buntinx, 1968, bijlage en in (gedeeltelijke) vertaling door Coornaert, 1989, nr.1, p.27-29.)
Brugge, Bisschoppelijk archief, archief van de Duinenabdij, Bevestiging van de schenking ten voordele van de abdij Ter Doest op Wulpen, 1213 (gepubliceerd in F.Van de Putte, Cronica et cartularium monasterii de Dunis, Brugge, 1984, p.490)

 

Reconstructies

Van de eilandendispositie zijn volgende reconstructies opgemaakt:
Gottschalk, 1955, deel 1, kaart van Westelijk Zeeuws-Vlaanderen overgenomen en aangevuld door Buntinx, 1968, p.152.
Coornaert, 1974, p.350 (kaart van de Vlaamse kustvlakte ca. 1 180) en p.353 (kaart van de Vlaamse Kustvlakte ca. 1300) en verder nog p.358 (kaart van het Zwin begin 16de E.); 1989, 1, p. 32 (kaart van de delta van de Sincfala en de Honte, ca. 1230).
Augustijn, 1998, p.354 overgenomen in Verhulst, 1995, p.65.
De paleogeografische kaarten van Devos en Van Heeringen (1995), gedeeltelijk overgenomen door Wintein (2001) zijn voor deze periode althans geïnspireerd op Gottschalk.

 

 

 

 

 

  LMB-BML 2007 Webmaster & designer: Cmdt. André Jehaes - email andre.jehaes@lmb-bml.be
 Deze site werd geoptimaliseerd voor een resolutie van 1024 x 768 en IE -11-Edge
Ce site a été optimalisé pour une résolution d'écran de 1024 x 768 et IE -11- Edge